april 2022

Bij tabakspijpen van de Amerikaanse Indianen gaat de gedachte al snel uit naar de exemplaren gemaakt van catliniet, de rode steensoort die vooral door de Sioux stam gebruikt is. Veel oudere pijpen zijn echter afkomstig van de Irokezen of Iroquois, het Indianenvolk dat al eeuwenlang het oosten van Noord-Amerika bewoonde. Zij leven van landbouw en jacht en het roken kennen zij al lang voor de Europeanen zich er vestigden. Hun pijpen zijn bekend van grafvondsten waarbij naast een enkel sieraad vaak ook het geliefde rookinstrument van de overledene is meegegeven. Het hierbij afgebeelde exemplaar, ruim een jaar geleden aan onze collectie toegevoegd, is representatief voor de Iroquois. Van met de hand gerolde en geboetseerde klei is een vrij simpele pijp gemaakt die in een veldoven tot aardewerk werd gebakken. Door rookontwikkeling tijdens het stoken heeft het voorwerp de gesmoorde bruinzwarte kleur gekregen. De horizontale steel en verticale kop zijn verbonden door een elleboogvorm, kenmerkend voor deze Indianenstam. Aan de voorzijde van de trechtervormig ketel met concentrische ringen is een dierfiguurtje geboetseerd, soms ook een mens. Hier lijkt dat een hond te zijn of wellicht een coyote, de Amerikaanse prairiewolf, die met zijn kop guitig boven de rand van de pijpenkop de roker aankijkt. De pijp heeft iets primitiefs in de net niet gladde steel en onregelmatige ringen. Tegelijkertijd is het dierenkopje met eenvoudige vormen goed getroffen, waardoor de pijp wel degelijk karakter krijgt. Het is een type dat vooral in de zestiende en zeventiende eeuw populair was en daarna is vervangen voor uit Europa geïmporteerde waar. Voor de Indianen hadden die aangevoerde tabakspijpen een hogere status.

Amsterdam Pipe Museum APM 24.444a

Permalink