Een Turkenkop uit Gouda

november 2020

Een Turkenkop uit Gouda

Rond het jaar 1700 bedacht de Goudse vormmaker Crijn Dircksz. Veverloo een pijpenkop in de vorm van een Turkenhoofd. Voor die tijd was het een opmerkelijke schepping: een wat primitief hoofd met een forse neus, weinig geprofileerde ogen en oren, een simpele sik en een tulband aangeduid met schuins geplaatste knorren. Je voelt hoe de vormmaker naar een uitbeelding zocht zonder enige ervaring te hebben. De simpele tulband is net voldoende om te suggereren dat het om een Oosterling gaat, maar er zeker geen sprake van een artistieke uitbeelding. Op dat moment was de vinding echter bijzonder, want er werden in Gouda amper figurale pijpen gemaakt. Zijn schepping bleek echter een gelukkige, de pijp werd al gauw populair. Hoewel we niets over de eventuele opdrachtgever noch over het afzetgebied weten, is dit ontwerp in talloze variaties gemaakt èn nagemaakt. Doorgaans als steelpijp zoals de meeste kleipijpen in Gouda toen. Daarnaast bestaat er ook een versie met een manchet, een afgeknotte steel zoals bij dit exemplaar. In het steeleind wordt een rietsteel gestoken. Het voorkomen van die manchet wijst op inspiratie uit Midden-Europa. Onverwacht aan deze tabakspijp is dat niet het gebruikelijke merkstempel met de boom van Veverloo voorkomt, maar het pijpenmakersmerk lelie. De lelie was op dat moment in bezit van Neeltje Lamberts Verwint, weduwe van Joost Pieterse de Meijer, een belangrijke koopvrouw in pijpen. Als oppervlakte vondst is het hoogst exceptioneel dat deze manchetpijp gaaf tevoorschijn is gekomen.

Amsterdam Pipe Museum APM 24.086

Permalink