Highlights of the Collection

Author:
Don Duco

Original Title:
Hoogtepunten uit het Amsterdam Pipe Museum

Publication Year:
2020

Publisher:
Amsterdam Pipe Museum (Stichting Pijpenkabinet)

Een vrouwenbeen als pijpenstopper

082-18.452-tabacologie-meissen-stopper-1
APM 18.452

Iedere roker weet dat je voor de juiste trek in de pijp gebruik moet maken van wat heet een pijpenstopper. Het gaat om een eenvoudig instrumentje met een afgeplatte onderzijde waarmee je tijdens het roken de tabak in de pijpenkop aandrukt. Dat is nodig omdat de tabak tijdens het roken uitdroogt en losser wordt waardoor de juiste weerstand voor een mooi smeulend vuur dreigt te verdwijnen. Pijpenstoppers zijn al vanaf de zeventiende eeuw gemaakt. Aanvankelijk heel klein omdat de diameter van de pijpenkop minder dan een centimeter in doorsnee was. Soms zelfs zat die stopper aan het scharnier van de tabaksdoos gesoldeerd en kon niet zoek raken.

In de achttiende eeuw komen hele luxe pijpenstoppers tot stand. Zo'n exemplaar wordt hier afgebeeld. Het gaat om een porseleinen voorbeeld afkomstig uit de beroemde fabriek van Meissen. De stopper is in de vorm van een vrouwenbeen gemaakt, Engelsen spreken van een maiden's leg. De modieuze schoen met hakje lijkt echter geenszins een eenvoudige dracht te zijn doch eerder het schoeisel van een ware dame. Deze voorwerpen werden gegoten en vervolgens van kleurige beschildering voorzien. Het schoentje werd heel zorgvuldig met borduurwerk in bruin beschilderd, de strik werd met paars aangezet.

082-18.452-tabacologie-meissen-stopper-3
APM 18.452
082-18.452-tabacologie-meissen-stopper-5
APM 18.452

Een aardig detail is dat zelfs het borduurwerk op de kous is geschilderd inclusief de kousenband met strik waarmee de kous op zijn plaats werd gehouden. Bij wijze van grap wordt soms op het been nog een vlo geschilderd, die hier net op de scheiding van de kous en de onderbroek te zien is. Een pikant detail waarop de bezitter zijn vrienden kon wijzen om hen te vermaken. Naar aanleiding hiervan noemen de Duitsers het een Flobein.

Dat dergelijke stoppers exclusieve hebbedingetjes waren wordt ook bewezen door de zilveren montage. Om het porselein tegen roetsporen te beschermen is hier een zilveren vatting aangebracht, die gemakkelijk schoon te houden is. Afgaande op het kleurgebruik van de schildering moet deze stopper tussen 1770 en 1780 gemaakt zijn.

De porseleinen pijpenstopper in de vorm van een vrouwenbeen blijft ook in de negentiende eeuw in productie. Dergelijke stoppers stammen niet langer uit de beste porseleinfabrieken maar komen uit Boheemse bedrijven. Deze goedkopere versies genoten vooral populariteit onder de studenten. Het grapje met de vlo is daar ook beter te plaatsen dan onder heren van stand. De latere exemplaren zijn overigens gemakkelijk van de vroege te onderscheiden. De grootte van de pijpenkop neemt na 1800 fors toe waardoor ook de pijpenstopper groter en zwaarder wordt.

Amsterdam Pipe Museum APM 18.452


Helm als vonkenvanger

083-23.136-tabacologie-pijpendop-zilverdraad-helm-1
APM 23.136

De vonkenvanger is één van die wonderlijke voorwerpen die vroeger alledaags waren, maar die niemand tegenwoordig nog kent. In de zeventiende en achttiende eeuw was het in sommige steden verplicht om de pijpenkop met een dop af te dekken. Dit om brandrisico te voorkomen. Zo kwamen doppen in gebruik van dun metaaldraad gevlochten in uiteenlopende vormen om de pijpenkop mee af te sluiten. Volgens zeggen kwamen de meest eenvoudige als bajeswerk in de gevangenis tot stand. Daarnaast waren er ook professionele pijpendopvlechters actief, naast de huisvlijt.

De hierbij afgebeelde pijpendop is een mooi voorbeeld van een extra luxe exemplaar. Het object heeft alle standaardkenmerken met een vaste basis onder een meer open koepelvorm, deze is vervolgens uitgebreid met een dubbele kam waardoor het een officiershelm is geworden. De klep en kleine rozet aan de zijkant maken het af. Zoals gebruikelijk heeft de vonkenvanger een borgketting met een oogje om rond de steel van de pijp te schuiven. Valt de dop van de pijpenkop of wil je je pijp nog eens aansteken, dan behoedt de borgketting deze voor verlies. Bovendien hoef je niet te bukken om hem op te rapen. Terwijl doorgaans messingdraad wordt gebruikt, is deze dop gemaakt van fijn zilverdraad dat tijdens het vlechten als versiering glaskralen heeft meegekregen. Juist die luxe toevoeging geeft het voorwerp een fleurig voorkomen en transformeert het tot een snuisterij of geschenkartikel.

083-23.136-tabacologie-pijpendop-zilverdraad-helm-3
APM 23.136
083-23.136-tabacologie-pijpendop-zilverdraad-helm-5
APM 23.136

Als we naar het vlechtwerk kijken dan zien we dat dit een prachtige regelmaat heeft. De koepel bestaat uit horizontale draden, afwisselend enkele en gewonden, die op gepaste afstand een dunne rib hebben waarmee zij aan de vorige krans zijn vastgezet om zo de fragiele bovenkant in model te houden. Er lopen zeven van dergelijke ribben over de koepel. Voor de toevoegingen, klep, kam en nog een band in de nek is zilverdraad gebruikt dat eerst is gewonden door twee draden samen te draaien. Vervolgens is van dit dubbele draad een soort breiwerk gemaakt, zodat het eindresultaat wat vaster en steviger is. Hier zijn de kraaltjes in het breiwerk meegeregen. Alles bij elkaar een ongelofelijk secuur precisiewerkje dat ongetwijfeld talloze uren tijd heeft gekost.

Interessant is een artikel uit 1828 in het tijdschrift Penelopee, dat als ondertitel heeft Maandwerk gewijd aan het vrouwelijk geslacht. Daarin staat te lezen hoe dames als tijdverdrijf de mooiste pijpendoppen konden vlechten, inclusief een afbeelding daarvan. Dat maandblad richtte zich op de gegoede stand dat zich met onschuldig, maar ook nuttig tijdverdrijf onledig hield. Het vlechten van pijpendoppen bestemd als presentje aan geliefde of een dierbaar familielid, behoorde tot hun bezigheden.

Moeten we ons nog afvragen of het werkelijk vrouwenhanden waren die dit voorwerp maakten, of dat het toch een nijverheidsproduct is. Daarover ben ik heel stellig, gebaseerd op enkele specifieke kenmerken. Ten eerste is het zilverdraad te geroutineerd gevlochten en te vast van aard om door een dilettant te zijn gemaakt. Ook het zilveren kettinkje is te regelmatig om uit de hand vervaardigd te zijn, hoewel je nog zou kunnen veronderstellen dat hier een standaard kettinkje gebruikt is met een zelf gedraaid oog. Tenslotte heb ik vaker pijpendoppen gezien die met kraaltjes zijn opgesierd. Daarvan zijn in de loop van de tijd steeds meer exemplaren bekend geworden. We moeten deze pijpendoppen dus eerder zien als serieartikel voor de markt, al is dit exemplaar tot nog toe de enige in zijn soort.

Amsterdam Pipe Museum APM 23.136


Tabaksdoos met het offer van Abraham

084-20.712-tabacologie-tabaksdoos-abraham-1
APM 20.712

Buitengewoon intrigerend zijn de vroegste tabaksdoosjes, die stammen uit een tijd dat nog niet alle rookgerei gestandaardiseerd was. Dit doosje is daarvan een mooi voorbeeld. Gezien het formaat en de wijze van vervaardiging moet het tussen 1625 en 1635 dateren. Het zakdoosje is van messing gemaakt en heeft een ovale vorm met vlakke bodem, rechte zijkanten en vlak deksel. Dit deksel is gegoten met in reliëf het offer van Abraham. Links van het midden staat Abraham met geheven zwaard, een zwevend engeltje houdt de punt van het zwaard beet, rechts op een soort offerblok de geknielde Isaac, de hand van Abraham rust op zijn hoofd. Aan de bovenzijde zien we de tekst met links de afkorting "RA:" voor Rex Abraham en rechts "SACRIFI:I", dat staat voor offert met de letter I als afkorting van Isaac. Aan de voeten van Abraham zien we links een rokende driepoot met de letters "ZZ" en onder het offerblok de letters "IS". Het lijkt erop dat deze letters refereren aan de maker, een nog onbekende persoon met de initialen "Z.Z. " die in Iserlohn werkzaam moet zijn geweest. Iserlohn was in de zeventiende eeuw de belangrijkste industriestad van Westfalen, beroemd om de vervaardiging van metaalwaren. Naast de naalden, hun meest geëxporteerde product, waren alle mogelijke voorwerpen van gestanst en gegoten messing in de maak, waaronder doosjes.

Is het deksel in hoogreliëf versierd, de opstaande rand van de doos is in een andere techniek gemaakt. De zijkanten zijn gedrukt met een lichtere reliëfversiering die helaas door veelvuldig gebruik of poetsen vrij sterk is gesleten. Toch herkennen we weelderig bladwerk met daartussen, wat onverwacht, een slanke inktvis en tweemaal de kop van een dolfijn. Althans, zoals die in de zeventiende eeuw werd afgebeeld met een bol voorhoofd met het oog, knopneus en vervaarlijke bek met tanden. Ertussen zien we een feniks, een vogel en andere dieren. Aan de binnenzijde toont de doos een enkelkakige scharnier waarop een gegoten conische messing pijpenstopper bevestigd is. Dergelijke pijpenstoppers waren in die periode onontbeerlijk aangezien de pijpenkoppen te klein waren om de tabak met je vinger aan te kunnen drukken. Zo’n stopper was dus bijzonder praktisch.

084-20.712-tabacologie-tabaksdoos-abraham-4
APM 20.712
084-20.712-tabacologie-tabaksdoos-abraham-5
APM 20.712
084-20.712-tabacologie-tabaksdoos-abraham-7
APM 20.712

Interessant is ook de herkomst van dit tabaksdoosje. Het werd in of kort voor 1986 als detectorvondst op de wallen van de vestingstad Bourtange gevonden en moet dus toebehoord hebben aan een van de soldaten of misschien wel officieren die daar op de schans in Oost-Groningen gelegerd zijn geweest. Voor de toenmalige eigenaar zal het verliezen van zijn geliefde tabaksdoos pure pech betekend hebben. Het tegenovergestelde van het geluksmoment dat de eerlijke vinder ten deel viel toen zijn detector piepte waarna hij een dergelijk tabaksdoosje in zo’n goede staat vond. Inmiddels was dat geluksmoment drie en een halve eeuw later.

Amsterdam Pipe Museum APM 20.712


Tabaksdoos met schildpadpantser

085-20.324-tabacologie-doos-schildpad-3
APM 20.324

In de zeventiende eeuw groeide bij de Hollandse burger de zucht om te pronken. Behalve artikelen van goud en zilver, kwamen ook bijzondere, liefst exotische materialen daarvoor in aanmerking. De wereldwijde zeevaart leverde tal van dergelijke artikelen op, vaak door ruilhandel verkregen. In de zestiende eeuw werden die voorwerpen vooral aan vorsten aangeboden, in de zeventiende eeuw vonden deze hun weg naar rijke kooplui in Holland. Een van die bijzondere en dus geliefde materialen is schildpad dat verwerkt werd in luxe voorwerpen. Het beplakken van kistjes, het fineren van kleine meubeltjes maar ook het verwerken op alternatieve wijze. Deze vroege tabaksdoos is daarvan een mooi voorbeeld, temeer daar het gebruik van schildpad op twee manieren getoond wordt. Het deksel van dit sympathieke doosje bestaat uit een compleet rugschild van een waterschildpadje, gemonteerd in messing. Daarbij heeft het deksel de vorm van het gebolde schild van het beestje behouden, waarvan de tekening in een patroon van achthoeken als een sieraad bewonderd werd.

Aardig genoeg is de doos zelf ook van schildpad gemaakt, maar dan van schilpadplaat dat met een forse dikte optimale stevigheid aan het voorwerp geeft. Ook hier houdt een messing frame de onderdelen bij elkaar. Doos en deksel zijn aan de kopse zijde met een tweekakige scharnier verbonden. Deze scharnier heeft aan de buitenzijde nog een nok met ring om het doosje aan de gordel te dragen. In dat geval hangt de vlakke bodem tegen het lichaam en is het pantser voor de pronk zichtbaar. Het kleine doosje sluit aan bij de hoge prijs van de tabak in die periode. Om het stoppen van de kleine pijpenkoppen te vergemakkelijken was inwendig een conische pijpenstopper van messing gemonteerd. Dergelijke stoppers bewijzen dat het om tabaksdoosjes gaat.

085-20.324-tabacologie-doos-schildpad-4
APM 20.324
085-20.324-tabacologie-doos-schildpad-6
APM 20.324

Hoe fraai ook in eenvoud en materialen, het gaat niet om een eenling. Dergelijke dozen zijn een periode zo modieus geweest dat ze in serie werden gemaakt. We zien als we de dozen vergelijken overeenkomsten of juist verschillen in de maat of de vorm. Ook onderscheid zien we in de mal die gebruikt werd voor het gieten van de pijpenstopper aan de binnenzijde. Ondanks hun luxe waren het gebruiksvoorwerpen die geleidelijk sleten of door een ongelukje stuk gingen. Het is dus niet zo verwonderlijk dat van dergelijke kwetsbare tabaksdoosjes er tegenwoordig nog maar weinig over zijn.

Amsterdam Pipe Museum APM 20.324


Tabaksdoos met schuifjes

086-20.725-tabacologie-tabaksdoos-schuifjes-00
APM 20.725

De Hollandse zaktabaksdoos is gedurende de hele achttiende eeuw door rokers gebruikt om tabak in te bewaren en in te vervoeren. In die eeuw tijd veranderde de tabaksdoos van ovaal naar rechthoekig om vervolgens afgeronde einden te krijgen of afgeschuinde hoeken. Deze doos heeft wat dat betreft de eenvoudigste vorm, zij is rechthoekig van vorm met rechte opstaande kanten. Om de doos gemakkelijk in de zak te laten glijden zijn de boven- en onderranden afgerond. Met dat model past de doos in de periode tussen 1720 en 1750.

Speciaal aan deze doos is niet de vorm maar de uitvoering en afwerking. Het gaat niet om een simpele doos van buiten gegraveerd en van binnen glad, maar hier is de maker de uitdaging aangegaan om werkelijk iets bijzonders te maken. De bovenzijde en de bodem zijn ieder voorzien van twee rechthoekige schuifjes waarachter extra voorstellingen schuil gaan. Ook inwendig is de doos onverwacht. Hier bevindt zich een messing binnenplaat met versiering.

086-20.725-tabacologie-tabaksdoos-schuifjes-01
APM 20.725
086-20.725-tabacologie-tabaksdoos-schuifjes-15
APM 20.725

Deksel en bodem tonen aan de buitenzijde tamelijk onschuldige voorstellingen. We zien bijvoorbeeld een clownachtige man bij een vrouw, of een watertje waarop een zeilbootje, ook galante voorstellingen van figuren in een landschap. Wanneer blijkt dat je de schuifjes kunt openen komen voorstellingen van een andere orde tevoorschijn. Dan druipt de erotiek er vanaf. In een vertrek zien we bijvoorbeeld een vrouw die met opgetilde rokken naar haar kruis wijst, kijken naar de man voor haar, of een vrouw aan een tafel die een dode kip ophoudt, een tweede vrouw heft een stok op om een poes te slaan die op een reuzen fallus kauwt. De bodem laat tweemaal een dansende naakte Fortuna zien en een tafel met dobbelende mannen. Kortom, achter de schuifjes passeren scenes die het daglicht niet kunnen verdragen.

086-20.725-tabacologie-tabaksdoos-schuifjes-05
APM 20.725
086-20.725-tabacologie-tabaksdoos-schuifjes-09
APM 20.725

Als geheel is de doos een fraai stukje vakmanschap in twee kleuren metaal: rood koper en geel messing. Let bijvoorbeeld op de diep gestoken gravering van een meanderende bladrank die rondloopt over de afgeronde randen rondom bodem en deksel. Maar ook achter de schuifjes is de uitwerking zorgvuldig. Bij de erotische voorstellingen is het koperplaat zelfs deels uitgezaagd en tegen gelige stof geplaatst. Die voorstellingen zijn bovendien verzilverd zodat zij de beschouwer vroeger tegemoet blonken. Naast de acht voorstellingen is er nog het zaag- en graveerwerk in het binnendeksel waarvan het thema overigens matig aansluit bij de erotische lading van de buitenzijde. Daar zien we een vrouw in Romeins plooigewaad met staf en sikkel, vanwege haar sikkel herkenbaar als Ceres, de godin van de landbouw. Let hier vooral ook op de welgevormde moertjes waarmee dit binnendeksel is gemonteerd.

Hoewel de maker een waar kunstwerkje heeft afgeleverd, waar hij uren aan heeft zitten knutselen, gaat het niet om een unicum. Ieder kunstnijverheidsvoorwerp wordt op een gegeven moment opnieuw gemaakt, zeker wanneer de maker schik heeft in zijn werk en de verkoop succesvol is geweest. Dat geldt ook voor dit type dozen. Eén op de paar honderd heeft deze onverwachte luxe uitvoering. Naast dit type met vier schuifjes bestaat er een variant met twee langere schuifjes, iets eenvoudiger te maken dus. Dat van dit luxe goed meer bewaard bleef dan van de eenvoudige doos ligt aan de pronkfunctie. Het is niet zozeer een doos voor dagelijks gebruik, maar eerder iets om zo nu en dan voor de pronk te tonen. Uiteindelijk was een gewone doos prettiger in de zak en makkelijker in gebruik, omdat die gladder èn beduidend lichter was.

Amsterdam Pipe Museum APM 20.725


Tafeltabakspot met tabakskoopman

087-22.056-tabacologie-tabakspot-delfts-01
APM 22.056

Het maken van een tabakspot van Delftsblauw aardewerk is jarenlang een traditie geweest. Zij werden gekocht door gegoede burgerij die zich niet zoals de allerrijksten een zilveren tabakspot konden permitteren. Hoewel het primair gebruiksartikelen betrof, belandden veel potten uiteindelijk in een pronkkast. Dankzij dat gegeven zijn er talloze bewaard gebleven. Interessant is dat je in de tafeltabakspot de verandering van stijlen goed kunt volgen, zowel die van het zilver, het Delfts aardewerk als het Chinese porselein. Dat maakt het voor de kunsthistoricus van nu tot praatstukjes.

Deze tafeltabakspot is daarvan een mooi voorbeeld. De pot heeft een vierkante vorm en staat op acht uitstaande pootjes. De verticale wanden hebben sterk afgeschuinde hoeken waardoor de pot bijna achtkantig wordt. Om het aanzicht extra levendig te maken golven de wanden naar binnen en buiten. Het is een vorm die van zilveren tabakspotten is afgekeken, waar door het solderen van wanden aan een grondplaat deze vorm eenvoudig te bereiken was. Voor een pottenbakker is het zeker niet gemakkelijk te maken tenzij deze, wat hier gebeurde, er een drukvorm voor bedacht die de productie vergemakkelijkte. Aan de binnenzijde is deze pot voorzien van een vlak binnendeksel met knopje. Dat binnendeksel is vrij eenvoudig gelaten. Alleen op de vier hoeken zijn in blauw drie blaadjes geschilderd. Dergelijke deksels dienden ervoor de tabak aan te drukken waardoor deze minder snel uitdroogde en dus beter bleef smaken. Het sierdeksel om de pot af te sluiten is gebombeerd en gaat in enkele welvingen naar een plastiekje dat als knop fungeert. In deze dekselknop zien we een zittende Hollandse tabaks

koopman met in de rechterhand heel toepasselijk een tabakskarot.

087-22.056-tabacologie-tabakspot-delfts-06
APM 22.056
087-22.056-tabacologie-tabakspot-delfts-08
APM 22.056
087-22.056-tabacologie-tabakspot-delfts-09
APM 22.056

Pot en deksel zijn rondom druk beschilderd in Delftsblauw, maar vertonen de Chinese Wan-Li stijl. We zien een gestileerd artemisiablad dat we in dit geval misschien liever als een tabaksblad zouden aanduiden, afgewisseld met een grote granaatappel en een schriftrol omgeven door ornamentwerk. Dit werk wordt gescheiden door een soort Lodewijk XIV-velden. Duidelijk is er dus geen sprake van stijleenheid. De zilvervormen vertonen nog modekenmerken van de quinze stijl, zoals de asymmetrische lofjes langs de onderrand. Het schilderwerk daarentegen grijpt zoals opgemerkt op de Chinese Wan-Li terug. De fabrikant heeft dus een meer smaken object gemaakt, al zou je dat in eerste opzicht niet zeggen.

Maker is de Delftse pottenbakker Johannes van Duijn. Hij produceerde meer van dergelijke tabakspotten. Daarbij wisselen de decors, maar ook de dekselknoppen. Er is zelfs een variant waar het tabaksmannetje voor een vrouwtje verruild is. De datering ligt ergens tussen 1760 en 1780. In zijn winkel had Van Duijn altijd enkele van dergelijke potten op voorraad. Doordat de decors verschilden kon de klant zelf een passende keuze maken. In Delfts blauw of in polychroom, druk beschilderd zoals deze of met bescheiden penseelwerk. Na verkoop van de laatste exemplaren kwam het voorwerp opnieuw in productie en werd de beschildering gebaseerd op de laatste verkoopervaringen. Zo doende begrijpen we de ambachtelijke inspiraties naast de zakelijke aanpak binnen een pottenbakkersbedrijf.

Amsterdam Pipe Museum APM 22.056


Dubbele pijpenfoedraal

088-20.323-tabacologie-kas-schildpad-01
APM 20.323

Deze pijpenkas of pijpfoedraal ziet er op het eerste gezicht vrij eenvoudig en strak uit, maar is om verschillende redenen van buitengewone zeldzaamheid. Het gaat om een langwerpig model met houten kern, bekleed met dik schildpad en voorzien van een bescheiden zilvermontage. Het conische eind heeft een zilveren dop, de voorzijde klapt open met een vlakke zilveren tweekakige scharnier met gepunte einden. Dit klapdekseltje wordt geborgd door een eenvoudige maar sierlijke zilveren sluithaak. Inwendig is rood fluweel aangebracht ter bescherming van de breekbare inhoud. De schoonheid van dit voorwerp spreekt uit de simpele eenvoud en de volmaakte wijze waarop het schildpad is vormgegeven en gepolijst.

De zeldzaamheid zit hem hier niet alleen in de exotische schildpad bekleding, wat inderdaad uitzonderlijk mag heten, maar met name in het formaat. De totale lengte is niet meer dan 24 centimeter, terwijl iedereen weet dat een standaard Goudse pijp bijna vijftig centimeter meet, tenzij het om een exemplaar gaat uit de vroege zeventiende eeuw. Gezien de binnenruimte is deze pijpenkas lange tijd gezien als een vroeg zeventiende-eeuws exemplaar, maar bij nader inzien is die gedachte onjuist. De binnenruimte is te groot voor kleipijpen uit de eerste generatie, ervan uitgaande dat een etui juist nauw om het voorwerp sluit om gerammel en breuk te voorkomen. Anderzijds passen kleipijpen van rond 1630 qua steeldikte niet. Het voorwerp moet dus uit een andere tijd stammen. De conclusie is dat deze opbergdoos bestemd is voor uitzonderlijke Goudse kleipijpen in miniatuur uitvoering, stammend uit de tijd rond het jaar 1700. In die tijd werden zogenaamde kwartmaatspijpen gemaakt, zoals de naam zegt op een kwart van de grootte van de standaard tabakspijp. Niet alleen de lengte was op schaal verkleind, ook de steeldikte! De verfijning in afwerking zoals glazen en radering deed niet onder voor de hoogste kwaliteit Goudse producten. Deze zogenaamde etuipijpen, zoals een zeldzame vermelding in de archieven ze noemt, waren in hun tijd een exclusiviteit. Voor dergelijke verfijnde, maar vooral ook delicate producten was het logisch een foedraal te bestellen.

088-20.323-tabacologie-kas-schildpad-04
APM 20.323
088-20.323-tabacologie-kas-schildpad-07
APM 20.323

Het fenomeen dubbele pijpenkas bestaat al sinds de jaren 1660. Vanaf dat moment werden in het toenmalige Ceylon houten pijpenkassen gemaakt bekleed met ivoor en bestemd voor twee Goudse kleipijpen. De wens tot een etui voor twee kleipijpen is vanaf dat moment traditie en zien we gedurende de hele achttiende eeuw. Het wordt een gebruik vooral in de Oost, maar ook in Europa en zelfs in koloniën in Afrika. Of de dubbele pijpenkas een symbool is voor samen roken of louter praktisch voor de eigenaar om twee pijpen ter beschikking te hebben, is tot nog toe nooit verklaard. Een interessant fenomeen is het wel. In het geval van deze schildpad pijpenhouder lijkt het erop dat het een voorwerp van grote luxe was, niet zozeer voor standaard gebruik als wel voor vertoon, maar dan op een ingetogen wijze alleen herkenbaar voor de ware liefhebber. Het aspect samen roken is gezien het bescheiden ketelformaat van de pijpen die in deze houder passen ook niet een erg gastvrij gebaar.

Amsterdam Pipe Museum APM 20.323


Gesneden pijpenkas

089-20.737- tabacologie-kas-gesigneerd-03
APM 20.737

Voor de roker die een kleipijp gebruikt is het breukvrij opbergen een grote wens. Niet verwonderlijk dat er vanaf de zeventiende eeuw al pijpfoedralen in gebruik zijn. Daarin kan de geliefde ingerookte pijp veilig worden meegenomen. Dat de pronk- en status-functie al snel een rol speelt bij dergelijke kassen zoals ze indertijd genoemd werden, is niet verwonderlijk. Snijders in fijne houtsoorten ontdekken de kas als een dankbaar object om versieringen op aan te brengen. En de roker op zijn beurt, ziet de kas als een statusartikel, een voorwerp om indruk mee te maken. Zo’n artikel is de hier te bespreken pijpenkas.

Het object is gemaakt van buksushout, een fijne notenhout die zich door de vaste structuur gedetailleerd laat snijden. Deze kas laat dat goed zien: ondanks het forse reliëf is er in bijna 300 jaar geen stukje afgebroken! De vorm ervan omschrijft de kleipijp met een ovaalvormig keteldeel en een rechte verjongende steel. Een schuif aan de onderzijde verleent toegang tot de kleipijp. Het voorwerp is volledig overwoekerd met gesneden voorstellingen en zelfs tekst, iets dat we niet vaak zien. Aan de bovenzijde van het keteldeel zien we een tulpmotief, aan de steelzijde een wingerdrank. Rondom de steel is een getordeerd lint aangebracht met een uitgebreid opschrift. Dit tekstlint is afgezoomd met eenvoudig bladwerk.

089-20.737-tabacologie-kas-gesigneerd-05
APM 20.737
089-20.737-tabacologie-kas-gesigneerd-06
APM 20.737
089-20.737-tabacologie-kas-gesigneerd-09
APM 20.737

Interessant is het opschrift dat je kunt lezen door de steel van de kas te draaien. Daar staat "GENIS 37 VA(R)S 28 BLOKKEN TE MAAKEN DAT IS MIN KIS, DIR OM VOOR ZOEK IK IEDER SEN GVIST RINNERT JAKOBS 1739". Het eerste deel verwijst naar Bijbeltekst Genesis 37, vers 28 dat gaat over Josef, de populaire zoon van Jacob die door zijn broers gehaat wordt. De broers werpen hem in een put in plaats van hem te doden. Uiteindelijk wordt Josef door voorbijgangers uit de put getrokken en voor twintig zilverlingen aan de Ismaëliten verkocht. Op de pijpenkas zien we de elf haatdragende broers verenigd. Samen met de jongste broer Jozef zijn deze de twaalf zonen van Jacob, de aartsvader. Volgens de traditie degene uit wie de twaalf stammen van Israël voortkomen. De wijnstok is een zinnebeeld van het gehele volk Israël en dat is precies wat we hier zien: de rijke wijnranken spruiten voort uit de, hier wat beteuterde, jongens. Een mooie symboliek.

Het tweede deel van de tekst gaat over de eigenaar van de kas, Rinnert Jakobs. Een evident Friese voornaam en niet toevallig een achternaam of patronymicum dat rechtstreeks verwijst naar de Bijbelse Jacob. Hij is blokmaker, iemand die blokken of katrolschijven maakt. In het opschrift beveelt hij zijn diensten aan met daarom verzoek ik ieders gunst. Dat Rinnert een Fries is blijkt ook uit het wapenschild op de onderzijde van de kas. Het is een Fries familiewapen met links een halve adelaar en rechts een ander, onduidelijk motief. Deze in tweeën gesplitste wapens fungeren als blazoen bij veel Friese families. Het snijwerk is prachtig verricht en komt vooral zo goed uit omdat de kas nauwelijks gesleten is. De snijder heeft een prachtig contrast verkregen tussen de uitsnijdingen en de vlakke achtergrond, die van een regelmatig stippenpatroon is voorzien. Het steeleind tenslotte heeft een zilveren bus met golvende rand waarin het schuifdeksel zich vastklemt.

Vraag blijft of Rinnert Jakobs de kas zelf sneed of dat iemand dat voor hem deed. Weliswaar werkt een blokkenmaker met hout, maar het verschil tussen een grove katrol en een verfijnd luxe object als deze pijpenkas is wel heel erg groot. Het maken van een kas vraagt niet alleen vaardige handen voor het snijden van de ornamenten, ook de functionele zijde van de kas moet men onder de knie krijgen. De schuif die van de kas glijdt om deze te openen en de binnenruimte voor de pijp, die de houtmassa om de kas overal min of meer even dik laat zijn behoren tot de vaardigheid van het ambacht. Ik kan mij niet voorstellen dat het is zoals vroeger gedacht werd, dat Rinnert deze kas, na het zagen van blokken en het draaien van katrolschijven ’s-avonds bij kaarslicht uit liefhebberij heeft zitten snijden. Eerder zal hij zo’n voorwerp bij een kasmaker aangeschaft hebben waarbij ze in samenspraak de uitbeelding en het opschrift bepaalden. Die samenspraak heeft dit voorwerp zo uniek gemaakt.

Amsterdam Pipe Museum APM 20.737


Een pijpfoedraal met kruiswegstatie

090-19.865-tabacologie-pijpenkas-christus-01
APM 19.865

De eerste etuis om de broze kleipijp veilig in te vervoeren zijn al in de zeventiende eeuw gemaakt. Aanvankelijk waren deze zogenaamde kassen louter functioneel, bestemd voor het transport van de kleipijp. Kassen lenen zich echter ook prima om te verfraaien met snijwerk of inlegwerk met metaal, ivoor of parelmoer. Uit die drang tot versieren ontstonden ware kunststukjes, die louter dienden als pronkgoed en thuis in een vitrine tentoongesteld werden. De pijpenfoedraal die hier wordt besproken is zo'n pronkkas die nauwelijks gebruikt is en daardoor puntgaaf bewaard bleef.

Qua vorm is het een standaard pijpfoedraal van notenhouten, een fijne houtsoort goed geschikt om gedetailleerd snijwerk te maken. Bij deze pijpenkas wordt de kleipijp via een scharnierend klepdekseltje aan de voorkant in de kas geschoven. Het gedeelte waar de pijpenkop geborgen wordt volgt de ovale ketelvorm van de pijp, de steel is recht en halflang. De pijpenkas is zelden bedoeld voor de maatpijp van een halve meter, maar eerder voor de zondagse pijp met een lengte van plusminus 20 centimeter. Een knopje aan het steeleind blijft open zodat ook een iets langere pijp in de kas geschoven kan worden. Een cirkelvormig messing scharniertje zien we op de kop, een klemveer aan de onderzijde om het deksel dicht te houden.

090-19.865-tabacologie-pijpenkas-christus-03
APM 19.865
090-19.865-tabacologie-pijpenkas-christus-04
APM 19.865
090-19.865-tabacologie-pijpenkas-christus-09
APM 19.865

De voorstelling op deze pijpenkas is religieus van onderwerp en gewijd aan het lijden van Christus. Zes opeenvolgende scènes vormen het beeldverhaal van het lijden van Jezus en zijn opstanding en roepen de gelovige op tot waakzaamheid. Op het klepdeksel is Christus Triomfator weergegeven met stralenbundel om het hoofd en lang stafvormig kruis in de hand zoals hij uit het graf herrezen is. Links van hem is een engeltje te zien. Aan de steelzijde is de voorstelling de symbolische samenvatting van de lijdensweg. Hier zien we een altaar met de passiewerktuigen: een kelk met drie spijkers, de doornkroon en een olielamp, symbool van het licht van Christus ofwel Lumen Christi.

De steel is eveneens versierd en vertoont in banden als een soort stripverhaal vier scènes uit de kruisweg van Christus. Iedere voorstelling wordt gescheiden door een schijfvormige knoop, de afsluitende knoop is iets zwaarder uitgevoerd. Het verhaal in de steel loopt van het steeleind naar de ketel. De eerste scène toont Jezus biddend in de tuin van Gethsemene met verderop de slapende discipelen, waaronder Petrus met sleutels. Boven de boom zweeft de engel die Jezus de kelk aanbiedt, waarvan hij in zijn gebed verzoekt die aan hem voorbij te laten gaan. Voorstelling twee is gewijd aan de geseling van Jezus, die staat vastgebonden aan de geselpaal. Om de kwetsbaarheid van de gevangene te onderstrepen hangt zijn mantel achter de mannen met hun krawatsen. In de open ruimte aan de bovenzijde kijkt het oog als symbool van God de vader, gevat in een driehoek die staat voor de Drie-eenheid. In afbeelding drie draagt Jezus het kruis voorafgegaan door soldaten. Simon van Cyrene ondersteunt hem bij zijn zware taak. Tenslotte wordt in scène vier het kruis met Jezus eraan genageld door vier mannen opgericht. Treurende Maria, geheel gehuld in een vormeloze mantel en een van de discipelen kijken toe.

De volksmond spreekt van Zeeuwse pijpenkassen, vooral wanneer het hoogversierde stukken betreft zoals hier het geval is. In de provincie Zeeland werd de pijpenkas gezien als een onderdeel van het traditionele kostuum en in de broek was zelfs een speciale zak gemaakt om de kas in te vervoeren. Of deze kas ook van Zeeuwse herkomst is, laat zich niet vaststellen. Wat het iets minder waarschijnlijk maakt is dat deze pijpenkas door haar thematiek evident uit een katholiek milieu stamt. Zouden we daarom eerder een Vlaamse herkomst moeten overwegen? Wel is een redelijk exacte datering te geven aan de hand van het ornamentwerk rondom de lampen. Dat wijst op een periode tussen 1770 en 1800. Als statussymbool zal de pijpenkas nog zeker een eeuw in gebruik blijven bij de Zeeuw die zijn kostuum trouw blijft. Om te pronken is het zelfs nu nog een actueel object.

Amsterdam Pipe Museum APM 19.865


Inleiding

Voorhistorisch

Archeologisch

Pijpen van klei

Keramische rookpijpen

Porselein als materiaal

Het magische meerschuim

Europese houten pijpen

Andere Europese pijpen

Pijpen uit Noord- en Zuid-Amerika

Pijpen uit Afrika

Pijpen uit Azië

Pijpenmakergereedschap

Tabacologische voorwerpen

Curiosa en varia