Hoogtepunten uit het Amsterdam Pipe Museum

Auteur:
Don Duco

Jaar van uitgave:
2020

Uitgever:
Amsterdam Pipe Museum (Stichting Pijpenkabinet)

Pijpenkop als hangslot

062-20.291-etn-ashanti-slot-4
APM 20.291

Origineel maar ook merkwaardig is de uitbeelding in deze pijpenkop, afkomstig van het in Ghana levende goudvolk, de Ashanti. Een realistisch weergegeven hangslot is hier tot pijpenkop verwerkt, compleet met een ronde beugel die boven de filt van de pijpenkop uitsteekt. Deze wonderlijke voorstelling is geplaatst op een vlakke sokkelvormige voet met twee naar voren stekende punten. De voet is met kerfsnijwerk versierd. Aan de achterzijde van dit object vinden we de opgaande bijna cilindrische steel die eindigt in een onopvallende manchet met het kenmerkend knopje vlak onder de rand. Deze steel heeft banen met schuinse raderingen, terwijl de manchet zelf met verticale raderingen versierd is. Vanwege het platte slot en de typische brede maar vlakke voet is het een voorwerp met een heel duidelijke zichtzijde geworden. De voorzijde is majestueus, de zijkanten onduidelijk en minimaal terwijl de achterzijde de oorspronkelijke gebruiksfunctie laat zien.

De pijp behoort tot de categorie spreekwoordenpijpen, tabakspijpen waarvan de decoratie geïnspireerd is op spreekwoorden en zegswijzen van het Ashantivolk. De traditie van deze uitbeeldingen gaat zeker terug tot diep in de achttiende eeuw. De eenvoudige en functionele voorbeelden werden als dagelijkse pijp gebruikt. Voor de uitgebreid gefigureerde exemplaren waren andere bestemmingen. Zij werden aangeboden als curiositeit aan reizigers, maar kregen vooral in de eigen cultuur een betekenis. Zo was het gebruikelijk om als grafgift een pijpenkop met een toepasselijke uitbeelding aan de overledene mee te geven. Die traditie hield tot in de negentiende eeuw stand, al veranderde de uitbeelding en de wijze van werken. Juist die veranderingen in de stijl van de producten en de detaillering maken de Ashantipijp tot zo’n uitdagend voorwerp van onderzoek èn visueel genoegen.

062-20.291-etn-ashanti-slot-1
APM 20.291
062-20.291-etn-ashanti-slot-5
APM 20.291
062-20.291-etn-ashanti-slot-8
APM 20.291

Twee afwerkingen zien we naast elkaar. De in oxiderend vuur gestookte pijpenkoppen die een roodbruin uiterlijk hebben tegenover de zwartgesmoorde pijpen die verschillende tinten zwart en grijs kunnen hebben, glanzend zowel als mat. De populariteit van beide kleuren wisselt elkaar af. Gebruikelijk was daarna om de pijpenkoppen met wit krijt in te wrijven, waardoor de details beter tot hun recht kwamen; iets dat we duidelijk aan de achterzijde van deze pijp zien. Gezien de brosse keramiek bleven weinig exemplaren intact bewaard. Wat overleefde gebeurde vooral bij toeval in oude collecties, zeker als die museaal beheerd werden.

Toen August Racinet in 1878 zijn publicatie over volkeren met hun gebruiken en specifieke modes samenstelde, putte hij voor de pijpen uit de rijke collectie van baron De Watteville. Onder de Afrikaanse pijpen die Racinet toen als meest stereotype koos, bevindt zich ook een pijpenkop van de Ashanti identiek aan deze, namelijk met een hangslot. Als verfijnd voorwerp valt het op tussen de veelal bombastische en langgesteelde andere pijpen die hij afbeeldt.

Amsterdam Pipe Museum APM 20.291


Tweefigurenpijp

063-20.290-etn-lobi-dubbelfiguur-3
APM 20.290

De figuratie van een tabakspijp is altijd weer een uitdagende zaak. Daarvan is dit object een mooi voorbeeld. Is het een pijp met beeldhouwwerk of een sculptuur met pijpenkop erin? Geboetseerd van aardewerk toont de pijp een cilindrische ketel met geaccentueerde filtrand die geplaatst is op een verzwaarde voet met zeven lobben. Het figurale aspect vinden we aan weerszijden van de pijpenkop in de vorm van boetseerwerk, feitelijk zonder logisch verband met de pijp. Daar zien we links een ongeklede man en rechts een naakte vrouw, beiden gezeten op een eenvoudig krukje, de voeten naast elkaar op een voetstukje.

Bij het uitwerken van de figuren ging de meeste aandacht naar het gelaat uit, met name de tatoeages. Verder zijn de tepels en navel expliciet gemarkeerd. De lichamen en ledematen zijn echter weinig gearticuleerd, zonder gewrichten of andere anatomische details, alleen de vingers en tenen kregen eenvoudige streepjes. Nadat de voorstelling geboetseerd was, is het voorwerp in zijn geheel met een roodbakkende engobe bedekt. Die zorgt ervoor dat na het bakken een aantrekkelijke glans verkregen werd.

063-20.290-etn-lobi-dubbelfiguur-9
APM 20.290
063-20.290-etn-lobi-dubbelfiguur-1
APM 20.290
063-20.290-etn-lobi-dubbelfiguur-6
APM 20.290

Tussen de man en de vrouw is een groot verschil in lichaamsdecoratie te zien. De man heeft twee forse incisies in het gelaat, verder zijn met zwarte kleurstof de ogen en wenkbrauwen aangegeven. Wat domineert is de rode engobe. Het lichaam van de vrouw daarentegen vertoont talloze tatoeages en vooral scarificaties. Dat laatste is een veel voorkomende traditie in West-Afrika waarbij de huid zodanig bewerkt wordt dat het lidtekenweefsel een decoratief patroon vormt. Dat zien we zowel op de borst als op de buik en zelfs banen met strepen over het gehele gelaat. Beide personen kregen extra accenten in kleurstof: het haar en het schaamhaar zijn met zwart geaccentueerd.

De pijpenkop die in feite tussen het zittende koppel verstopt is, heeft een hoger dan gebruikelijke ketel, wat wijst op een vrij vroege datering. Dat geldt ook voor de knobbels aan de basis die in de loop van de negentiende eeuw vervlakken en in aantal verminderen. De gepolijste ronding van de pijpenkop is decoratief doorbroken met twee ingedrukte rozetten. De steel is als gebruikelijk oplopend met een afgeplatte manchetband als afwerking, die traditiegetrouw de vorm van een eikel heeft en daarmee een vruchtbaarheidssymbool uitstraalt. Het is een detail dat zo algemeen bij dergelijke pijpen wordt toegepast dat de stilering die betekenis bijna doet vergeten.

De herkomst is de stam Gurunsi die sinds het begin van de negentiende eeuw in noord Ghana leeft. Hun standaardpijpen van dergelijk ketelmodel worden dagelijks gebruikt en zijn wijd verspreid geraakt. Luxe versierde exemplaren zoals deze daarentegen zijn van buitengewoon grote zeldzaamheid en werden zelden gerookt. Zij hadden een ceremoniële rol of vervulden een statusfunctie bij de eigenaar. Vanwege de breekbare aard van dit materiaal zijn er bijzonder weinig exemplaren overgeleverd. Deze aandoenlijke uitvoering is bijvoorbeeld de enige in zijn soort die tot nu toe bekend is.

Amsterdam Pipe Museum APM 20.290


Houten pijp met drie personen

064-17.135-etn-ovimbundu-drie-figuren-01
APM 17.135

Deze prachtige pijp moet uit Angola zijn meegenomen door een reiziger die daar in de eerste decennia van de twintigste eeuw verbleef. De pijp zal gekocht zijn in de streek van de Ovimbundu, een volksstam die leeft in centraal en zuidelijk Angola. Dergelijke pijpen waren staatsiepijpen en werden aangeduid als Peshi. De trechtervormige pijpenkop met vlakke onderzijde en ook de rechte houten steel met het verzwaarde schijfvormige eind zijn in dat gebied karakteristiek voor de dagelijkse rookpijp. Ook het gebruik van een ijzeren roer waarmee de steel verlengd wordt is er algemeen. Steeldecoratie op de pijp is echter voorbehouden aan meer invloedrijke rokers en daarin onderscheidt deze pijp zich van zijn alledaagse tegenhangers.

Op de steel van de pijp zijn drie zittende figuren uitgebeeld, voor de roker kijken zij naar rechts. De figuren zijn op een soort bordes geplaatst, in het midden een vrouw, door twee mannen geflankeerd, hun voeten rusten op een regel ter hoogte van de pijpensteel. Het snijwerk getuigt van routine en artisticiteit. Louter door het subtiel aangeven van enkele details als het haar, de ogen en mond wordt de voorstelling van de figuren gesuggereerd. Sommige van deze details zijn met een likje zwarte kleurstof aangezet. Ruimschoots voldoende om zonder waarheidsgetrouwe detaillering de mensfiguren uit te beelden.

064-17.135-etn-ovimbundu-drie-figuren-04
APM 17.135
064-17.135-etn-ovimbundu-drie-figuren-06
APM 17.135

Ter versteviging is de rechte pijpensteel omwonden met omgaande bandjes van blik in twee kleuren. Naast versteviging vervullen zij ook een rol als decoratie. De ketel is inwendig eveneens met plaatmetaal bekleed wat nodig is om het zachte hout tegen inbranden te behoeden. Dat metaal loopt op de vlakke ketelopening door en vormt een subtiel omgevouwen randje op de overgang naar het hout. Het gehele voorwerp is met transparante lak bedekt om het wat ruwe oppervlak glad te maken. Mogelijk dat dit niet in het land van herkomst gebeurde maar in Europa.

Over de datering van dit stuk is geen discussie. De kenmerken zijn volledig stereotiep voor de streek, de stam en de periode tussen 1880 en 1920. Omdat we niet weten hoe de stijl van de Ovimbundu pijp zich ontwikkelde, kan ook van een hogere ouderdom sprake zijn. De oudste schriftelijke bron over dit object dateert uit 1951 toen J.H. Kruizinga een artikel over de verzamelaar Henk van der Hoef schreef. In dat artikel staat deze pijp met naam en toenaam vermeld. Met die paar vluchtige zinnen en een groepsfoto is dit object een van de weinige exemplaren uit de Van der Hoef-collectie die gedocumenteerd zijn. Helaas in journalistieke stijl zonder veel achtergrondkennis, kenmerkend overigens voor dergelijk schrijfwerk ten behoeve van een populair boek. De essentiële details waar het voorwerp verzameld werd en wanneer gingen helaas verloren.

Amsterdam Pipe Museum APM 17.135


Twee koppen op één steel

065-16.956-etn-malawi-tweekoppen-01
APM 16.956

Over de wijze waarop volkeren hun pijpen vormgeven en versieren kun je je blijven verbazen. Streek- en stamgebonden kenmerken overheersen in een bepaald gebied en zijn in een andere streek weer verdwenen om plaats te maken voor andere karakteristieken. Deze pijp van de Malawi, ontstaan in het voormalige Nyasaland, is daarvan een prachtig voorbeeld. Het laat stameigen kenmerken zien, die we in geen andere cultuur terugvinden.

De houten pijp is feitelijk vrij simpel van vorm met een fors dikke steel die het meest lijkt op een honkbalknuppel: recht, licht conisch uitlopend naar het eind en met een schijfvormige verdikking als begin, hier het mondstuk. Niet duidelijk is of dat het eigenlijke mondstuk van de pijp is dat tegen de lippen werd gehouden of dat hierin een dun metalen roer werd gestoken. Van die laatste mogelijkheid, veelvoorkomend in Kongo, Angola en elders, zijn echter nooit voorbeelden van de Malawi gezien. Het kopse eind is versierd met vier afgeschuinde, iets uitgeholde vlakken. Het boorgat door de hele steel is hier open gelaten.

Bijzonder is de plaatsing van de pijpenkop, in dit geval zelfs twee stuks. Zij bevinden zich niet aan het eind van de steel zoals gebruikelijk, maar ruim ervoor op driekwart en halverwege de steel. Doordat de steel doorloopt na de pijpenkop is een soort handvat achter de pijpenkop verkregen. De beide koppen staan in een haakse hoek op de steel, als twee forse schoorstenen met een sterk verzwaarde bovenrand vergelijkbaar met het mondstuk. De nogal lomp uitgevallen ketels blijken door een subtiel design wonderschoon uit de steel op te rijzen. Doordat hun diameter niet rond maar licht afgevlakt is, komt de breedte exact overeen met de dikke steel, terwijl ze van de zijkant gezien smal en rijzig blijven. De twee ketels gaan dus op een ingenieuze wijze in de steel over. Een moderne industrieel ontwerper had het niet mooier kunnen doen.

065-16.956-etn-malawi-tweekoppen-03
APM 16.956
065-16.956-etn-malawi-tweekoppen-09
APM 16.956

Beide pijpenkoppen zijn onversierd gelaten, behoudens onopvallende ingekerfde kruisjes op de zware filtranden. De steel vertoont daarentegen een interessante ingesneden versiering in kerfsnee-techniek van drie geometrische banden. De eerste en breedste bij het mondstuk, de tweede tussen de beide ketels en de derde op het eindstuk. De panelen worden door ingesneden bandjes met een zigzag lijn van elkaar gescheiden. Hoewel ogenschijnlijk identiek zijn de drie panelen op verschillende wijze ingevuld. De langwerpige velden werden voorzien van arceringen, doorlopend of in de vorm van een visgraad, in andere gevallen opgebouwd uit driehoeken met arceringen afwisselend naar links en naar rechts gericht. De variatie in de patronen maakt het oppervlak buitengewoon levendig, al moeten we niet proberen een systematiek in de opbouw te zoeken. De patronen lijken voor de vuist weg te zijn gesneden, zonder vooraf een bepaald ritme te hebben bedacht.

Een raadsel bij dergelijke etnografische stukken blijft hoe de vorm zich heeft ontwikkeld, of deze ergens is afgekeken en wanneer dit gebeurde. Door de zeldzaamheid is ook over de looptijd van dergelijke voorwerpen nauwelijks iets te zeggen. De stijl moet al voor 1850 bestaan hebben en blijft in gebruik tot na het begin van de twintigste eeuw. Wanneer deze verdwijnt is onduidelijk. We kunnen veilig stellen dat dit stuk dateert tussen 1850 en 1920. De curieuze vorm, de hoge kwaliteit van vervaardiging en de zeldzaamheidswaarde maken deze pijp tot een aantrekkelijk etnografisch object.

Amsterdam Pipe Museum APM 16.956


Zittende figuur met hoofdtooi

066-24.081-etn-graslanden-zittende-figuur-03
APM 24.081

Totemfiguren zoals in de afgebeelde pijpenkop zijn algemene voorstellingen voor tabakspijpen bij de Graslanders van Kameroen. Hun pijpen vertonen al generaties lang dergelijke traditionele figuren waarbij het concept gelijk is maar de details oneindig verschillen. Deze pijpenkop met zijn zittende totem is heel sterk frontaal van opzet, met de uitbeelding aan de voorzijde van de ketel. De kracht van het voorwerp wordt nog extra benadrukt door de hoogte van bijna 25 centimeter.

De ketel toont aan de voorzijde een zittende figuur die heel majestueus is uitgebeeld. De voorstelling wordt gedomineerd door het gelaat, dat met zijn langgerekte staande ovaalvorm ruim een derde van de uitbeelding inneemt. Kenmerkend zijn hier de lange smalle neus met expliciete neusvleugels, de amandelvormige ogen met erboven de kwartcirkelvormige wenkbrauwen en een dubbele rij met gelijkvormige tanden. Vooral opvallend is de hoofdtooi die het voorhoofd met een halve maanvorm omsluit. Aan de voorzijde van deze tooi heeft de maker een repetitief geometrisch patroon aangebracht van blaadjes of spitse koffiebonen. Wie goed oplet ziet dat rechts en links niet geheel gelijk zijn. In zijn streven naar symmetrie kwam hij kennelijk niet goed uit, maar zag geen weg terug. We herkennen er in elk geval duidelijk het handwerk in.

De onderhelft van de pijpenkop beeldt het verkleinde lichaam van de totemfiguur uit met een verzwaarde sokkel aan de basis. Hoewel gestileerd is het lichaam met alle ledematen helder geleed. Armen lopen vanuit de verbrede schouders langs de zijkanten, in dit geval rusten de handen op de knieën. Vandaar dat we slechts de onderbenen zien, met ertussen de gearceerde schaamlap. Zowel de vingers als de tenen zijn met eenvoudige maar zeer doeltreffende evenwijdige streepjes aangegeven, evenals twee decoratieve polsbanden. De buik is met een niet mis te verstane navel geaccentueerd.

066-24.081-etn-graslanden-zittende-figuur-01
APM 24.081
066-24.081-etn-graslanden-zittende-figuur-07
APM 24.081
066-24.081-etn-graslanden-zittende-figuur-10
APM 24.081

Kenmerkende factoren van de tabakspijpen uit Kameroen zijn verder de vlakke onderzijde van de pijpenkop waarin een lekgat en een oplopende steel die evenwijdig aan de pijpenkop loopt en zonder manchet eindigt. Tussen ketel en steel bevindt zich een gaatje om de pijpenkop met een borgkoordje aan de houten steel te bevestigen. De steelaanzet is in dit geval onversierd, later wordt daar standaard een eenvoudig geometrisch patroon aangebracht. In deze holle ruimte werd een recht houten roer als verlenging gestoken om de pijp te kunnen roken.

Het onderhavige object is een prachtig voorbeeld van een uitbeelding volgens de traditie, maar toch springt de pijp eruit dankzij de eigen vormgevingskenmerken. De uitwerking is uiterst zorgvuldig met krachtige lijnen in een harmonieuze vlakverdeling, in één woord sereen. Je ogen schieten van accent naar accent. De pijpenkop is overigens niet geboetseerd maar gevormd door deze te snijden vanuit een blok klei. In dit geval is klei van een tamelijk vette structuur gebruikt, die in leerdroge toestand werd gepolijst en tenslotte met een rode engobe is ingewassen. Door de laatste ovenbrand oxiderend te laten zijn, kwam een prachtig rode kleur tevoorschijn, in een matte glans. Deze afwerking is kenmerkend voor de pijpenkoppen uit het begin van de vorige eeuw en ouder. Ondanks de schijnbaar eenzijdige motievenschat en vaste vormgevingsprincipes is hier een majestueuze pijpenkop gecreëerd.

Amsterdam Pipe Museum APM 24.081


Kralenvlechtwerk uit Kameroen

067-15.885-etn-kameroen-graslanden-geometrisch-01
APM 15.885

Als de zegswijze groot is mooi en veel is lekker opgaat dan geldt dat zeker voor deze uitzonderlijke Afrikaanse tabakspijp. Met zijn lengte van bijna twee meter en zijn ketelhoogte van zo'n dertig centimeter is er zeker sprake van groot en met de bijzondere steel met uitgebreid kralenvlechtwerk met duizenden kralen is ook absoluut van veel sprake. In Kameroen is de tabakspijp naast een geliefd rookinstrument ook een statusobject. La pipe du chef is de grote tot zeer grote pijp, die niet zozeer bedoeld is om te worden gerookt, maar als een showstuk een duidelijke statusfunctie heeft. Zo'n pijp is het hierbij afgebeelde exemplaar.

De aardewerken pijpenkop heeft een hoog, vrij nauw model en is licht conisch. De onderzijde is vlak met een lekgat, want de tabak die er gerookt wordt heeft een hoge vochtigheid. Traditiegetrouw worden de pijpen kunstig versierd veelal met een geometrisch repeterend patroon met een hoge symboolwaarde. Zo toont de ketel een ingesneden paneel met gestileerde spinnen met ruitvormige restruimte die als een diamantkop naar vier zijden gearceerd is. De rand rond de ketelopening is versierd met geprononceerde leeuwennagels, die de ketelopening als een krans omsluiten. Tenslotte is de ketelbasis verzwaard met vier gestileerde spinnen. Ook de opgaande steelaanzet is gedecoreerd en wel met drie geometrische partijen. De onderste is verzwaard met een ovaal geruwd stuk, de middelste gelinieerd en de smalle bovenrand heeft vijf concentrische ingesnoerde ringen.

067-15.885-etn-kameroen-graslanden-geometrisch-03
APM 15.885
067-15.885-etn-kameroen-graslanden-geometrisch-28
APM 15.885

Dergelijke pijpenkoppen werden indertijd in serie gemaakt en zijn niet uit zachte klei opgebouwd en geboetseerd maar uit een blok leerdroge klei gesneden. Vandaar dat de motieven een specifieke vormgeving hebben. Op de plaatsen waar het mes waarmee de decoratie werd gesneden eindigde, zijn soms braamranden te zien. Zij staan voor echtheid in tegenstelling tot geboetseerde vormgeving van pijpenkoppen die in latere tijd voor de toeristenmarkt gemaakt zijn en die er beduidend oppervlakkiger uitzien.

067-15.885-etn-kameroen-graslanden-geometrisch-19
APM 15.885

De pijp heeft nog zijn oorspronkelijk houten roer dat voorzien is van een ongelooflijk arbeidsintensieve decoratie. Om de steel is namelijk een prachtig en kleurig geometrisch vlechtwerk van glaskralen aangebracht. Deze decoratie is opgebouwd uit afwisselende banen met driehoeken en in elkaar vallende ruiten. Het repeterende patroon loopt van eenvoudig en expliciet naar verfijnder en meer gecompliceerd. Omdat de steel naar het mondstuk toe dunner wordt en de decoratie ingewikkelder, wordt een heel bijzonder effect bereikt. Hoe arbeidsintensief dit werk is geweest, blijkt wel uit het feit dat ongeveer 27.600 kralen zijn gebruikt!

Een los mondstuk van gegoten brons is met zijn licht tapse vorm over het eind van het houten roer geschoven. De aanzet vertoont een onopvallende parelrand en bij het steeleind is een schijfvorm aangebracht. Hoewel het geen erg opvallend onderdeel is, contrasteert het brons prachtig met de glanzende kralen en de matte, donkere ketel.

Dergelijke grootse pijpen werden niet gerookt, maar deden dienst als relatiegeschenk aan een hooggeplaatste persoon. Bij officiële gelegenheden werden ze rondgedragen en moesten de status van de bezitter onderstrepen. Wie deze pijp ooit in eigendom heeft gehad is onduidelijk. Na omzwervingen dook dit exemplaar in 1988 in Madrid op en werd daar bij veiling verkocht, samen met vier andere koningspijpen. Sindsdien domineert deze pijp de uitgebreide collectie Kameroen pijpen in het Amsterdam Pipe Museum.

Literatuur: Don Duco, Rookgerei vol van symboliek, tabakspijpen uit de Graslanden van Kameroen, Amsterdam, 1999.

Amsterdam Pipe Museum APM 15.885


Inleiding

Voorhistorisch

Archeologisch

Pijpen van klei

Keramische rookpijpen

Porselein als materiaal

Het magische meerschuim

Europese houten pijpen

Andere Europese pijpen

Pijpen uit Noord- en Zuid-Amerika

Pijpen uit Afrika

Pijpen uit Azië

Pijpenmakergereedschap

Tabacologische voorwerpen

Curiosa en varia