Hoogtepunten uit het Amsterdam Pipe Museum

Auteur:
Don Duco

Jaar van uitgave:
2020

Uitgever:
Amsterdam Pipe Museum (Stichting Pijpenkabinet)

Een buisvormige Indianenpijp

051-18.084-etn-indiaan-tubular-3
APM 18.084

De hier afgebeelde pijp is primitief van vormgeving en afwerking, maar wel prachtig in zijn eenvoud. Het gaat om het meest voor de hand liggende pijpmodel: de buisvorm, onder vaklieden wel aangeduid als tubular. De pijp is ruim vijftien centimeter lang en is gemaakt van bruinzwarte steatiet met een lichte zweem van groen. Qua vorm is deze pijp overwegend conisch maar vernauwt zich aan beide einden zodat een lichte ovaalvorm is verkregen. Om de ketelopening is een onopvallende filtrand te zien, in vakkringen aangeduid met raised ring. Het steelgedeelte loopt toe en is afgerond. Rond dit steeleind is de rand wat oneffen en minder strak dan wenselijk. De pijp vertoont duidelijke gebruikssporen al is deze als archeologisch voorwerp prachtig gaaf teruggevonden.

Hoewel de buisvorm de indruk wekt op een primitieve draaibank te zijn gemaakt, is dat zeker niet het geval. In de vroege periode werkten de Indianen nog volledig uit de hand. Met een vuursteen aan een stokje als boor werd het voorwerp uitgehold. De steel is vanuit de ene zijde van de pijp ingeboord, uiteraard met een tamelijk dunne boor, daarna is de ketel vanaf de andere zijde gemaakt. Door het handmatig draaien van de boor is de schacht niet zuiver cilindrisch en recht geworden, maar vertoont ringen met een licht verloop. De buitenzijde lijkt eerder uit de hand tot de juiste vorm te zijn geschraapt en geslepen, de filtrand om de ketelopening incluis. Kortom, het gaat om een volledig handmatig gemaakt voorwerp.

051-18.084-etn-indiaan-tubular-1
APM 18.084
051-18.084-etn-indiaan-tubular-4
APM 18.084

Na het boren heeft men het de pijp nog uitvoerig nabewerkt. Inwendig is het ketelgedeelte overlangs verder uitgehold om de ringen van het boren kwijt te raken en de ketel ruimer te maken. Aan de buitenzijde is de pijp gladgeslepen al vertoont het oppervlak toch nog talloze kras- en slijpsporen die getuigen van het bewerken met primitief gereedschap. Blijkbaar kenmerkte een nieuwe pijp zich indertijd door een web van dergelijke slijpsporen. In de loop van het gebruik raakten deze krassen afgerond en sleten weg tot een mooier effen oppervlak ontstond, uiteraard met een warme patina van het veelvuldig hanteren. Inwendig bestaat de helft van de buislengte uit de ketel bestemd om met tabak te worden gevuld, deze is dus zo'n 7 centimeter diep. Het ketel- en steelgedeelte is aan de buitenzijde van de pijp niet afleesbaar.

De tubular diende een wijze van roken die eeuwenlang zo is beproefd. De pijp werd met verpulverde tabak gevuld en in een liggende houding gerookt. Bij de Indianenstammen is dat een gebruik geworden dat zelfs bijdraagt tot de ceremoniële waarde van het pijproken. Bij deze pijp hoort nog een extra onderdeel, dat begrijpelijkerwijs verloren is gedaan. Het is volstrekt onverwacht maar de Amerikaanse Indianen hebben deze kop op een holle stengel of op een vogelbot gemonteerd. Met behulp van bitumen werd de aansluiting tussen de twee delen luchtdicht gemaakt. Die montage is nu nog zichtbaar in het steelgedeelte waar ondanks de ouderdom nog sporen van lijmstof aanwezig zijn.

051-18.084-etn-indiaan-tubular-5
APM 18.084

Het geven van een datering voor dit object is niet eenvoudig. De gebruiksperiode van dergelijke pijpen loopt van 500 voor Christus tot de vorige eeuwwisseling, want de tubular pijp is in veel Indianenculturen tot kort na het jaar 1900 in gebruik gebleven. Hier lijkt het niet om een echt vroeg exemplaar te gaan noch om een recent voorbeeld, maar eerder om een regulier product uit de tijd dat de vervaardigding al enigszins gestandaardiseerd plaatsvond. Veiligheidshalve is voor dit exemplaar een periodedatering tussen 500 en 1500 zeker, nader gepreciseerd waarschijnlijk tussen 800 en 1200.

Literatuur: Don Duco, Alfred Dunhill's fascinatie voor de tubular pipe, Amsterdam, 2007.

Amsterdam Pipe Museum APM 18.084


Mississippi eend

052-20.524-etn-mississippi-steen-eend-2
APM 20.524

Deze zwemmende eend is een prachtige sculptuur uit de prehistorie van Amerika. Zij behoort tot de Mississippicultuur en is al ver voor de Tweede Wereldoorlog gevonden in Sevier county in de staat Tennessee, midden tussen de Grote Meren en Florida. Met zijn bijna twintig centimeter lengte is het een monumentaal object. Deze gezaghebbende monoliet kan achteraan de eend verlengd worden met een holle tak of stuk riet om er een pijp van te maken. Een gewone rookpijp is het niet, het is eerder een ceremonieel object.

De Mississippicultuur is een vroege Indiaanse cultuur die in grote lijnen bekend is door opgravingen van hun grafheuvels die hen de naam Mound builders opleverde. Zoals geldt voor alle precolumbiaanse periodes bestaan er geen schriftelijke bronnen, waardoor er nog veel te ontdekken valt. We hebben het hier over de Late Woodlands Period, waarbinnen de Mississippi cultuur dateert tussen 800 en 1400. Het gebied strekte zich uit van de Midwestern tot Southern States. De hier getoonde gesculptureerde pijp stamt uit de bloeiperiode van deze cultuur tussen 1000 en 1300. De afbeelding van een zwemmende eend is in deze cultuur dan populair en dat is niet onlogisch want het stroomgebied van de Missisippi wordt elk voor- en najaar overspoeld met eenden. Naast de visvangst en het zoeken naar bessen zijn de vogels al eeuwen onderdeel van het levensonderhoud. Kenmerkend voor alle Indianenstammen in Amerika is dat zij in harmonie met de natuur leven. De eend is voor hen een belangrijk symbolisch dier geworden.

Bij ons voorbeeld is een donkergroene steatiet gebruikt, een steensoort die zich betrekkelijk gemakkelijk laat bewerken. De meeste van dergelijke eendenpijpen zijn daarvan gemaakt. De vormgeving is prachtig sereen en statig van uitbeelding. Let op de stoere verschijning met gestileerde vormen en ervaar hoe de lijnen die de uitbeelding maken is elkaar overvloeien. Toch is het geen unieke schepping, maar een object dat past in een rite en daardoor steeds opnieuw gemaakt werd. De voorstelling verandert niet, wel de gestileerde vormkenmerken. Deze pijp is daarvan een uitstekend en representatief voorbeeld in gebruikte steensoort, formaat en uitvoering. Uit de inmiddels meer dan tweehonderd opgravingen in het cultuurgebied van de Mississippi is een fors aantal van dergelijke pijpen bekend geworden. Toch is iedere pijp weer boeiend omdat de vormgeving altijd anders is. Het is zeker geen serieproduct, maar steeds weer een originele nieuwe schepping die met veel zorg en toewijding gemaakt is.

052-20.524-etn-mississippi-steen-eend-3
APM 20.524
052-20.524-etn-mississippi-steen-eend-9
APM 20.524

De pijpenkop laat een van de roker af zwemmende eend zien, de ketel met kolossaal dikke wand is achter de kop van het dier aangebracht. Het lichaam is tamelijk kubiek met op de steel opliggende vleugels met uitgespaarde slagpennen, aan de onderzijde zien we een poot met zwemvliezen in lichter reliëf. De ogen zijn uitgehold en waren oorspronkelijk ingelegd met een andere steensoort of parelmoer.

Hoewel technisch functioneel, is het voorwerp te zwaar en te massief om gewoon te roken. Voor het genoegen zal een pijproker niet voor een dergelijk stuk steen kiezen. Het voorwerp vervulde echter een rol in de grafcultuur, want deze pijpen worden altijd gevonden in de enorme grafheuvels die een hoogte tot achttien meter kunnen hebben. De meeste van dergelijke pijpvondsten zijn in Ohio gedaan. Andere voorbeelden doken op in het noorden van Kentucky, het oosten van Indiana maar vergelijkbare exemplaren zijn zelfs in Georgia, Tennessee, Louisiana en North Carolina opgegraven. Dat zegt veel over de lange periode waarop het eendmotief populair is geweest en die tot deze wijde verspreiding leidde.

Amsterdam Pipe Museum APM 20.524


Vogel uit steatiet

053-20.525-etn-indianen-north-carolina-havik-3
APM 20.525

De tabakspijp van de Amerikaanse Indianen kent een grote variatie. Niet verwonderlijk, de cultuur is eeuwenoud en de lokale stammen hadden hun eigen rites en gewoontes om pijpen te maken. Een mooi voorbeeld van zo’n Indianentabakspijp is hier afgebeeld. Het gaat om een pijp van steatiet met licht trechtervormige ketel die staat op een vierzijdige figurale steel die na de ketel doorloopt. Is de ketel gewoon een onversierde licht conische cilinder, de steel daarentegen getuigt wel van een bijzondere vormgeving. Zij laat een vogel zien, de kop met snavel van de roker af, de staart is het steeleind, de vleugels zijn aan weerszijden van de ketelbasis zowel gevijld in de steen als ingekrast. De poten bevinden zich aan de onderzijde halverwege de steel eveneens in reliëf uitgespaard uit het steen. Hoewel de gedachte als eerste op een adelaar komt, is vermoedelijk eerder een havik of een valk afgebeeld. De stilering van het voorwerp maakt deze discussie echter niet erg zinvol. Het is beter te genieten van de verstrakte, sterk gestileerde uitvoering.

Uit dit product spreekt de liefde van de Indiaan voor de uitbeelding van dieren. Daarnaast is de pijp een prachtig voorbeeld van het stileren van vormen. Het werken in steen is niet het meest eenvoudig, zeker niet als we bedenken dat de Indianen geen metaal konden bewerken en dus tot de komst van Europeanen geen metalen gereedschappen hadden. Toch is het ze gelukt om door slijpen en boren zeer geslaagde sculptuurtjes te maken. Misschien juist door het trage vervaardigingsproces weten ze met minimale details een grote zeggingskracht te bereiken. Dat zien we bij deze vogel die hoewel sterk gestileerd toch overtuigend is uitgebeeld.

053-20.525-etn-indianen-north-carolina-havik-4
APM 20.525
053-20.525-etn-indianen-north-carolina-havik-7
APM 20.525

Bronnen melden dat deze tabakspijp in Coffee County in de staat Tennesee zou zijn gevonden, maar verzamelaar Petri die het voorwerp tientallen jaren in zijn collectie koesterde, gaat uit van productie in North Carolina. E.K. Petri mag wel als kenner beschouwd worden al is het altijd goed ruimte voor de twijfel te laten. In de jaren 1940 was Petri voorzitter van de North American Indian Relic Collectors Association. Hij noteerde over juist dit object dat hij toen bezat: Middle Woodland Period, aanduiding voor een prehistorische cultuur in een ruime streek ten zuiden van de grote meren van 200 voor Christus tot 500 anno Domino. Hij laat zelfs ruimte voor een vroegere datering tot de Adenacultuur toe, in de Early Woodland Period van 800 voor Christus tot 100 na Christus. Met dergelijke unieke stukken is het duidelijk dat het bestemmen ervan een lastige zaak is en dat daarover het laatste woord nog niet gezegd is.

Tot slot is het aardig nog te melden dat van deze pijp beweerd wordt dat deze oorspronkelijk was opgesmukt met parelmoer, ivoor en edelmetalen. Het feit dat ivoor in het rijtje materialen voorkomt maakt deze bewering uiterst twijfelachtig tenzij het om walrusivoor gaat. Hoe dan ook, in zijn eenvoud van vormgeving is deze tabakspijp een verdienstelijk stukje steensculptuur dat geen opsmuk nodig heeft om waardig te zijn.

Amsterdam Pipe Museum APM 20.525


De vredespijp van de Indianen

054-16.847-etn-plains-calumet-07
APM 16.847

De Indianenstammen van de Great Plains, het prairiegebied ten oosten van de Rocky Mountains gebruikten pijpen in een specifieke stijl. Het zijn pijpen die officieel calumet heten maar die algemeen bekend staan als vredespijp. Voor die laatste zou de term ceremoniële pijp geschikter zijn, want het roken van een pijp was bij de Indianen een traditie bij belangrijke besprekingen, niet alleen over vrede en strijd, maar ook over handel of gebiedsbezit. Kenmerkend voor de pijpen is de rode steensoort, die catliniet heet en verder de specifieke zogenaamde calumetvorm.

De prachtige rode steensoort voor deze pijpen wordt in de rotsen gevonden in lagen die gemakkelijk kunnen worden weggezaagd. De kleur kan sterk variëren, soms is zij volledig effen, dan weer enigszins gespikkeld. Voor de rode versie wordt ook wel de naam Minnesota pipestone gebruikt. Als handelsartikel wordt deze steen naar alle gebieden verkocht. Omdat de steensoort betrekkelijk zacht is kan deze gemakkelijk met eenvoudig gereedschap worden bewerkt, dat geldt zowel voor het boren en slijpen als het polijsten. Een positieve eigenschap is ook dat het de warmte goed weerstaat, terwijl het door gebruik een prachtige patina krijgt.

Kenmerkend voor de traditionele Plains pijp is de hoge cilindrische rechtopstaande ketel die doorgaans iets minder lang is dan het steelgedeelte waarin later het roer wordt geschoven. Deze steel loopt voorbij de ketel verder door, verjongt zich en eindigt vaak in een mooi afgeschuinde punt. Vanwege dit kenmerkende silhouet worden dergelijke pijpen aangeduid met T-shaped, overeenkomstig de vorm van een omgekeerde letter T.

Uit de wijze waarop de pijp is afgewerkt blijkt de kwaliteit en ook de ouderdom. Aanvankelijk wordt er alleen gesneden en geslepen en is het oppervlak spiegelglad. In de historische periode maakt men steeds vaker van metalen gereedschap gebruik, waardoor mechanische sporen op het voorwerp achter zijn gebleven. Vooral in het boren van de ketel- en steelopening zien we dat.

054-16.847-etn-plains-calumet-05
APM 16.847
054-16.847-etn-plains-calumet-10
APM 16.847

De stenen pijpenkoppen worden van oorsprong gemonteerd met een lang recht houten roer dat afgeplat van vorm is. Soms is zo'n steel met wat snijwerk versierd, maar meestal is deze glad. Aan het eind wordt deze steel met het zogenaamde quill-werk versierd, gevlochten leerbandjes in verschillend kleuren. In dat vlechtwerk worden vaak patronen aangebracht zoals de pijp van het Amsterdam Pipe Museum laat zien met in een rood veld twee pijlpunten en ertussen een vierpuntige ster. Aan de onderzijde is in het vlechtwerk zelfs een tekst te lezen. Het mondstuk eindigt in een punt en hier is een band met kleurige vogelveren aangebracht. Als extra versiering is nog een geel zijden lint toegevoegd met afhangende punten.

Interessant is het etiket dat op het roer van deze pijp geplakt zit. Dit etiket heeft een rode rand en met inkt lezen we "M.I.McCREIGHT TCHANTA-TANWA CEREMONY OF ADOPTION AS CHIEF '08". De naam verwijst naar ene Israel McCreight die deze pijp ten geschenke kreeg toen hij door de Sioux als white Chief werd verkozen. Dat gebeurde in juni 1908 in DuBois, Pennsylvania. Op dat moment was de pijp al enige tijd in gebruik geweest en dat past goed bij een geschenk aan een Chief die tevens expert was op het gebied van Indianenculturen. Uiteindelijk verzeilde dit exemplaar in het Tabakmuseum van Wenen en toen die collectie werd geveild verhuisde de pijp naar Amsterdam.

Amsterdam Pipe Museum APM 16.847


Sioux club

055-22.883-etn-indianen-sioux-roodsteen-slang-1
APM 22.883

Zeldzaam is dit voorwerp dat een combinatie is tussen een head knokker en een tabakspijp. Het is een voorwerp dat in vele culturen voorkomt, ook in Afrika en Oceanië. Daar wordt dan gesproken over een club, de Engelse betekenis van knots of knuppel. Je kunt ze zien als een slaghout om klein wild op afstand te houden of zelfs te doden. Daarnaast is de functie als tabakspijp toegevoegd – een zeldzaamheid – door het stenen eind een ketel te geven en de steel zelf te doorboren. Tenslotte zou je als derde functie nog kunnen spreken van een statusobject, dus niet primair bedoeld als gebruiksding maar vooral om de status van de eigenaar te onderstrepen.

De slagsteen en dus ook de pijpenkop is van roodachtige catliniet gemaakt, aan de linker zijkant is deze wat rossig dooraderd als gevolg van de altijd dunne lagen waarin catliniet gevonden wordt. De kop heeft een zware tonvormige ketel met platte bovenzijde met brede filtrand, ook de onderzijde is vlak. De ketel toont rondom in reliëf een slang met de kop bij de staartpunt, de tong uit de bek. De versiering is zeker niet functioneel, maar dat geldt wel voor de massieve vorm van de club waarmee gemakkelijk een dodelijke slag kan worden toegediend. Dat is de primaire functie van het object.

055-22.883-etn-indianen-sioux-roodsteen-slang-3
APM 22.883
055-22.883-indianen-sioux-roodsteen-slang-5
APM 22.883

De steel van de pijp is halverwege de ketelhoogte aan de zijkant aangezet, zodat de hamerkop een goede balans heeft. Zij is van een wilgentak gemaakt en wanneer dat hout vers is, is de steel taai en flexibel genoeg om niet te breken. Pas als het hout veroudert wordt de steel kwetsbaar. Aanvankelijk heeft de club een lange steel die goed zwiept wanneer deze door ruiters gebruikt wordt. Later wordt de steel korter, zoals bij dit voorwerp. De steel is bekleed met raw hide dat is vastgenaaid, een stuk huid rondom de ketel is weer op de steel vastgenaaid en moet er voor zorgen dat de kop niet van de steel kan schieten. De head knokker is kenmerkend voor de Sioux Indianen van de Northern Great Plains en wordt door jagers gebruikt om dieren te doden. In dit geval is een zeldzame combinatie bedacht met toevoeging van een vredig instrument als een tabakspijp.

Unieke voorwerpen als deze wisselen slechts zelden van eigenaar. Dat geldt ook voor deze pijp die veertig jaar in de collectie van John Adler in Chelmsford heeft gezeten. Adler verkreeg de pijp al voor 1980 van een andere Engelse verzamelaar, nadat de pijp vanzelfsprekend een eigen geschiedenis in de VS heeft gehad. Dit is mede een garantie voor de authenticiteit. Deze oude Engelse collectie werd in 2017 in Colchester geveild. Ondanks de grote internationale belangstelling op die veiling blijft het wonderlijk en onverwacht dat een dergelijk voorwerp door vrijwel niemand werd herkend. Het is de zeldzaamheid die er voor gezorgd heeft dat tegenbieders niet overtuigd waren van de oorspronkelijkheid van dit voorwerp. Dat bepaalde mede dat ons museum tot de aanschaf kon overgaan.

Amsterdam Pipe Museum APM 22.883


De Indiaanse tomahawk

056-16.883-etn-indianen-tomahawk-ruitsteel-1
APM 16.883

Een Indianenpijp die zeer tot de verbeelding spreekt is de tomahawk. Hoewel het voorwerp er uitziet als een bijl, is dat het niet. Het gaat om een pijp, al wordt deze wel met een wapen gecombineerd. Het is vooral wonderlijk dat deze zo kenmerkende Indiaanse pijp geen Indiaanse vinding is maar door de Europeanen is bedacht èn gemaakt om handel met de Noord-Amerikaanse Indianen te drijven. De Amerikaans-Britse smeden bewerkten het ijzer, maar de Indianen bepaalden de vormgeving. Daarom is de pijpenkop bijvoorbeeld qua model gelijk aan de stenen pijpenkoppen van de Micmac Indianen. De steel is altijd door de ‘natives’ gemaakt.

Aanvankelijk was de pijp-tomahawk een diplomatiek geschenk van de Engelsen om de Indiaanse stammen als bondgenoot te binden in de competitie tegen de Fransen. Al snel ontwikkelt de pijp-tomahawk zich tot een voorwerp van prestige en waardigheid voor de stamhoofden. We moeten niet vergeten dat in Amerika de traditie om een vredespijp te roken tijdens onderhandelingen over oorlog en vrede al eeuwenoud is. Wanneer we negentiende-eeuwse Indianenportretten zien, wordt de tomahawk vaak als symbool van macht gedragen, zoals een koning zijn regalia.

056-16.883-etn-indianen-tomahawk-ruitsteel-8
APM 16.883
056-16.883-indianen-tomahawk-ruitsteel-4
APM 16.883

De combinatie pijpenkop en bijl blijft wonderlijk. Het is vooral een handwapen en werpbijl, beide dodelijk genoeg zoals uit opgravingen van begraafplaatsen wel blijkt. Daar komen schedels aan het licht die ofwel met de bijl zijn gekliefd ofwel met de pijpenkop zijn ingeslagen. Aangezien de statusfunctie de overhand neemt, gaat het meer om het uiterlijk dan om de gebruiksfunctie. Niet verwonderlijk dat ze later ook van messing zijn gemaakt of zelfs van een zachte steensoort. De beste tomahawks worden echter uit ijzer gesmeed. De decoratie beperkt zich doorgaans tot het blad van de bijl. Dikwijls worden daarin motieven gezaagd zoals een hart of een ster. In ons geval is hier een schuinsgeplaatst hart te zien, omgeven door een krans van stippen.

De hardhouten steel van de tomahawk is over de volle lengte doorboord. De verbinding van deze steel naar de pijpenkop wordt gemaakt door een verticaal kanaal te boren. Het eindstuk wordt vervolgens met een houten plug of een metalen pin dichtgezet. Door die pin te verwijderen kan de pijp beter worden schoongemaakt. Om bij het roken geen valse trek te krijgen, wordt tussen de bijl en de steel een reepje leer geplaatst. De steel zelf is vaak versierd met ingeslagen messing nagels, hier bijvoorbeeld in eenvoudige rechthoeken geplaatst. Een doorboring dwars door de steel bij het steeleind dient om een versiering aan te hangen, van stof, leer of vaker van paardenhaar of enkele veren. Bij de oudere exemplaren zoals deze tomahawk is die versiering reeds lang geleden verloren gegaan.

De oudste tomahawks zijn door de Engelsen, de Fransen en zelfs Spanjaarden gemaakt. Later gebeurde dat vooral in de Amerikaanse kolonies, maar steeds door kolonisten. Stamhoofden konden in het bezit van een tomahawk komen door huiden of andere goederen te ruilen. Het verhaal gaat dat een tomahawk een tegenwaarde had van een stapel huiden zo hoog als de lengte van de steel.

Het hierbij afgebeelde exemplaar behoort tot het vroegere type en is een volledig functionerende pijp maar kan in principe ook als wapen gebruikt worden. De pijpenkop aan de bovenzijde lijkt rond maar is licht vierzijdig en is met een dubbele omgaande en een enkele ingesnoerde band geprofileerd. De steel van de pijp heeft een ruitvormige doorsnede en is uiteraard volledig doorboord. Ook bij deze pijp ontbreekt het leertje tussen het metaal en het hout niet. Kortom een volwaardige pijp zij het dat de balans vanwege de aangesmede bijl niet heel comfortabel is. Voor een statusartikel neem je dat op de koop toe.

Amsterdam Pipe Museum APM 16.883


Raven pipe van de Canadese westkust

057-22.759-etn-haida-zittende-adelaar-04
APM 22.759

De pijpen van de Haida aan de Canadese westkust zijn wereldwijd bekend. Zij zijn van de koolzwarte argiliet gemaakt, een steensoort die zich prachtig laat snijden en spiegel glad is af te werken. De vele curiositeiten uit die steensoort gesneden wekten de uitdrukking op: pipes that do not smoke, coal that does not burn. Uiteraard vervaardigden de Haida ook pijpen van andere materialen. Bijvoorbeeld uit hout gesneden, of zoals hier een pijp van tufsteen.

Deze tabakspijp heeft een figurale ketel, de aanzet voor de steel, een eenvoudig hol takje, is aan de achterzijde ingeboord. De ketel heeft de vorm van een zittende raaf in gestileerde uitvoering. Het dier heeft grote amandelvormige ogen en een kromme snavel. Aan weerszijden van de romp houdt hij zijn gestileerde vleugels tegen het lichaam, langs de rug doorlopend, de pootjes zien we samengebald. Tenslotte heeft het dier een korte staart. Het is een volsculptuur met een sterk kubieke vorm die de vogel, ondanks zijn formaat van slecht negen centimeter, een monumentale uitstraling geeft.

057-22.759-etn-haida-zittende-adelaar-02
APM 22.759
057-22.759-etn-haida-zittende-adelaar-03
APM 22.759
057-22.759-etn-haida-zittende-adelaar-06
APM 22.759

De raaf is een mythische vogel die aan de oorsprong staat van zowel de Haida als de Tlingit, twee volken in het zuidoosten van Alaska en het Noordoosten van de Canadese provincie Brits Columbia. Volgens zeggen schiep de raaf de mensheid en de beschaving in die contreien. Bovendien is het voor meerdere clans een symbool, iets als een familiewapen. Vandaar dat de raaf voorkomt in sculpturen, zowel in hout als steen, zoals bijvoorbeeld de bekende totempalen. Aangezien het vooral de Haida zijn die in steen werken, lijkt deze pijp door dat volk gemaakt.

Anderzijds leggen de Haida in hun snijwerk sterker de nadruk op de kop met de grote snavel. De raaf in complete uitbeelding van het dier komt in vergelijking vaker voor bij de Tlingit-stam. In dat geval wordt dan verwezen naar een clan die woont langs de Chilkat River die zijn oorsprong vindt in de gelijknamige gletsjer in Alaska. Vandaar dat de stam de Chilkat Qwan genoemd wordt, door henzelf ook wel fonetisch geschreven als Jilkaat Kwaan. Hun leefgebied is bijzonder rijk aan zalm, die weer andere dieren aantrekt zoals de beer en zeearend. Deze dieren zijn niet alleen van belang voor het levensonderhoud, maar zijn vast verankerd in de lokale mythologie en tradities.

Aan de onderzijde van de vogelpoot staat in rode inkt een oud museumnummer geschreven. Dat nummer verklaart het bewaren over langere tijd in een museale omgeving. In de Verenigde Staten is dat niet een garantie voor eeuwige opsluiting. Museumobjecten komen vaker op de markt dan misschien verstandig is. Aan die typisch Amerikaanse gewoonte tot uitverkoop dankt ons museum overigens dit bijzondere voorwerp.

Amsterdam Pipe Museum APM 22.759


Tlingit geweerkolf

058-22.207-etn-tlingit-geweerkolf-dier-03
APM 22.207

Deze welhaast kubistische pijpenkop is een van de meest bijzondere uit de collectie van het Amsterdam Pipe Museum. Het is een ceremoniële pijp die bij begrafenissen werd gerookt. Het stuk hout van deze pijpenkop heeft zijn tweede gebruik gevonden, eerder maakte het onderdeel uit van een geweerkolf. Dat wapen is door de Tlingit uit Akaska op de kolonisten buitgemaakt en kreeg een nieuwe functie. Een trofee dus die vervolgens op een buitengewoon expressieve wijze gesneden is tot een ceremonieel gebruiksvoorwerp dat voor deze Indianenstam van grote waarde was.

De Tlingit waren, net als hun buurstam de Haida in Noord-Oost Canada, een volk van vissers op zee en bosbouwers en houtsnijders thuis. Door Russische handelaren werden zij gedwongen persrobben te jagen voor het bont. Vanaf 1785 verschijnen ook de Engelsen op het toneel. De lokale Indianenstam had dus meer dan genoeg indringers tegenover zich. Ondanks de overmacht aan vuurwapens van met name de Engelsen, zal een enkele keer een geweer zijn buitgemaakt. Niets mooiers dan het wapen van de tegenstander te slopen en zo de overwinning te vieren.

058-22.207-etn-tlingit-geweerkolf-dier-02
APM 22.207
058-22.207-etn-tlingit-geweerkolf-dier-06
APM 22.207

In zijn tweede gebruik is de geweerkolf dus een tabakspijp geworden. Vooral aan de kopse kant zien we de oorspronkelijke doorsnede van de kolf duidelijk terug. Aan de bovenzijde is deze ingeboord om ruimte te bieden aan een cilindrische ketel van messing, die met een stukje textiel is vastgezet. Die stof borgt de ketel en voorkomt valse trek. De rand van de ketelopening is omgeslagen omwille van de stevigheid. De ketel lijkt daarmee op een schoorsteen die boven de pijpenkop uitsteekt, een van de meest kenmerkende vormgevingsaspecten van de Tlingit pijpen. De kopse voorzijde van de geweerkolf is doorboord voor een separate steel. Hierin werd een eenvoudig doorboord stokje van hout geplaatst als roer om de pijp te kunnen roken. De pijp is handzaam maar substantieel. De lengte meet dertien centimeter.

De vlakke zijkanten van het houtblok zijn uitgesneden in een niet te diep, maar helder reliëf. De krachtige voorstelling vormt de artistieke apotheose. Aan weerszijden domineert een vissenkop, gecreëerd door een paar simpele maar doeltreffende beeldelementen samen te brengen. Amandelvormige ogen, een bek met tanden en kieuwen bij de steelzijde. Langs de bovenzijde steekt een vin uit, evenals aan de onderzijde achter een grote kieuw. Nog zichtbaar zijn de plekken waar de schroefgaten van de geweerplaat hebben gezeten, die zijn aan het kopse eind van het voorwerp met houten pluggen weggewerkt.

Na ontstaan in de jaren 1820 of 1830 was dit voorwerp minstens een generatie in het bezit van de stam. Daarna volgde vervreemding, vermoedelijk door verkoop aan een reiziger. Daar begint het nomadenbestaan waarvan we alleen de laatste eigenaren kunnen traceren. Uiteindelijk werd de pijp in 2013 bij veilinghuis Drouot in Parijs ingebracht. Uit die tijd dateert deze lyrische omschrijving: "Zie hoe de pure vorm van het dier weerklinkt in de meest bizarre scheppingen van ’s-werelds grootste surrealisten. De simpele lijnen spreken voor zich maar scheppen samen een consistent beeld. Het dodelijk karakter van het voormalige wapen wordt overstegen door de elegantie van zijn rondingen. De prachtige patina getuigt van langdurig gebruik niet alleen als geweerkolf maar ook als tabakspijp".

Hoewel Tlingit-pijpen zich altijd goed laten herkennen, met name door hun metalen schoorsteen-ketel, is de vormgeving zo creatief dat de variatie eindeloos lijkt. Meestal vormt een van de lokaal voorkomende dieren het hoofdmotief. De verwerking van een dierenkop binnen het gegeven van de geweerkolf is ongeëvenaard en geeft duidelijk aan dat het hout van het geweer voor de maker herkenbaar moest blijven. Een staaltje interculturele uitwisseling van ver vóór de tijd dat iemand dit woord had verzonnen.

Amsterdam Pipe Museum APM 22.207


Kop van een zalm

059-23.894-etn-tlingit-zalm-gekleurd-1
APM 23.894

Op veel plaatsen ter wereld is de tabakspijp een voorwerp met een hoge statuswaarde en een betekenis in de riten en gebruiken van de lokale traditionele cultuur. Dat geldt zeker voor de tabakspijpen van de Tlingit, een Indianenstam die leeft langs de zuidkust van Alaska waar deze over gaat in het noordelijke deel van Canada. Het is een strook land aan de Stille Oceaan waar het volk leeft van de visvangst en de jacht in het bosgebied op het vasteland. Veel Tlingit pijpen vervulden een rol tijdens begrafenissen. Bij samenkomsten werden zij gerookt, doorgaans door deze in de kring rond te laten gaan. Daarna werden zij weer opgeborgen en bewaard tot een nieuwe plechtigheid zich voordeed.

Doordat de Tlingit een heel onafhankelijk volk is met weinig contacten in de omgeving gebruiken zij een specifiek soort tabakspijp die nauwelijks enige verwantschap vertoont met de rookinstrumenten van andere stammen. Als materiaal wordt daarvoor lokaal hout toegepast. In de ketel wordt dat hout gedoubleerd met metaal dat heel kenmerkend als een soort schoorsteen boven het hout uitsteekt. De bovenrand daarvan wordt vaak omgeslagen zodat het wat sterker is en bovendien minder scherp. De houten pijpenkop krijgt een uitgesneden versiering met daaraan een korte steelaanzet. Bij gebruik wordt deze afgeknotte steel verlengd met een eenvoudige recht roer om de rook aan te zuigen.

059-23.894-etn-tlingit-zalm-gekleurd-3
APM 23.894
059-23.894-etn-tlingit-zalm-gekleurd-5
APM 23.894

Deze pijp heeft als voorstelling een dierenkop die in eerste instantie een arend lijkt, maar dat is een misleiding. Voorgesteld is de kop van een zalm, als het ware van de vis afgerukt vlak achter de kieuwen, het rode bloed druipt er vanaf. De gelijkenis met de vogel komt door de sterk overhangende bovenlip, een kenmerk van de zeer oude zalm. Als vissersvolk was de zalm in al zijn verschijningsvormen natuurlijk goed bekend bij de Tlingit.

Met een lengte van ruim zeventien centimeter is dit een forse pijpenkop. De uitbeelding is sterk gestileerd, maar door de scherpe silhouet niet te missen. Met enkele lijnen is invulling gegeven aan deze krachtige uitbeelding. De kenmerkende Indianenbeschildering in de kleuren zwart met accenten in rood en wit vervolmaken de uitgebeelde vis. De pigmenten van de verf stammen uit de natuur. De neusgaten van het dier wordt tenslotte aangegeven met twee geboorde gaten waarin resten van vogelveren zijn achtergebleven. Zij herinneren aan de ceremoniële functie van het voorwerp dat met twee lange veren een buitengewoon opvallend silhouet heeft gehad.

Behalve deze zalmkop komen Tlingit-pijpen voor met allerlei dierfiguren, zoals een pad, arend en beer. Niet verwonderlijk voor een volk met traditioneel een animistisch geloof. Dagelijkse gebruiksvoorwerpen voorzien zij van beeltenissen waardoor het een spirituele kracht krijgt, zeker van toepassing bij een funeraire pijp als deze. Hoe de dagelijkse pijp van dit volk er uit heeft gezien, weten we eigenlijk niet. Ongetwijfeld zijn dat kleine handzame rokertjes geweest zonder al te veel opsmuk. Dit ceremoniële voorwerp werd tussen 1840 en 1850 gemaakt en bleef vrij lang binnen de stam bewaard. Uiteindelijk verruilde het zijn rituele functie voor een museale.

Amsterdam Pipe Museum APM 23.89


De tabakspijp in Noord-Siberië

060-19.820-etn-eskimo-tongoosk-1
APM 19.820

Er zijn gebieden in de wereld waar grondstoffen zeldzaam zijn. Wanneer zo'n volk een pijp wil maken is de keuze beperkt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Tongoosk, een Arctische stam in Siberië. Zij leven met een minimum aan materialen die zij in de natuur vinden. Toen de tabak in deze afgelegen streek eenmaal door handel bekend was geworden, werd het roken een geliefde vorm van ontspanning. Terwijl de tabak zelf werd geïmporteerd, ontstond voor de pijp een eigen traditie met een eigen ontwerp. Deze pijpen zien we nu als een opmerkelijk en interessant etnografisch object.

De pijpen van de Tongoosk zijn doorgaans uit verschillende materialen samengesteld. De steel is van een zachte houtsoort en heeft altijd een licht opwaartse buiging. Deze stelen hebben vaak een ruitvormige diameter die zich naar het mondstuk verjongt. Omdat men er niet in slaagt het pijpenhout te doorboren, worden de stelen in twee helften gemaakt die ieder worden uitgehold. Nadat in beide helften het rookkanaal spiegelbeeldig is aangebracht, worden zij met een eenvoudig stuk draad of snoer samengebonden. Dat koordje geeft de pijp haar karakteristieke voorkomen en heeft naast een bindfunctie ook een decoratieve waarde. Doorgaans is dit draad van vissenhuid gemaakt. De literatuur spreekt van zeehondenhuid of robbenhuid doch bij het hier afgebeelde exemplaar lijkt het eerder om een darmsnaar of pees te gaan.

060-19.820-etn-eskimo-tongoosk-3
APM 19.820
060-19.820-etn-eskimo-tongoosk-7
APM 19.820

Voor de pijpenkop moet naar een beter vuurbestendig materiaal gezocht worden. Soms is dat metaal zoals koper of lood. In dit geval is walrusbot gebruikt dat in een heel specifieke vorm is gesneden. De ketel is namelijk trechtervormige en klein, het formaat stemt uiteraard overeen met de schaarste aan tabak in die streek. Op de schaalvormige pijpenkop kan een klein beetje tabak volledig worden verbrand. Dit sluit goed aan bij de zuinige manier van leven van het volk. Een filter van gras of dierenhaar wordt in de stam van de ketel gestoken en moet er voor zorgen dat de volledig tot as verbrande tabak niet in de rook meegezogen wordt. Een dergelijk filter tegen zogenaamde vliegende asresten wordt sporadisch ook in andere culturen wel gebruikt, zoals bij de Papoea.

In dit geval is de pijp voorzien van een separaat mondstuk dat eveneens uit walrusbot gesneden is en zelfs voorzien is van een knopmondstuk. Dat mondstuk maakt de pijp beduidend duurzamer dan dat het zachte hout van het basismateriaal in de mond genomen wordt.

De term Tongoosk is inmiddels sterk verouderd en wordt slechts zelden gebruikt. Sterker nog, Google vindt dit woord op slechts twee plaatsen, in ons museum en in het British Museum. In beide gevallen is de naam gebaseerd op de beschrijving die de beroemde collectioneur William Bragge in 1880 aan dit soort pijpen gaf. Aangezien Tongoosk eigenlijk een sterk denigrerende Russische term is voor een etno-linguïstische groep in Noord-Oost Siberië is de naam sinds lang veranderd in Evenki.

Veel Eskimo kunstnijverheid wordt gedetermineerd als Alaska of ruimer Noord-Amerikaans. Dit voorwerp vormt daarop dus een uitzondering omdat het van Aziatische herkomst is. Feitelijk worden de Evenki niet eens tot de Inuït gerekend omdat zij een taal spreken die ontwikkeld is vanuit Mongolië, meest verwant aan de Jenisejische talen rond de Jenisej rivier in midden-Siberië. De datering van dit exemplaar zal in het eerste kwart van de twintigste eeuw liggen, maar de pijp in deze vorm is bij de Evenki al veel langer in dezelfde vorm in gebruik.

Amsterdam Pipe Museum APM 19.820


Walrusivoren pijp met graveerwerk

061-24.263-etn-inuit-walrustand-geometrisch-01
APM 24.263

In het Arctische gebied langs de westkust van Canada tot en met Alaska wonen geen Indianen. Het is het gebied van de Inuit, een volk met een beperkte materiele cultuur. Zij leven van de jacht en de visvangst, waarbij het een belangrijke traditie is werkelijk alles van het gejaagde dier te benutten, hetzij als voedsel, kleding of wat dan ook. Hun huisraad en gebruiksartikelen komen dus uit die activiteiten voort. Niet verwonderlijk dat zij weinig luxe kennen. Zelfs tabak om te roken is er schaars, het wordt verkregen door het verhandelen van jachtproducten. Wanneer de Eskimo roken, dan gebruiken zij pijpen met een kleine kop waarvan de rook diep geïnhaleerd wordt om de juiste roestoestand te krijgen.

Mooist denkbare materiaal voor hun tabakspijpen is walrusivoor. Dit tandmateriaal is fraai van kleur, ondoordringbaar en kan prachtig glad worden afgewerkt. Nadeel is dat het niet eenvoudig te bewerken is. Uiteraard is de vorm van de tabakspijp gerelateerd aan de tanden van de walrus die een lichte buiging hebben. Daardoor heeft de pijp een specifieke vorm gekregen met een licht opwaarts gebogen steel die zich naar het mondstuk vernauwt. Uiteraard heeft dat laatste te maken met de punt waarin walrustanden eindigen. De steel wordt meerzijdig afgeplat tot een zes of achtkantige doorsnee. Op die vlakken graveert de Inuit zijn decoratie waarvan de lijnen met zwarte kleurstof worden verduidelijkt. De feitelijke pijpenkop aan het eind op deze steel heeft een trechtervorm. Gegeven de tabak schaarste zijn de koppen van de Inuitpijpen klein.

061-24.263-etn-inuit-walrustand-geometrisch-02
APM 24.263
061-24.263-etn-inuit-walrustand-geometrisch-03
APM 24.263

De hierbij afgebeelde tabakspijp is kenmerkend voor de Inuit. De ketel is bescheiden en aan de buitenzijde wat oneffen vanwege het grillige tandmateriaal. Heel specifiek is dat de steeldecoratie niet op alle vlakken is aangebracht, maar dat aan weerszijden en langs de boven- en onderrand panelen effen zijn gebleven. Hierdoor wordt het ritmische effect van de pijp versterkt en lijkt de steel langer. Als decoratie is het gebruikelijk lijntekeningen in het oppervlak aan te brengen. De variatie daarin is eindeloos. We kennen Inuit in actie in de vorm van kleine figuurtjes die jagen, op een slee rijden of voor hun iglo zitten, soms zelfs rokend afgebeeld. Vanzelfsprekend afgewisseld met ijsberen en zeehonden. Het zijn scenes die vooral de toeristen in die regio aanspreken.

Voor het volk zelf bestaat er in de decoratie een bepaalde rangorde. Een pijp voor persoonlijk gebruik wordt vaker abstract gedecoreerd, terwijl een voorwerp voor de verkoop aan reizigers of toeristen eerder van populaire afbeeldingen wordt voorzien die in de souvenirhandel verkoopbaarder zijn. De hierbij afgebeelde pijp met een geometrisch patroon is dus voor eigen gebruik bestemd. Deze heeft boven en onder de plano baan een onverwacht ritme van diagonale balken, wisselend naar links en rechts neigend en dat brengt een wat psychedelisch effect teweeg. De afwisseling van balken die effen zwart zijn met die voorzien van een speelse zigzag lijn zorgt voor een extra speels element met grote levendigheid. Volstrekt onverwacht verandert de decoratie onderaan de pijpenkop in de gebruikelijke lijntekeningen waarin we een rij tipis, Indianententen herkennen en dierfiguren gerelateerd aan de gebruikelijke jachtvoorstellingen. Opmerkelijk is hier dat geen iglo’s worden afgebeeld maar Indiaanse wigwams. Een onbeantwoorde vraag is of met deze figuurtjes werd begonnen om vervolgens toch maar over te gaan in een geometrisch patroon of andersom zodat deze als laatste zijn toegevoegd.

Onder vaklieden wordt gesproken van een zogenaamde west-Inuit pijp uit Alaska. Daarmee staan ze tegenover de oost-Inuit pijpen uit Azië. De productie van dergelijke kenmerkende pijpen van walrusivoor moet geweldig zijn geweest. Bij de jacht op walrussen leverde ieder mannetje materiaal voor twee nieuwe pijpen op, naast uiteraard grondstof voor allerlei andere snuisterijen die even goed verkochten. Klanten daarvoor waren de Europese walvisvaarders en goudzoekers. Makers van deze pijpen zijn de substam Inupiaq die hierin tussen 1890 en 1900 een levendige handel ontwikkelden. Tenslotte is het interessant te weten dat de Inuitpijpen geen relatie hebben met de pijpen van de Amerikaanse Indianen, volkeren waarmee zij zich niet wensten te associëren. De walrustand pijpen zijn eerder afgekeken van Chinese rookinstrumenten die de Inuit leerden kennen door in de winterperiode de toegevroren Beringzee over te steken om daar handel te drijven.

Amsterdam Pipe Museum APM 24.263


Inleiding

Voorhistorisch

Archeologisch

Pijpen van klei

Keramische rookpijpen

Porselein als materiaal

Het magische meerschuim

Europese houten pijpen

Andere Europese pijpen

Pijpen uit Noord- en Zuid-Amerika

Pijpen uit Afrika

Pijpen uit Azië

Pijpenmakergereedschap

Tabacologische voorwerpen

Curiosa en varia