Ulmer Kloben, een Schwäbische vinding

Auteur:
Don Duco

Jaar van uitgave:
2017

Uitgever:
Amsterdam Pipe Museum (Stichting Pijpenkabinet)

Beschrijving:
De geschiedenis van de specifieke houten pijp uit de omgeving van Ulm met informatie over de houtsoorten en de winning, de vervaardigingstechniek en de bespreking van representatieve exemplaren uit de collectie van het Amsterdam Pipe Museum.

Ruim voordat de positieve eigenschappen van bruyère werden ontdekt gebruikten rokers al houten pijpen. Deze waren van zachtere houtsoorten gemaakt en hadden doorgaans geen lange levensduur. De pijpenmaker vond al gauw een oplossing voor het probleem van inbranden door aan de binnenzijde van de pijpenkop een ketelinzet van blik of ijzer toe te passen. Hierdoor bleef het hout beschermd tegen het vuur en kreeg de pijp een beduidend langere levensduur. Dankzij die vinding werd de houten pijp een gerespecteerde soort.

De Ulmer pijp in dit artikel beschreven is zo’n vroege houten pijp, maar ook een archetype kenmerkend voor een bepaalde streek. Het is een pijp gewaardeerd door houtliefhebbers vanwege zijn kleur en vooral nervatuur, maar ook door de ongrijpbare, welvende vorm en zorgvuldige afwerking met snijwerk of zilvermontage. Het is een Duits artikel dat in onze streken weinig gerookt is, maar in heel Midden-Europa als een soort Überpfeife werd gezien. De Ulmpijp was niet alleen een gewone rookpijp, het was vooral een statusobject waarmee de eigenaar zijn welstand etaleerde als lid van een gevestigde klasse.

00-ulm-stadsplattegrond
Stadsplattegrond Ulm.

De aanduiding Ulmer pijp heeft twee betekenissen. Het betreft tabakspijpen gemaakt in de plaats Ulm, feitelijk in de regio, maar het is ook een bepaald type pijp waarvan wij de oorsprong aan Ulm toeschrijven. Dan is het een vormsoort die regionaal tot ontwikkeling kwam met de stad Ulm als belangrijkste centrum van die nijverheid. De specifieke Ulmpijp was populair in Beieren, Zwitserland en de Oostenrijkse Alpen. In Tirol waar de levensstandaard lager was is de Ulmpijp veel nagemaakt.

Tweemaal is de Ulmpijp meer serieus in publicaties behandeld. De eerste keer betreft een dun maar verdienstelijk boekwerkje uit het jaar 1950 geschreven door Adolph Häberle. De titel luidt: Die berühmten Ulmer Maserpfeifenköpfe in ihrer kultur- und wirtschaftsgeschichtlichen Bedeutung. Bijna vijftig jaar is dat de exclusieve bron voor de kennis over de houten pijp uit Ulm geweest. In 1998 publiceerde verzamelaar en onderzoeker Anton Manger een update onder de titel: Die berühmten Ulmer Maserpfeifen. Geschichtliches und Kulturgeschichtliches über die Pfeifenherstellung in Ulm. Deze monografie is op Häberle gebaseerd al richt Manger zich vooral op de uiterlijke kenmerken van de Ulmpijp. Manger verzamelde het onwaarschijnlijke aantal van meer dan vijfhonderd Ulmer pijpen en interpreteerde die. Het onderhavige artikel van nog weer twintig jaar later rechtvaardigt zijn bestaan niet omdat het de stof samenvat, maar vooral omdat de kennis aan de hand van objecten uit het Amsterdam Pipe Museum getoetst wordt. Overigens richt dit epistel zich op één type Ulmpijp en wel de karakteristieke Ulmpijp uit de streek rond Ulm met het specifieke Ulmmodel.

De karakteristieke Ulmpijp
Alvorens dieper in te gaan op de geschiedenis van de lokale pijpennijverheid rond Ulm, is het van belang de Ulmer pijp zelf te leren kennen. Het modellengamma van de centraal Europese houten pijp is tamelijk breed. In de loop van de generaties zijn er talloze bijzondere en verdienstelijke modellen tot stand gekomen. De meest bekende vormsoort van de houten pijp is de Ungarn Kopf, een hoge cilindrische pijpenkop. In Nederland wordt dit model aangeduid met Hongaar of met Hongaarse stijl. Dat Hongaarse model zou uit de oudere Turkse manchetkop ontwikkeld zijn. Aan de ketelbasis heeft deze pijpenkop vaak een schelpmotief en het deksel is doorgaans vlak. Pijpenmakers variëren eindeloos met die Ungarn modellen door de verhoudingen te veranderen of door kantige meerzijdige exemplaren te maken.

De typerende Ulmpijp is op deze Ungarn gebaseerd maar heeft belangrijke veranderingen ondergaan. In Duitsland wordt deze variant aangeduid met Ulmer Klobe of Klötze, minder algemeen wordt wel gesproken van Sackpfeife, Ulmer Eule of Schwäbische Kopf.[1] De vorm van dit bijzondere pijpmodel is lastig in woorden uit te drukken, maar in één blik is het duidelijk waar het om gaat. De Klobe is een aan beide zijden sterk afgeplatte pijp met van de zijkant gezien een schijfvormige ronding aan de onderkant. Er wordt ook wel gesproken van een kielvormige omranding van de pijpenkop die langs de voorkant en de ketelbasis is aangebracht en het voorwerp zijn specifieke vorm geeft. Boven deze ronding steken met slechts enkele centimeters een pijpenkop en een steelaanzet uit, beide met dezelfde hoogte. De Hongaarse ketel is vooral cilindrisch en vormt slechts een welving in de totale pijp die dus een boeiend en organisch voorkomen heeft.

01-22.001-ulm-afgeplat-zilvermontage-01
Afb. 1a. APM 22.001
01-22.001-ulm-afgeplat-zilvermontage-09
Afb. 1c. APM 22.001

De pijpenmakers in Ulm spelen graag met de subtiele kenmerken van de Ulmer Klobe. Zo kan de cilindrische ketel naar beneden toe iets uitbuiken om voor extra spanning te zorgen, al is die uitbuiking vaak nauwelijks te ontwaren. Soms zien we als variant een weinig uitstaande ketelopening. In wat latere voorbeelden is de cilindrische ketel juist sterker zichtbaar als een geprononceerde vorm in de platte schijf. Dit kan echter ook afbreuk doen aan het oorspronkelijke ongrijpbare gewelfde voorkomen dat juist zo mysterieus is omdat je ogen er nauwelijks vat op krijgen. Verder zit er nog flink wat hout tussen ketel en steel die nodig is om de schuingerichte steelboring veilig te kunnen maken. De zo kenmerkende schijfvorm kan ook nog extra geaccentueerd worden door langs de bijna scherpe onderrand een zilveren rand te monteren. Deze sluit dan prachtig aan bij de zilveren montering van de ketelopening waaraan een klepdeksel gesoldeerd is en het zilveren steeleind met de steelhouder. Bijgaand voorbeeld toont alle kenmerken van de typerende Ulmer Klobe (afb. 1). In latere paragrafen worden de fraaie houtsoorten, de varianten in het model en de aanvullende versieringen besproken.

De discussie over hoe het prototype van de Ulmer Klobe uit de achttiende eeuw er uit heeft gezien is nog niet ten einde. Er bestaan nauwelijks beschrijvingen en geen afbeeldingen van dergelijke vroege pijpen. Oervorm is waarschijnlijk de Ulmer Klobe uit de beroemde collectie van Anton Manger, op de steel van het jaartal 1739 voorzien.[2] Iedere pijpenonderzoeker weet dat je jaartallen op pijpen die met 16 en 17 beginnen sterk moet wantrouwen, omdat het meestal voorwerpen uit de negentiende eeuw zijn. Hier is dat misschien niet het geval. De pijp voldoet in alle opzichten aan de voorwaarden om vroeg te zijn, zodat we de steeldatering moeten respecteren. Voorlopig beschouwen we deze pijp als een contemporain exemplaar en dus als het oudste voorbeeld. Hoeveel ouder de Klobe als vorm is, moet nog ontdekt worden.

In de porseleinindustrie zijn soortgelijke pijpmodellen in productie die met de term Schwanenhals worden aangeduid.[3] Zij komen vanaf 1740 voor en blijven tot aan het eind van die eeuw in de maak. Toevallig is de datering van deze vroege porseleinen pijpenkoppen gelijk aan de reeds gemelde vroege pijpenkop uit de verzameling van Manger met het jaartal 1739. Daarmee overlappen de porseleinen varianten de Ulmer Klobe al verdwijnt de porseleinen versie al in de achttiende eeuw, behoudens een schaarse uitzondering, terwijl de houten pijp tot in de twintigste eeuw in productie blijft. De Klobe wordt gemaakt in een formaat variërend van vijf tot veertig centimeter. Het model kan ook vergeleken worden met een U-vorm met afgeplatte kanten, een vormgeving die soepel in de broekzak glijdt. Tabaks- en pijpenspecialist Aschenbrenner ziet in de omgekeerde Ulmvorm een militaire helm, tenminste wanneer je de ketel en de steel afdekt.[4] Deze vorm sluit volgens hem aan bij de aanwezigheid van militairen in de vestingstad Ulm.

De drie andere Midden-Europese basisvormen voor pijpen zijn de Debrecen, de Kalmasch en de Ragoczy. Die vormen zijn in Ulm minder geliefd geworden. Het lijkt erop dat het Ottomaanse Rijk aanvankelijk de vorm van de pijpenkop bepaalde.[5] Dat gebeurt dankzij de actieve handelsrelaties met het Turkse Rijk. Die invloed wordt versterkt door de Duits-Oostenrijkse troepen die in 1689 via de Donau huiswaarts keerden en waarvan vele soldaten een Turkse pijp bezaten. Men veronderstelt dat dit de inspiratie werd voor de Midden-Europese tabakspijp.[6] Heeft de nijverheid voldoende omvang gekregen dan bepaalt het Donaugebied het uiterlijk van de pijpenkop en in die sfeer ontstaat de Klobe.

Twee eeuwen geschiedenis
De stad Ulm in Oberschwaben ligt aan de oostkant van de Schwäbischen Jura in de staat Baden-Württemberg. Ulm is een historische stad aan de Donau en zoals voor een nederzetting aan een vaarweg te verwachten is het al eeuwenlang een handelsstad. De historie blijkt uit de stichtingsdatum al in de negende eeuw, maar ook uit de gotische kathedraal met de hoogste torenspits ter wereld. In de middeleeuwen was de textielproductie er belangrijk. Verder werd en tweemaal per jaar een grote jaarmarkt gehouden, met een uitstraling tot ver in de regio. Bovendien lag Ulm in het midden van de poststraat van Parijs naar Wenen. Naast de textielnijverheid ontwikkelde zich er het houtsnijden, dat tot in de negentiende eeuw werd beoefend. De textielnijverheid wordt al in de achttiende eeuw gedeeltelijk gemechaniseerd. In die periode is er een noodzaak andere ambachten op te pakken en dat is het moment waarop de Ulmer pijpennijverheid doorbreekt. Dat gebeurt niet alleen in de stad zelf maar ook in de 26 dorpen die tot het gebied Ulm behoren.

Reeds in 1695 wordt melding gemaakt van een bescheiden nijverheid van pijpenmaken in de plaats Geislingen onder de jurisdictie van Ulm. In dat jaar verzoeken drie pijpenmakers een gilde te mogen oprichten om hun producten in Ulm te verkopen. [7] Dat rekest wordt niet gehonoreerd. Het stadsbestuur oordeelt dat de aanvragers in een ander beroep zijn opgeleid en dus voor het uitoefenen van een nieuw ambacht niet gekwalificeerd zijn. Uit de aanvraag blijkt ook iets over de pijpen uit die periode. Die zijn zowel glad als versierd en worden beslagen met wit en geel metaal. Hoewel die beschrijving tamelijk vaag is, krijgen we toch een eerste indruk van de houten pijpen uit Ulm. Twintig jaar later, in februari 1716 wordt dat verzoek nog een keer herhaald.[8] Dan zijn er inmiddels vijftig personen in de pijpenmakerij werkzaam. Reden tot weigering is opnieuw dat de aanvragers het pijpenmaken als nevenberoep uitoefenen, de meeste arbeiders zijn in andere beroepen geschoold als kuiper, wever of lakenkoper. Dat betekent dat de pijpenmakerij een vrij beroep is dat getolereerd wordt zonder de dan gebruikelijke reglementering, zoals een verplichte leertijd en zonder beperking van het aantal werklieden.[9]

Zoals opgemerkt is de pijpenmakerij in Ulm niet exclusief voor de stad, maar wordt ook beoefend in de streek. Zo zouden er rond 1700 in de plaats Waldstetten (Schwäbisch-Gmünd), zo’n zestig kilometer ten noorden van Ulm, reeds zestig pijpenmakers werken. De stad Ulm is echter de eerste plaats met serieproductie van houten pijpen in Duitsland, die in 1830 bekend staan vanwege de goede eigenschappen, de kenmerkende vorm en het fraaie beslag.[10] Andere productieplaatsen van houten pijpen vinden we dan in Beieren (Neurenberg) en vooral in Thüringen met een centrum rond Kaltennordheim plus de omliggende dorpen Klings, Dermbach en Diedorf. Zo’n 45 kilometer verder noordwaarts is ook Ruhla actief.[11] Het feit dat talloze plaatsen genoemd worden, geeft wel aan dat de nijverheid wijder verbreid was. Tot in de negentiende eeuw continueert de pijpenproductie in Schwäbisch-Gmünd.

Vermeld is al dat er in 1715 in Ulm en het nabijgelegen Geislingen ongeveer vijftig personen in de pijpennijverheid actief zijn.[12] De eerste bij naam bekende pijpenmaker is ene Johann Jakob Gmünder, houtsnijder die in de lokale krant adverteerde als "Tabaks-Pfeiffen-Köpfe-Fabrikant in Ulm".[13] De meeste bronnen noemen ene Johann Jakob Glöckle (Glöcklein) als eerste maker die in 1733 de Ulmer Klobe zou hebben geïntroduceerd.[14] Hij was aanvankelijk wever van beroep, doch begon met het snijden van allerlei kleine houten voorwerpen. In de loop van de tijd specialiseerde hij zich in pijpenkoppen in Maserholz die al snel een ruime vraag genoten. Hoewel hij wel gezien wordt als de initiatiefnemer van de Ulmer nijverheid, is het ambacht in werkelijkheid dus zeker ouder.

Tegen 1780 waren er in de stad Ulm ongeveer twintig pijpenmakers actief. Dit aantal steeg tot ongeveer 45 makers tussen 1789 en 1812.[15] Rond 1810 zijn er veertien werkplaatsen, die ieder met gemiddeld drie personen werken.[16] Dertig jaar later is er opnieuw informatie over de productieomvang, dan worden er vijftig dozijn Ulmkoppen per week afgeleverd ofwel 600 stuks.[17] Op 45 makers is dat twaalf à dertien pijpen per werkman wekelijks. Bij een zestig urige werkweek komt dat neer op ongeveer vijf werkuur per pijp, dat lijkt een redelijke schatting.

Volgens overlevering waren de Ulmer pijpen aanvankelijk bij soldaten populair. Dat wijst er ook op dat de pijpen in die periode nog betrekkelijk eenvoudig moeten zijn geweest. Vanaf 1780 neemt de kwaliteit toe en aan het eind van de achttiende eeuw krijgen de hogere kwaliteiten de overhand. In die sfeer zet de vervaardiging zich in de negentiende eeuw voort.

Vanaf 1830 vermindert de invloed van de gilden in Duitsland sterk en ontstaat er een meer open concurrentie. Het aantal vrije makers dat wel hun beroep kon uitoefenen maar geen stukken mocht signeren nam sterk toe. Dat verklaart waarom zo weinig tabakspijpen van een merkteken zijn voorzien.[18] Er werd dus in een zogenaamde Gewerbefreiheit als Heimatsarbeiter voor andere pijpenmakers of kooplieden gewerkt. Het stadsbestuur had geen behoefte deze nijverheid te reguleren.

De bekendste pijpenmakers zijn de broers Leibinger die ieder een fabriek leiden. Bij Martin Leibinger zijn elf werklieden in dienst, bij Johann twaalf.[19] Daarnaast lieten de broers werk in opdracht bij andere bedrijfjes uitvoeren, deels buiten de stad Ulm. Tezamen leverden deze twee fabrieken de helft van de totale pijpenproductie in Ulm. In de jaren 1840 maakt de Ulmer pijpennijverheid nog een grote bloei door. In dat jaar meldt men dat er 114 verschillende soorten Ulmer Maserköpfe verkrijgbaar zijn.[20] Veel modellen zijn op de Hongaar gebaseerd, gekenmerkt door een hoge cilindrische ketel. In ieder geval een bewijs dat de nijverheid zich heeft verbreed en het pijpmodel zich heeft verlegd van de gebruikelijke Klobe naar een gevarieerd scala aan modellen.[21] De meeste van deze tabakspijpen zijn overigens geïnspireerd op pijpmodellen uit andere productiecentra, al zijn zij uitgevoerd in een techniek kenmerkend voor Ulm.

Wanneer rond 1840 veel studenten porseleinen Gesteckpfeifen boven de Ulmer Kloben verkiezen loopt de nijverheid in Ulm snel terug. Vermoedelijk wortelt deze verandering in de mode van de dag, waarin de oubollige houten pijp minder goed past dan de frisse porseleinen stummels gemonteerd met lange strakke rechte stelen. Bovendien was er een groot prijsverschil omdat de porseleinen pijp onder sterke concurrentiedruk gemaakt werd. Een tweede rivaliserende pijpensoort is die van meerschuim. Daarnaast waren er goedkope Oostenrijkse houten pijpen op de markt die in die periode een alternatief worden. Tenslotte was de sigaar een modieuze manier van roken geworden.[22] In het tijdvak van 1850 tot 1900 is er sprake van een uitloop van een ooit populaire nijverheid met een steeds verder afnemend productiecijfer en een teruglopend arbeidersaantal. Niet verwonderlijk vermindert dan ook het vakmanschap. De Ulmer pijp verdween naar de achtergrond, mede omdat er veel handwerk bij kwam kijken. Om die reden was de Ulmpijp duur geworden in vergelijking tot pijpen van andere materialen.

Beginnend met het prototype van Glöcklein - al of niet een echte Klobe - werd over een tijdvak van 120 jaar de Ulmer pijp onder pijprokers zeer populair. Toch beperkt die populariteit van de Ulmpijp zich tot centraal Duitsland. Voorbij Wenen zegeviert de meerschuim pijp, terwijl in het westen de kleipijp overheerst. In het centraal-Europese verspreidingsgebied maakt de welstand van de roker de finale keuze van de pijp uit. Na het midden van de negentiende eeuw verloor de Ulmpijp zijn aanzien. Volgens archiefinformatie waren in 1870 nog slechts enkele Ulmer pijpenmakers actief. Interessant is dat pijpenmaker Johann Silberhorn in 1868 twee dozijn Ulmer pijpenkoppen maakt en deze als monster aan het Kensington Museum in Londen zendt.[23] Silberhorn hoopt dat hieruit een lucratieve handel zal voortspruiten, maar tot zijn teleurstelling gebeurt dat niet.

De laatste Ulmer pijpenmakers hielden nog tot na de Eerste Wereldoorlog stand. Inmiddels was de Ulmer pijp van een gebruikspijp een oubollig souvenirartikel geworden. Pas een generatie later zou dit object zijn waardering die het verdient terugkrijgen als gerespecteerd en origineel gebruiksvoorwerp. Dat kon gebeuren dankzij bewaard gebleven pijpen van een hoge kwaliteit die inmiddels een verzamelobject waren geworden.

Hout voor tabakspijpen
Het hout voor de Ulmer pijp wordt in de wandel Ulmer Pfeifenholz genoemd, een verzamelnaam voor diverse soorten hout. Het meest ideale is het zogenaamde Maserholz, in het Engels burl-wood genoemd, soms wel burr. In de Nederlandse taal wordt dat vaak vertaald met de misleidende naam wortelnoten, maar de fraaie doch onbekende Nederlandse naam luidt warrelknoest.[24] Hiermee wordt een heel specifiek soort hout bedoeld, namelijk het hout dat als vergroeiing voorkomt op bomen van diverse soort. Door een beschadiging, infectie of virus ontstaat dan op de boombast op één tot enkele meters boven de grond een enorm uitgroeisel, aan de buitenzijde met een wat grillige boombast bedekt. Dergelijke bulten kunnen een diameter van een halve meter of meer krijgen. Zij worden in Duitsland met Maser aangeduid. De Duitser spreekt ook wel van Maserklobe, Maserknolle of van Maserkropf of Holzkropf. Abusievelijk wordt ook in Duitsland wel het woord Wurzelholz gebruikt.

Maserholz of warrelknoest wordt gekenmerkt door de zeer compacte structuur, mede dankzij de grillige groeiwijze en grote hardheid levert het een prachtige tekening wanneer het is aangezaagd. Vandaar dat het hout ook erg geliefd is om als fineer te gebruiken. De vaste, harde structuur maakt dit warrelhout ook geschikt als pijpenhout want het is redelijk vuurbestendig. Een problematische bijkomstigheid van warrel is dat het zich slecht laat draaien en frezen. Zagen, vijlen en polijsten is daarentegen wel goed mogelijk.

Vergroeiingen met Maserholz worden in de bossen in de omgeving van de productieplaats gezocht. Voor de Ulmer pijpenmakers is het Vooralpengebied een belangrijk wingebied. De stukken hout worden uit de bossen gehaald en over de rivier de Iller aangevoerd.[25] Hout met Kricherungen des Sumpferds uit de zogenaamde Sumpfwalder uit de midden en neder Donau wordt met speciale schuiten, de Ulmer Plötten Donau afwaarts meegenomen.[26] Wanneer de Donauscheepvaart rond 1840 sterk vermindert, wordt dit hout schaarser. Gelijktijdig zorgt de opkomende bosbouw voor minder aanbod aan Maser. Niet verwonderlijk dat de Söflinger pijpenmakers aan de regering van het Donaugebied in Ulm vragen om Maserholz te mogen zoeken.[27] Volgens zeggen is ook hout uit Oostenrijk en zelfs uit Hongarije voor Ulmer pijpen gebruikt.

Dat jutten door Maserhauer ofwel verzamelaars van warrelhout is een vak apart.[28] De houthandelaren zagen in één oogopslag welke stukken geschikt waren en wisten waar zij dat konden verkopen. Van de boom of struik wordt overigens alleen de woekeringen en vergroeiingen in de stam of op de takken gebruikt. Alleen die stukken hebben de gewenste nervatuur en de juiste hardheid. De keuze van het hout is maatgevend voor het eindresultaat. Uiteraard wisselen de technische mogelijkheden en de esthetische kenmerken van ieder houtstuk. Het hout van de Maserklobe is per definitie keihard, wat bewerken een uitdaging maakt.

De ideale en dus duurste soort Ulmer Maserholzpfeife heeft een regelmatig gespikkeld hout met zijn vogeloog nerfstructuur ofwel de bird’s-eye, een regelmatig gevormd cirkelvormig nerfpatroon. Die nerfstructuur is bepalend voor de esthetische kwaliteit van de pijp. Lang niet alle Ulmer pijpen zijn van dit fraaie hout gemaakt, ook indien het hout een draderige, geaderde, gestreepte, gespikkelde, knoestige of gevlekte nervatuur heeft wordt de benaming Maserholz gebruikt. Al naar gelang de boomsoort en zaagrichting komen verfijnde nervaturen naar voren.

Auteur Christian Thon is de meest informatieve bron voor de gebruikte houtsoorten voor houten pijpen. In 1833 bracht hij een fantastisch boek uit over de meerschuim tabakspijp dat tien jaar later nog een keer herdrukt werd.[29] In het laatste hoofdstuk van zijn boek besteedt Thon uitgebreid aandacht aan de houten pijp. Daarin somt hij 24 houtsoorten op die geschikt zijn voor de vervaardiging van tabakspijpen. Hij noemt onder meer de els, es, berk, buxus, wegedoorn, kers, iep, hazelaar, jeneverbes, esdoorn, wortelhout, rozenhout, plataan, walnoot, witte populier en wilde peer. Deze aanzienlijke lijst geeft aan dat de pijpenmakers met praktisch iedere houtsoort geëxperimenteerd hebben. Dat geldt zowel voor lokaal groeiende soorten als voor importhout uit andere landen. Door uitproberen leerde men de eigenschappen kennen en ontdekte men de meest geschikte grondstof. Toch gaan geen van die houtsoorten boven het schaarse warrelhout ofwel Maserholz dat Thon niet expliciet noemt, tenzij hij de warrel op al deze boomsoorten op het oog heeft. Wat dat betreft verliest hij zich vooral in de talloze soorten.

Adolph Häberle onderscheidt in zijn publicatie over Ulmpijpen uit 1950 nog zestien soorten hout.[30] Terwijl Häberle dus acht soorten minder noemt, worden in zijn boek ook nog vier nieuwe soorten opgevoerd. Hij duidt expliciet op de warrels of vergroeiingen op deze boomsoorten. We zouden daaruit kunnen concluderen dat warrel op vrijwel iedere houtsoort geschikt is voor een pijp, al geeft het eindeloos variëren ook aan dat er sprake is van schaarste qua aanbod en dat het een tour de force was de juiste stukken hout te jutten. Wat in de achttiende en negentiende eeuw de verhouding is tussen de werkelijke Maser en gewoon hout, eventueel ook de wortelstukken van bomen, is in ieder geval moeilijk te zeggen.

Tegen het eind van de twintigste eeuw noemt Anton Manger nog slechts vier geschikte houtsoorten.[31] Die vier, te weten walnoot, peer, els en berk zullen in de latere tijd het belangrijkst geweest zijn, andere soorten heeft men ongetwijfeld ook gebruikt. In de stad Ulm benutte men vooral Nussbaummasern ook wel Nussbaumfladern genoemd.[32] Nussbaummaserholz maar ook de Maser van perenhout (Birnbaum) is donker tot zwart van kleur maar bij een behandeling met bijenwas krijgt het een geelbruine tint. In het laatst van de nijverheid wordt ahorn en walnotenhout als meest geschikt gezien. Volgens sommigen is Maserholz van de Buchsbaum het meest ideaal al wordt deze merkwaardig genoeg niet door Manger genoemd.[33] Overigens geven geen van de houtsoorten een garantie tegen doorbranden. Om die reden wordt de pijpenkop aan de binnenzijde altijd beschermd, doorgaans met dun plaatmetaal.

Wat betreft de houtsoorten zijn er dus veel mogelijkheden. Het grote aantal soorten met vergelijkbare maar toch verschillende eigenschappen maakt het determineren van de houtsoort nu tot een groot probleem. Met het gebruik van het woord warrelhout ofwel Maserholz wordt dat probleem ondervangen.

De productiewijze
De vervaardiging van tabakspijpen van hout geschiedt seriematig en in een vaste volgorde van handelingen. Voordat met de bewerking kan worden begonnen moet het hout minimaal een jaar drogen. Ter vergelijking is het aardig te vermelden dat bruyèrehout tien tot vijftien jaar te drogen ligt. De eerste handeling is het hakken van de grondstof in ruwe vormen waaraan de pijpenkop al te herkennen is. Dit kappen vraagt veel vakmanschap om het risico van interne breuk inherent aan de houtstructuur te voorkomen. De volgende handeling is het boren van de ketelruimte en het maken van de steelverbinding. Beide handelingen gebeuren op de draaibank, zowel met de lepelboor als met de knieboor. Een houtdraaier draait vervolgens de ronde stukken van de pijpenkop zoals de bovenzijde van de ketel en het eind van de steel inclusief de manchet. Naast ronddraaien kende men in Ulm ook het ovaal draaien. Ondanks het feit dat er aan de Ulmer Kloben niet bijster veel te draaien is, ziet de pijpenkop er na het draaiwerk al redelijk voorgevormd uit. Om zeker te zijn van een correcte vorm worden sjablonen gebruikt om de modelzuiverheid te garanderen.

Vervolgens wordt de pijp in een bankschroef geklemd en krijgt zijn definitieve vorm door raspen en vijlen. Is de vorm voltooid dan volgt het afwerken. Door met glas te krabben en met naschuren wordt het oppervlak perfect glad gemaakt, zelfs de kleinste oneffenheden worden weggepoetst. Het probleem van zogenaamde Kitstellen is al in de achttiende eeuw een punt van aandacht. Het wortelhout is nooit volledig gaaf en imperfecties in de vorm van gaatjes en scheurtjes zijn eigen aan wortelhout. Die onzuiverheden kan men met een vulmiddel wegwerken.[34] De Ulmer pijpenmaker streeft er echter naar een zo eerlijk mogelijk product af te leveren met minimale opvullingen.

Na het vormen van de pijp is het tijd voor het monteren van de binnenketel en de steelmantel. Deze toevoeging is noodzakelijk om de pijp tegen inbranden te beschermen. Hiervoor gebruikt men dun plaatijzer, soms tegen roesten beschermd met een tinlaagje. Bij deze metaalbekleding spreekt de Duitser van Blechfutter. In 1830 wordt ook echt meerschuim als binnenketel genoemd,[35] kort daarop gevolgd door meerschuimpasta die in de ketel gesmeerd wordt. Beide behandelingen met meerschuim worden overigens pas later in het productieproces uitgevoerd, vanwege de kwetsbaarheid van het maagdelijk witte meerschuim.

Ten slotte volgt het afwerken door de pijpenkop te beitsen. Bij dat werk nemen de harde delen van het hout de kleurstof niet op, de zachte wel. Zo ontstaat min of meer vanzelf het aantrekkelijke nerfpatroon met de kenmerkende spikkels. Tenslotte is er het polijsten. Bij deze nabehandeling is het belangrijk dat de poriën van het hout goed afgesloten worden. Het maken van een harde ondoordringbare huid gebeurt met olie, was, beits en politoer. Het eindresultaat moet krasbestendig zijn, maar mag ook niet verkleuren door warmte of het zweet van de handen van de roker. De pijpenmakers gebruiken verschillende recepten voor deze afwerking. Eerst wordt de pijpenkop met gekookte lijnolie ingewreven, dan pas wordt deze in de bijenwas gezet. Een andere werkwijze spreekt van bijenwas samen met terpentineolie dat verwarmd wordt opgebracht. Na vier uur drogen wordt dit met een borstel nagepoetst. De finale glans wordt verkregen door het voorwerp vervolgens met droge lappen te wrijven.

Het aanbrengen van merken op houten pijpen is niet gebruikelijk. Toch zijn er enkele fabrieken geweest, die in het hout een makersmerk hebben ingedrukt. Doorgaans gebeurde dat aan de rechter zijkant van de steel op het moment dat de pijp klaar was voor de verkoop. Het gaat om subtiele maar toch goed leesbare merken. Vooral de fabrieken van de broers Leibinger staan daarom bekend. Het is al genoemd dat dit voor Ulmer begrippen forse werkplaatsen waren. Voor de verzamelaar en onderzoeker is het spijtig dat de meeste pijpen ongemerkt zijn.

Vervolgens wordt de pijp gemonteerd. Uit die montage spreekt de luxe van het eindproduct. Aanvankelijk wordt met messing pijpenbeslag gewerkt. Worden de pijpen luxer dan komt witmetaal ofwel tombak in gebruik. Tombak is een metaallegering van zeventig tot negentig procent koper aangevuld met zink. De kleur is niet zo blank als dat van zilver en daaraan is het materiaal te herkennen.[36] Pas als de Ulmer pijp een gerespecteerd product is, worden zilveren montages meer algemeen. Zij overvleugelen al snel de goedkopere metalen. Het monteren gebeurt in de pijpenmakerij met gebruikmaking van gestandaardiseerde montages. Het klepdeksel en de manchetring worden altijd toegepast en sluiten aan bij de houtkwaliteit en de uitstraling van de tabakspijp. Luxe pijpen worden uitgebreider van zilverwerk voorzien. Wanneer het om echt maatwerk gaat dan wordt dit werk door de zilversmid gedaan. Zilvermerken worden vooral toegepast om waarborg voor het gehalte te geven. Doorgaans is dat het merk met het cijfer 13. Persoonlijke merktekens van de zilversmeden zijn zeldzaam, de naam van de zilversmid schijnt er niet toe te doen, net zo als dat voor de meeste pijpenmakers gold.

De broers Leibinger laten in Blaubeuren, Heilbronn en Schwäbisch-Gmund deksels maken en worden in 1829 aangeklaagd omdat zij voor Ulm het recht hadden om complete pijpen te maken en dat recht schenden door montage met van elders bestelde deksels.[37] Het gilde besluit op deze aanklacht dat Ulm pijpen met Ulmbeslag geleverd moeten worden, maar dat de pijpen uit andere plaatsen beslag van andere zilverwerkers mogen hebben. Dergelijke schermutselingen zijn illustratief voor de gecompliceerde regels en verordeningen van de lokale steden, kenmerkend voor de Duitse staten.

Tot slot is er nog de montage van de stelen of roeren. Daarvoor geniet buffelhoorn de voorkeur. Roeren van Ulmpijpen stralen dezelfde luxe uit als de pijpenkoppen en brengen het pijpmodel in een perfecte balans. De basis van het roer is een conische stop die in de steelhouder klemt en de pijp het verticale accent geeft. Soms is die steel uit meerdere stukken opgebouwd, die met schroefdraad in elkaar draaien. Het hoorn wordt wel afgewisseld met andere materialen of ingelegd met schildpad of paarlemoer. Een kenmerkende latere toepassing is de benen kraal bovenaan in de steel (afb. 3) waarop de gravering van een mus met een takje in de snavel, de zogenaamde Spatz. Vaak lezen we op die kraal ook de tekst "Ich bin von Ulm" of "Ich komm aus Ulm". Aardig is het te weten dat dergelijke opschriften pas in de late negentiende eeuw worden gebruikt wanneer de souvenirfunctie de gebruiksfunctie van de pijp heeft overschaduwd.

Specifiek voor Ulm is het knopenmondstuk, dat niet zoals gebruikelijk een paar knopen heeft, maar voorzien is van een rij van soms wel 25 ribbels op korte afstand van elkaar. De naam is Rippenbissmundstuck en de losse knoop wordt met Bissrill aangeduid. Naar men zegt is het de bedoeling om, wanneer het hoorn tussen de tanden is weggesleten, er een stukje af te breken. Er is dus sprake van een soort vervangbaar roer al blijft het de vraag of dat in de praktijk ook gebeurde. Voor de montage worden deze mondstukken in kokende olie gebogen totdat zij bijna horizontaal staan en met hun grote lengte de tabakspijp een specifiek silhouet geven (afb. 1, 3). Ter completering wordt er nog een borgketting de zogenaamde Doppelerbsketten aangebracht, een dubbele ketting die de onderdelen van de tabakspijp borgt. In navolging van de kwastjes aan borgkoordjes van andere pijpen worden zelfs massieve metalen culotjes aan de kettingen gehecht.

Tot ver in de negentiende eeuw zijn de pijpenroeren opgebouwd uit stukken gedraaid hoorn. Na 1830 worden deze verruild voor roeren van alternatieve materialen. In die periode wordt ook het weichselhouten roer toegepast. Bij Ulmer pijpen blijft dat overigens beperkt en wanneer dat zo is dan zijn zij doorgaans opgesmukt met zogeheten Rehkrone, rustieke stukken hertengewei dat gewaardeerd wordt vanwege zijn grilligheid. Deze montages brengen het uiterlijk van de pijp van chique en gepolijst naar beter passend in het Waldleben. Niet verwonderlijk geven deze opvallende toevoegingen de gladde porseleinen pijp een grotere marktkans voor wie niet van rustiek houdt.

De Klobe met zijn gladde afwerking
Van de Ulmpijp in volle wasdom worden drie exemplaren afgebeeld. Het eerste voorbeeld kwam al in een eerdere paragraaf ter sprake. Kenmerkend is de cilindrische ketelvorm die over gaat in de rug of kiel die de pijp omgeeft (afb. 1). In feite kun je aan deze pijp nog maar amper zien waar de ketel zich bevindt en hoe diep die is. Het hout spreekt voor zich en laat de bekende vogeloog nervatuur zien, al kan dat overtuigender. De ketel wordt bekroond door het zilveren klepdeksel en de manchetring met een dito steelhouder. Dat zilverwerk is in prachtige harmonie en is net iets luxer dan bij de doorsnee pijp. Passend bij een dergelijke pijpenkop is een korte opgaande steel die met een knik in een lang recht knopenroer overgaat.

02-15.386-ulm-afgeplat-koepeldeksel-1
Afb. 2a. APM 15.386
02-15.386-ulm-afgeplat-koepeldeksel-4
Afb. 2b. APM 15.386
02-15.386-ulm-afgeplat-koepeldeksel-5
Afb. 2c. APM 15.386

Een volgend exemplaar laat wat explicieter zien welk deel van het hout de ketel van de pijpenkop verbergt (afb. 2). Hier is de ketel gedekt met een koepelvormig deksel dat van ribben is voorzien. De manchetring blijft daar in verschijningsvorm sterk bij achter, behalve dan dat als borgoog voor de steel heel speels een gekrulde slang is weergegeven, een modekenmerk dat rond 1800 begint en tot in de jaren 1830 voortduurt. In beide afbeeldingen overheerst de staande ovaalvorm van de totale pijpenkop, een kenmerk voor een vroegere datering.

03-21.680-ich-bin-von-ulm-1
Afb. 3a. APM 21.680
03-21.680-ch-bin-von-ulm-5
Afb. 3b. APM 21.680
03-21.680-ch-bin-von-ulm-7
Afb. 3c. APM 21.680

De derde gladde Ulmvorm is een pijp met klein formaat, stammend uit de latere tijd (afb. 3). Wie het pijpmodel bestudeert ziet dat de vorm zijn kracht verloren heeft, de verticale ovaalvorm is vervangen voor een meer ronde vorm, al is de omgaande kiellijn nog wel expliciet. Wel is de manchetband zwak van uitvoering en mist de stoere vorm van de tijd ervoor. De ketel is hier tamelijk diep ingeboord. De eenvoud van deze pijp spreekt ook uit de laagwaardige zilvermontage en de simpele enkelvoudige borgketting. Daarmee is het alleszins een laat voorbeeld waarbij de krachtige vorm er niet meer zo toe doet omdat de klant minder kritisch is geworden.

Vrijwel alle publicaties spreken van een vochtzak die in de pijpenkop is opgenomen, maar dat is niet juist. Die misvatting komt voort uit de vergelijking van het pijpmodel met de vochtzak van de porseleinen pijp.[38] Manger geeft in zijn publicatie een doorsnede van de Ulmer Klobe en laat zien waar de blikken bekleding is aangebracht.[39] We zien dat de binnenketel een vlakke bodem heeft maar soms ook licht rond kan zijn, de steelbekleding steekt daar aan de basis in. Toch geeft de wonderlijke kielvorm rondom de basis van de pijpenkop de verwachting dat daar een vochtreservoir zit. Overigens is die gedachte niet logisch want de blikbekleding verhindert dat het vocht in het hout kan doordringen.

Aanvankelijk is de Ulmer pijp voorzien van een in hout uitgevoerd klepdeksel in de vorm van een helm, door de Duitsers aangeduid met Rautenhelm. Deze zou refereren aan de voorliefde van de soldaten voor dit pijpmodel. Al snel wordt het deksel in metaal uitgevoerd, eerst onedel, later in zilver. De helmvorm blijft lang populair (afb. 10). Later wordt deze vervangen voor een koepelvorm met zaagwerk als luchtinlaat.

04-21.681-ulm-cirkelvorm-1
Afb. 4a. APN 21.681
04-21.681-ulm-cirkelvorm-3
Afb. 4b. APN 21.681
04-21.681-ulm-cirkelvorm-4
Afb. 4c. APN 21.681

Het aantal varianten van het Ulmmodel is oneindig want de makers spelen graag met de subtiliteit van het ontwerp. Drie extreme voorbeelden uit de Amsterdamse museumcollectie illustreren dat. Een latere Ulmpijp laat een nieuwe interpretatie van de vormonderdelen zien want de kiel is een zelfstandige schijfvorm geworden die heel dominant aanwezig is (afb. 4). De cilindrische ketel staat hier op een volle cirkelvorm en dat levert een prachtige variant op. Vooral aantrekkelijk is de geringe dikte van de schijfvorm die om de ketel heen loopt. Nog extremer is het wanneer de schijfvorm een afzonderlijk vormelement is geworden dat als een bijna complete cirkel onder de ketel is aangebracht (afb. 5). Hier is de ketel zelf zuiver conisch en ook dat is ongebruikelijk.

05-22.457-tabakspijp-ulm-schijfvorm-01
Afb. 5a. APM 22.457
05-22.457-tabakspijp-ulm-schijfvorm-03
Afb. 5b. APM 22.457
05-22.457-tabakspijp-ulm-schijfvorm-06
Afb. 5c. APM 22.457

Het derde exemplaar toont de meest onverwachte oplossing (afb. 6). Hier is de ketelvorm aangehouden maar speelt de maker met de rondlopende kiel en wel zo dat deze omgeven is door voluutvormen die op twee plaatsen open gezaagd zijn. Het silhouet blijft daardoor aan de Ulm verwant, maar de invulling van de schijfvorm is volstrekt nieuw en buitengewoon luchtig. Als bij de twee voorgaande ontwerpen verschillen de hoogte van de ketel en de manchet fors, iets dat bij de standaard Ulmpijp niet gebruikelijk is. Moeten we in deze drie pijpen daarom producten van makers uit een andere streek zien? Wat betreft de laatste is dat zeker niet het geval, die pijp is door een Ulmer maker gemerkt.

06-17.130-ulm-snijsteel-01
Afb. 6a. APM 17.130
06-17.130-ulm-snijsteel-03
Afb. 6b. APM 17.130
06-17.130-ulm-snijsteel-10
Afb. 6c. APM 17.130

Duidelijk is dat het onversierde Ulmmodel ofwel de undekorierte Klobe een krachtige vorm is met oneindige variaties in detail maar volgens een vast concept dat zich lastig met woorden laat omschrijven. Het is een geheimzinnige vorm bepaald door de subtiliteit van rondingen en welvingen. Iedere maker met een goed gevoel voor vorm kan daarin zijn eigen verdiensten bereiken. Hoewel de afgebeelde pijpen niet de fantastische stippelnervatuur hebben die een kenmerk zijn voor de allerbeste stukken hout, is de nervatuur toch interessant genoeg deze tot zijn recht te laten komen. Doorgaans zien we dat bij gesneden pijpen de nervatuur minder aantrekkelijk is, daarvoor diende dus een tweede kwaliteit hout. Wel bleef de vorm van de pijp onaangetast ofwel de decoratie wordt vormvolgend toegepast. Aan die versierde pijpen is de volgende paragraaf gewijd.

Gedecoreerde modellen
Interessant aan de Maserholzpfeifen is dat naast subtiele gladde modellen ook bijzondere exemplaren zijn gemaakt met opsmuk. In deze paragraaf laten we enkele voorbeelden de revue passeren. Zij geven een beeld van de wijze waarop de pijpen opgesierd worden om aan hun rol als statusdrager te voldoen. Er bestaan voorbeelden met subtiele toegevoegde zilverappliques als decoraties, maar ook exemplaren waarbij het snijwerk diep tot bijna driedimensionaal is uitgevoerd. Die variatie is sprekend voor de fantasie van de makers die weer ten dienste staat van de pronkzucht van trotse rokers.

Karakteristiek voor Ulm zijn de pijpen die op de ketel en steel met zilver zijn beslagen. Het gaat om gestanste of gegoten ornamenten die met zilveren nageltjes op de pijpenkop zijn gehamerd. Zij worden toegepast in een enkel motiefje, maar soms ook rondom de pijpenkop en zelfs op de steel. De werkwijze is vaak wat volkskunstig, een iconografische boodschap wordt zelden uitgedragen. Ook de verdeling over de pijpenkop is niet altijd ideaal. Soms wekken de appliques de indruk voor een grotere of juist een kleinere pijpenkop bedacht te zijn. De kunst van het appliqueren zit toch in de wisselwerking tussen de ornamenten en de restruimte die de juiste verhouding moet hebben. In veel gevallen luistert dat heel nauw en is net geen volmaakte balans verkregen.

07-17.093-ulm-dubbel-deksel-01
Afb. 7a. APM 17.093
07-17.093-ulm-dubbel-deksel-04
Afb. 7b. APM 17.093
07-17.093-ulm-dubbel-deksel-06
Afb. 7c. APM 17.093

Het ornamentwerk loopt uiteen van een simpele ketelbeugel van zilver die een verbinding legt tussen het klepdeksel en de steelmontage (afb. 7). Meer uitbundige zijn pijpen beslagen van motieven variërend van geometrisch tot zelfstandige uitbeeldingen. Een mooi bijvoorbeeld zijn de staande zotjes met een fruitmand op het hoofd (afb. 8). De bedoeling is steeds om de pijp een luxere uitstraling te geven. De zilveropsmuk wordt versterkt met dubbele zilveren borgkettingen waaraan als een soort bedeltjes akertjes hangen. Hoewel de tabakspijp met al dat zilver opgesmukt indrukwekkend wordt, gaat het ook steeds sterker om een zondagse pronkpijp. Met het zilverbeslag loopt het gewicht op tot boven de honderd gram en dan kan er geen sprake meer zijn van een lichte comfortabele gebruikspijp. Waar de mode van het spijkeren van motiefjes in zilver tegen het houtoppervlak vandaan komt is niet duidelijk, maar deze komt ook in andere Midden- en Oost-Europese productiecentra voor. Een voorbeeld daarvan is de Reggel-Pfeife uit Zwitserland, oorspronkelijk met heuse zilvermotiefjes.[40] In latere tijden worden deze pijpen van en masse gestanste verzilverde ornamentjes voorzien.[41] Naast pronkzucht is een andere reden van dit zilverbeslag het maskeren van slechte stukken in het hout of het verdoezelen van een oninteressante nervatuur. Voor de roker was het zilverbeslag natuurlijk een manier zich af te zetten tegen de saaie onversierde pijpen.

08-19.718-ulm-zilverwerk-01
Afb. 8a. APM 19.718
08-19.718-ulm-zilverwerk-04
Afb. 8b. APM 19.718
08-19.718-ulm-zilverwerk-07
Afb. 8c. APM 19.718

Het meest luxe zilverwerk zien we in dubbele deksels met tussen beide kleppen een verborgen voorstelling die geen functie heeft maar puur voor de sier en het imponeren is aangebracht (afb. 7). Op die wijze wordt de Ulmpijp een Trachtenpfeifchen, voor bij het lokale kostuum om alleen op zondagen en tijdens feesten mee te pronken. Hoe de dagelijkse pijp als tegenhanger er uit heeft gezien kun je je afvragen. Het zijn deze overversierde pijpen die de gebruiksfunctie bij de pijp hebben weggenomen en in boedels bewaard bleven.

09-19.857-ulm-geguillocheerd-1
Afb. 9a. APM 19.857
09-19.857-ulm-geguillocheerd-3
Afb. 9b. APM 19.857
09-19.857-ulm-geguillocheerd-4
Afb. 9c. APM 19.857

Een wonderlijke vorm van versieren toont een tabakspijp met ornamenteel motief van ingeritste kruislingse lijnen die over het hele oppervlak lopen. Zij zijn heel aantrekkelijk aangebracht in twee met elkaar vervlochten patronen (afb. 9). Dit ruitenfond is van ritmiek voorzien door ingeslagen zilveren nageltjes, eveneens in twee verschillende motieven. Dergelijk werk wordt aangeduid met guillocheerwerk en is een korte periode populair geweest. Velen zullen zich bij het zien van het matte houtoppervlak afgevraagd hebben of de pijp niet met leer bedekt was of dat er van een ander materiaal sprake was die voor de aantrekkelijke uitstraling zorgde. Bij deze tabakspijp is ook de helmvorm van het zilveren klepdeksel weer terug, nu in zilver uitgevoerd en niet van hout zoals in de achttiende eeuw. Het is onbekend of de techniek van het guillocheren in Ulm is uitgevonden, zij is in ieder geval ook op andere pijpmodellen toegepast.

10-19.597-ulm-wapen-01
Afb. 10a. APM 19.597
10-19.597-ulm-wapen-04
Afb. 10b. APM 19.597
10-19.597-ulm-wapen-11
Afb. 10c. APM 19.597

Belangrijker is de groep van gesneden pijpen, die in twee soorten te verdelen zijn. De eerste is in de minderheid en hier ligt het reliëfwerk op de pijpenkop. De vroegste gedecoreerde pijpenkop van het Ulmer-Klobe type uit de collectie van het Amsterdam Pipe Museum laat een krachtig maar zuiver achttiende eeuws pijpmodel zien dat is opgesmukt met opliggend reliëfwerk (afb. 10). De moeilijkheid bij deze manier van werken is dat de maker de kracht van het pijpmodel moest behouden terwijl hij de verdikkingen voor het reliëfwerk liet staan om dat vervolgens te snijden. Het familiewapen op deze pijp wijst op een persoonlijke opdracht voor een specifieke roker. Langs de kiel van de steel zijn aan weerszijden een jachthond met een hert of een zwijn te zien, terwijl een lofvorm van de kiel afbuigt. Subtiel aan dit snijwerk is niet alleen de detaillering maar vooral het feit dat de voorstelling met wat graveerlijnen is verlevendigd. Ook het zilverwerk van deze pijpenkop vertoont nog alle kenmerken van de achttiende eeuw, met bijvoorbeeld de afzonderlijke bladvormen die om de filtrand en de manchet zijn gebogen, zelfs met burijnsteken om ze op blaadjes te laten lijken.

11-19.139-ulm-jacht-01
Afb. 11a. APM 19.139
11-19.139-ulm-jacht-04
Afb. 11b. APM 19.139
11-19.139-ulm-jacht-07
Afb. 11c. APM 19.139

Interessant is de pijpenkop met een jachtscène in reliëf (afb. 11). Bij deze vroeg negentiende eeuwse pijpenkop zien we dat de scherpe rand van de omgaande kiel die de Klobe kenmerkt hier sterk verzwakt is, waardoor het uiterlijk tot een afgeplatte pijpenkop devalueerde. Toch is het een prachtige pijp met zijn repetitieve knorrenbaan langs de onderzijde en zijn beeldende jachtvoorstelling als een striptekening op de bovenhelft. Ook hier is het reliëfwerk met minuscule burijnsteken aangezet voor een sterker realisme. Dat de maker trots was op zijn schepping bewijst het ingedrukte merk IR dat helaas niet met een bij naam bekende maker correspondeert. De montage is betrekkelijk eenvoudig gehouden: de manchetring van buffelhoorn is een zeldzame oplossing. Het koepelvormige deksel is eveneens simpel met een vlakke uitvoering waarin eenvoudige luchtinlaten.

12-19.246-ulm-engeltjes-01
Afb. 12a. APM 19.246
12-19.246-ulm-engeltjes-03
Afb. 12b. APM 19.246
12-19.246-ulm-engeltjes-08
Afb. 12c. APM 19.246

De derde en laatste tabakspijp met opliggende decoratie is opgedragen aan de muziek (afb. 12). Opmnieuw is de Ulmvorm hier ongewijzigd gehandhaafd, de voorstelling is op subtiele maar niet mis te verstane wijze over de pijpenkop heen gestrooid en lijkt bijna alsof er van zilveren appliques sprake is. Heel romantisch zien we driemaal twee cherubijntjes op de wolken drijven voorzien van muziekinstrumenten als een luit en een enkele of dubbele fluit. De wolken geven de figuurtjes iets goddelijks, maar de grote vaardigheid van de maker zit in het uitsparen van de drie verhoogde vlakken tijdens het vormen van de pijpenkop.

13-22.345-ulm-ploegende-boer-brand-1
Afb. 13a. APM 22.345
13-22.345-ulm-ploegende-boer-brand-3
Afb. 13b. APM 22.345
13-22.345-ulm-ploegende-boer-brand-6
Afb. 13c. APM 22.345

Het tweede genre reliëfwerk is pas na het vormen van de pijpenkop gesneden. Doorgaans levert dat een decoratie op die over de volledige pijpenkop loopt. Een kloek pijpmodel is heel egaal gesneden met enkele scenes die geen duidelijke relatie met elkaar schijnen te hebben (afb. 13). Aan de rechter ketelzijde zien we het goede landleven met een boer die met zijn ploeg voren op zijn akker trekt, op de achtergrond in het verschiet wat haasjes tussen het groen. Rechts zien we een woonhuis met vlag op de geveltop, tussen de begroeiing ontwaren we twee bokkenkoppen. De keerzijde van de pijpenkop toont een staande personificatie van de brand met lans en blusemmer en aan zijn voeten brandende huizen, op de steel zien we een geknielde vrouw in een kapelletje, een graf ligt ernaast. Werd hier op verzoek een episode uit het leven van de man afgebeeld die deze pijp ten geschenke kreeg of zien we hier twee scènes, de ene vredig, de andere rampspoed? Heeft de voorstelling een relatie met de onlusten die rond Ulm speelden aan het eind van de achttiende eeuw?[42] We weten het niet. De schijfvorm van de pijp zorgt in ieder geval voor een messcherpe scheiding tussen beide helften, terwijl de forse parelrand om de ketelopening en het steeleind een mooie overgang vormt naar het zilverwerk van deksel en steelhouder. Van een afstand bezien is dit een kloeke pijp met duidelijke vormmarkeringen, de decoratie blijkt pas van nabij en moet voor de eigenaar een praatstukje zijn geweest.

14-19.429-ulm-bakker-03
Afb. 14a. APM 19.429
14-19.429-ulm-bakker-09
Afb. 14b. APM 19.429
14-19.429-ulm-bakker-10
Afb. 14c. APM 19.429

Een prachtige pijp aansluitend bij de burger-bourgeoisie is de gesneden Ulmpijp waarop voorstellingen uit het leven van een bakker (afb. 14). Gescheiden door twee zuilen zijn doorlopende scenes uit een bakkerij te zien, compleet met deegbakken, werktafels en uitlegplanken en niet te vergeten een oven. Aan de voorzijde is de pijpenkop gepersonaliseerd met drie eigenaarsinitialen. Daarmee is het op en top een voorwerp geschikt als geschenk voor een jubilerende bakker. Ook bij deze pijp is snijwerk in reliëf gecombineerd met graveerwerk van details. Of de merkomlijsting van de initialen in Lodewijk XV stijl op een vroege datering wijst is sterk de vraag. De steel sluit aan bij de luxe van de pijp, deze is vrijwel geheel in zilver gevat met als enige opsmuk een zilveren maskerkopje van een leeuw in reliëf met een ring in de bek.

15-17.745-ulm-opengewerkt-05
Afb. 15a. APM 17.745
15-17.745-ulm-opengewerkt-06
Afb. 15b. APM 17.745
15-17.745-ulm-opengewerkt-08
Afb. 15c. APM 17.745

Een opvallend stuk uit de latere tijd is opgedragen aan de jacht zoals vaak bij Duits houtsnijwerk (afb. 15). Hier was de snijder zich sterk bewust van de ornamentale factor van de schijfvorm bij de Klobe. Om die reden is dat deel op verschillende plaatsen doorboord zodat een transparante tegenvorm op de cilindrische pijpenkop ontstond en dat zorgt voor een speels effect. We zien op de linker zijde van de pijpenkop een jager met geladen geweer en wat wild. De voorstelling straalt actie uit, terwijl op het opengewerkte onderstuk juist sprake is van grote rust. De jager is daar afwezig. De keerzijde laat in hetzelfde woud alleen twee rennende honden zien. De pijp is op toepasselijke wijze gemonteerd want op het deksel is een schijfje hertshoorn aangebracht met centraal een zittende jachthond gesneden uit ivoor. De steel is eveneens van hertshoorn en komt zonder twijfel uit een ander productiecentrum, al hoort deze zeker wel bij de pijp. De pedigree van de pijp sluit aan bij het gegeven dat Ulmpijpen luxe artikelen waren om na de jacht in tevreden rust te worden gerookt. Dat gebeurde bij deze pijp op een kasteel nabij Zürich.

16-20.630-ulm-groot-1
Afb. 16a. APM 20.630
16-20.630-ulm-groot-2
Afb. 16b. APM 20.630
16-20.630-ulm-groot-3
Afb. 16c. APM 20.630

Tot besluit van de gesneden pijpen nog de behandeling van drie Sonderstücke. De eerste is een Schwäbischer Riesenpfeifenkopf, een bijzonder object met een vroege datering waarbij het reliëfwerk egaal over kop en steel aangebracht zijn (afb. 16). In zogenaamde horror-vacuï is hier aan de voorzijde van de ketel een heraldische voorstelling te zien met het wapen van de Beierse keurvorst: een gekroond gevierendeeld wapen met hartschild. In het ornamentwerk van bladertakken met bloemen herkennen we bescheiden c-voluten en rocailles die ons wijzen op de datering van dit stuk, misschien zelfs wel vóór 1770. De keerzijde toont op de steel de adelaar met gespreide vleugels en kruislings gearceerd hartschild. Het weggesneden fond is met stippen geruwd. Het wapen aan de voorzijde van de ketel maakte dat de bekende kiel die standaard van de voorzijde van de ketel naar het steeleind doorloopt hier achterwege moest blijven, deze zou de voorstelling namelijk storend doorsnijden. De gedachte dat dat element toen nog niet was uitgevonden wordt ontkracht door een sterk vergelijkbare pijp die hetzelfde wapen aan twee zijden van de ketel draagt en dus wel de omlopende kiel heeft gekregen. [43] De zilvermontage bij deze magnifieke pijpenkop is van recenter datum, het zou oorspronkelijk een messingmontage geweest kunnen zijn zoals bij het bovengenoemde stuk.

17-20.631-ulm-gezicht-1
Afb. 17a. APM 20.631
17-20.631-ulm-gezicht-3
Afb. 17b. APM 20.631
17-20.631-ulm-gezicht-4
Afb. 17c. APM 20.631

Het tweede exemplaar toont aan de basis van de ketel een portretkop van een man met hangsnor en een Oost-Europese muts (afb. 17). Dat gezicht ontspruit uit wat lofwerk aan de steel waar ook de bekende kiel weer is aangebracht. Het is een curieuze uitbeelding maar goedbeschouwd niet van grote artistieke allure. De pijpenkop heeft een wat plompe vorm, terwijl het masker er wat onbeholpen tegenaan is geplakt. Dat het niet om een hoge kwaliteit gaat wordt ook bewezen door de montage. Hier is geen kwaliteitszilver gebruikt maar zilver met een forse bijmenging van nikkel die voor een wat grauwe uitstraling zorgt. Toepasselijk is wel de vorm van het deksel waarin een gedraaide knorrenrand die misschien aan de geplooide tulband van het Turkenkostuum refereert. De ogen van geëmailleerd metaal en het gebit uit een stukje been gesneden moeten de levensechtheid van het portret vergroten al zijn zij wel sterk volkskunstig van karakter. Kijkend naar de nervatuur is hier wel van een prachtige vogeloog sprake.

18-17.762-ulmvorm-jager-01
Afb. 18a. APM 17.762
18-17.762-ulmvorm-jager-03
Afb. 18b. APM 17.762
18-17.762-ulmvorm-jager-06
Afb. 18c. APM 17.762

De derde atypische tabakspijp is van dezelfde Ulm familie maar vertoont modernere kenmerken (afb. 18). Ten eerste is het hout gekleurd tot bruinzwart, een kleurstelling die de nervatuur onzichtbaar maakt, maar past in het tijdsbeeld. Ook de vorm van de pijpenkop is vernieuwend met als voornaamste kenmerk een scherpe knik in de kiellijn. Aantrekkelijk is de verbindingsboog tussen ketel en steel met een sierlijke lijn over de steel waarlangs enig fraai gesneden bladwerk is aangebracht. De hoofdvoorstelling is hier in twee staande ovalen geplaatst omgeven door wat ornamentwerk. Het laat een jager met zijn jachthond zien en in het tweede ovaal een hert met imposant gewei. De invulling van de medaillons is wat teleurstellend, twee familiewapens of een meer persoonlijk motief was waarschijnlijk spannender geweest. Tenslotte is het fond van de pijpenkop deels gegranuleerd. Al met al gaat het om een bijzondere variant, die getuige de decoratie en de steel bedoeld was voor een jager uit de boven-middenklasse.

De drie Sonderstücke laten zien dat er in de streek rond Ulm meer gebeurde dan de standaard pijpontwerpen. Wat dat betreft is de Ulmpijp een boeiend object om te bestuderen. Met het grootformaat zien we een prestigeproduct voor de boeren of militaire stand, met de portretkop gaat het om een curiositeit voor iemand met een heel specifieke smaak. Het derde voorbeeld tenslotte is een meer burgerlijke rookinstrument voor een roker bij wie jagen een geliefd tijdverdrijf was. Dit laatste stuk zou vanwege de wonderlijke kenmerken ook uit een andere streek kunnen komen, bijvoorbeeld uit Thüringen.

19-20.628t-ulm-wapen-02
Afb. 19a APM 20.628
19-20.628-ulm-wapen-05
Afb. 19b. APM 20.628
19-20.628-ulm-wapen-10
Afb. 19c. APM 20.628

Qua versieringen heeft Ulm nog veel meer soorten pijpen voortgebracht. De meest bekende is wel de tabakspijp met een aan de Klobe verwant model, eveneens sterk afgeplat aan beide zijkanten maar met in de steel de uitbeelding van een vis of dolfijn (afb. 19). Dat dier heeft een gekrulde staart aan de basis van de pijpenkop en een geopende bek bij het steeleind. Vaak is tussen de kop en steel als verbindend ornament nog een vogel uitgebeeld. Een vast concept met referentie aan water en lucht. Rondom de pijpenkop is een vaak wisselende hoofdvoorstelling aangebracht. Dat snijwerk is in grote series tot stand gekomen, doorgaans op verzoek gemaakt. Als onderwerpen zien we wapens of een uitbeelding die de opdrachtgever of de persoon die de pijp ten geschenke zou krijgen op prijs stelde. Hoewel bekend en nauw verwant aan de Klobe, gaat het toch om een ander type pijp.[44] Het lijkt erop dat deze meer barokke pijpen de Klobe gedurende een periode van de markt hebben gedrukt. Maar zoals met alle goeds, de oude stijl keerde weer terug al veroverde deze nooit meer de positie die deze vooreer had ingenomen.

De waardering van de Ulmpijp blijkt uit een notitie uit het jaar 1812 waarin de prijs van een met zilver beslagen tabakspijp gespecificeerd staat. Voor een houten pijpenkop moet dan 2 florijnen 48 kronen betaald worden. Het roer daarvoor kost 1 florijn 36 kronen. Het zilver garnituur ligt op maarliefst 6 florijnen 30 kronen en de dubbele ketting kost 2 florijnen. Daarmee komt de totale pijp op ruim 12 florijnen ofwel zes maal de prijs van de ongemonteerde pijpenkop.[45] Ter vergelijking, een gewone complete met tombak beslagen pijp wordt voor drie gulden verkocht.[46] Wanneer we naar de prijs van de kleipijp kijken, die slechts enkele dubbeltjes kost, wordt pas duidelijk hoe kostbaar de aanschaf van een Ulmer Kloben toen was.

Nawoord
Na een schets van de nijverheid, een bespreking van het hout, de werkwijze tijdens de fabricage en een behandeling van de bewaard gebleven pijpen verwacht je een samenvatting die het beeld van de Ulmer Maserholz Pfeife completeert. Helaas, die wens gaat niet in vervulling. De ontwikkeling door de tijd van de verschillende modellen, een compleet scala van de onderwerpen, de zorgvuldige kennis over de prijs van de pijp en het duiden van de doelgroep van weleer, blijft onuitgewerkt. Als met zovele handwerksartikelen, is in de loop van de jaren een aardig stukje geschiedenis boven water gekomen, vooral dankzij het vergelijken van bewaard gebleven objecten. Archiefonderzoek is echter beperkt gebleven, wat ook wel blijkt uit de spaarzame, vaak gekopieerde gegevens. Daardoor blijft het onmogelijk om de pijp in al zijn aspecten te kunnen determineren en scherp te dateren. Dat laatste heb ik in dit artikel bewust aan de voorzichtige kant gehouden. De meeste publicisten dateren ouder, daarvoor vind ik geen grond.

Drie publicisten die in deze eeuw aandacht aan de Ulmer pijp besteedden leveren daarvoor het bewijs. Het gaat respectievelijk om Rainer Immensack (2004), Benjamin Rapaport (2012) en Wolfgang Cremer (2012). Zij wijdden alle drie een serieus artikel aan de Ulmer pijp. Wie de drie artikelen bestudeert ziet dat zij dezelfde informatie bevatten en exact dezelfde gepubliceerde bronnen bestudeerden. Toch is hun uitkomst steeds iets anders. Immensack is tamelijk grondig en voegt allerlei feitelijkheden toe over de nijverheid, eigen aan iemand die in Duitsland opgroeide en zelf over een prachtige bibliotheek beschikte. Rapaport schrijft het meest luchtig in een wat journalistieke stijl, hierdoor is het artikel zeer vlot met de taal maar presenteert te weinig kennis. Ook sluiten zijn illustraties maar matig aan bij de tekst. Cremer tenslotte richt zich sterker op de relatie geschiedenis en zijn eigen collectie. Hij behandelt de Ulmpijp meer vanuit de algemene houten pijp, waarbij het specifieke wat vervaagt. Aan deze reeks is nu een vierde artikel toegevoegd met het doel het wezen van de Klobe verder te ontrafelen. Voor het eerste komt hiermee informatie beschikbaar in de Nederlandse taal, sterker vanuit de historische visie op de pijpennijverheid gedacht kan dit artikel mee totdat ooit een grondige studie over de Ulmpijp zal verschijnen. Daarin valt nog veel te ontdekken zeker wanneer meer bronnen uit de plaatselijke archieven worden ontsloten.

 

© Don Duco, Amsterdam Pipe Museum, 2017.

 

Makers

Naam  Plaats Periode Bron
Adam Albrecht Waldstetten <1697> M24
Kaspar Albrecht Waldstetten <1698> M24
Johann Bäuerlein Münsterplatz, Ulm <1836> H25, M91
Gebrüder Baumhauer Rechberg <1790> M92, I46
Bernhard Eberle Hafenbad, Ulm <1860> H25, M92
Leonhard Eberle Radgasse, Ulm <1870> H25, M92, I42
Christof Eggart Söflingen c. 1750 M96
Johann Jakob Glöckle (Glöcklein)
Ulm 
1733-1785
H22-23, M28, M91, I46
Johann Jakob Gminder
Frauengasse, Ulm
<1816>
M91
Heinrich Haas
Engelgasse, Ulm
<1896-1921
M95, I42
Hieronimus Heimstedt
Hirschgasse, Ulm
<1816>
M91
Anna Barbara Knappin
Ulm
<1799>
M91
Gebrüder Kunst
Herrenkellergasse, Ulm
<1883-1903>
M92, M95
Firma Gebrüder Kunst Platzgasse, Ulm <1894> I42
Johann Leibinger Hirschgasse, Ulm 1790-1836> H24-25, M91
Martin Leibinger Am Rad, Ulm 1790-1840> H25, M91
Jakob Letsch Sterngasse, Ulm <1896-1902> I42
Eduard Lohmüller
Hirschstrasse, Ulm
<1894-1902>
I42
Jacob Maier
Rosengasse, Ulm
<1840>
H25, M92
Georg Mann
Deinselesgässle, Ulm
<1836>
H25, M91
Andreas Molfenter
Bei der Krone, Ulm
<1836>
H25, M91
Jacob Molfenter
Beim Zeughaus, Ulm
<1836>  M90-91
Johann Friedrich Molfenter
Herdbruckergasse, Ulm 
<1836>  H25, M90-91
Johannes Molfenter Ulm 1770-1812
I46
Friedrich Notz Glöcklergraben, Ulm <1870-1878>
H25, M91, I42
Florian Nuding  Söflingen <1850-1889
M96
Carl Nuding Söflingen < 1800>
M96
Johann Georg Nuding Söflingen < 1780>
M96
Johannes Nuding Söflingen <1850-1894
M96
Brüder Oettinger
Sattlergasse, Ulm
<1896-1902> I42
Xaver Reismüller
Kronengasse, Ulm
<1870> H25, M92, I42
Konrad Rupp
Rechberg
<1790> H25, M92, I46
Kaspar Scheuffele
Königgasse, Ulm
<1836> H25, M91
Schill Sr. en Jr.
Langenau
<1790> M92, I46
Josef Schnee Braunhöfle bei Rechberg
<1790>
 M92
Schwarzkopf und Geschwistern Rechberg
<1790>
M92, I46
Johannes Silberhorn Hafengasse, Ulm
<1878>
M92, I42
J. Silberhorn, Nachfolger A. Blumhardt Hafengasse, Ulm
<1878-1921 
M95, I42
Stefan Silberhorn Sr. en Jr. Bei der Post ü Hafengasse, Ulm
<1836-1878>
H25, M90-92
Philipp Speidel
Söflingen
<1790> H25, M92, I46
Staib
Langenau
<1790> M92
Otto Staiger [47]
Ulm
<1915-c. 1942  M92, I42
Gustav Staudenmayer Herdbruckerstrasse, Ulm
<1896-1902>
 
Franz Josef Veit
Söflingen
<1850-1889 M96
Johann-Franz-Jacob Vilarius [48]
Ulm/Oostenrijk 
<1690>   
Anton Benedikt Vogel 
Söflingen
<1850-1891 M96
Firma J. Wechsler Ulm
<1835>
M91

 

 

Afbeeldingen

1.       Ulmer Klobe, onversierde Ulmpijp. Ulm, 1830-1860.
          Amsterdam Pipe Museum APM 22.001

  1. Ulmer Klobe, onversierde Ulmpijp. Ulm, 1800-1830.
    Amsterdam Pipe Museum APM 15.386
  2. Ulmer Klobe, onversierd met klein formaat, knoop "ICH BIN VON ULM" met vogel. Ulm, Otto Staiger, 1890-1920.
    Amsterdam Pipe Museum APM 21.680
  3. Ulmer Klobe, onversierd, sterk afgeplat. Ulm, 1790-1820.
    Amsterdam Pipe Museum APM 21.681
  4. Ulmer Klobe, onversierd, sterk afgeplat met schijfvorm onder de ketel. Ulm, 1840-1870.
    Amsterdam Pipe Museum APM 22.457
  5. Genre Ulmer Klobe met rondgaande voluten en doorboringen. Ulm, 1830-1850.
    Amsterdam Pipe Museum APM 17.130
  6. Ulmer Klobe, onversierd, zilvermontage met kielband en dubbel deksel. Ulm, 1810-1860.
    Amsterdam Pipe Museum APM 17.093
  7. Ulmer Klobe, onversierd, zilverbeslag met staande zotjes en bladeren. Ulm, 1840-1870.
    Amsterdam Pipe Museum APM 19.718
  8. Ulmer Klobe, geguillocheerd met lijnenwerk en zilvernagels. Ulm, 1830-1860.
    Amsterdam Pipe Museum APM 19.857
  9. Ulmer Klobe, snijwerk van een wapen met helmteken en jachthonden met wild. Ulm, 1770-1810.
    Amsterdam Pipe Museum APM 19.597
  10. Ulmer Klobe met ornamentwerk en een jachtscène met zwijn en herten. Ulm, 1810-1840.
    Amsterdam Pipe Museum APM 19.139
  11. Ulmer Klobe met drie voorstellingen met muziekscènes. Ulm, 1830-1850.
    Amsterdam Pipe Museum APM 19.246
  12. Ulmer Klobe met snijwerk van een boer op een akker, een staande man met blusemmer en meer. Ulm, 1830-1860.
    Amsterdam Pipe Museum APM 22.345
  13. Ulmer Klobe met voorstelling van een bakkerij, eigenaarsinitialen. Ulm, 1830-1850.
    Amsterdam Pipe Museum APM 19.429
  14. Ulmer Klobe met jachtscène en opengewerkte basis. Ulm, 1830-1860.
    Amsterdam Pipe Museum APM 17.745
  15. Ulmer Klobe, extreem groot formaat met Beiers keurvorstenwapen. Ulm, 1760-1800.
    Amsterdam Pipe Museum APM 20.630
  16. Ulmer Klobe, ongewone portretpijp van een man met snor. Ulm, 1790-1830.
    Amsterdam Pipe Museum APM 20.631
  17. Ulmer Klobe, afgeleide vorm met wapen met hert en staande jager. Ulm, 1820-1850.
    Amsterdam Pipe Museum APM 17.762
  18. Semi-Ulmvorm met vis en vogel, hoofdvoorstelling een familiewapen. Ulm, 1830-1860.
    Amsterdam Pipe Museum APM 20.628

 

Literatuur

Anoniem, Die Fabrikation der Rauchtabakpfeifen aus Holzmasern, Meerschaum, Thon- und Türkenerde und die chemischen Feuerzeuge, Ulm, 1830.

Wolfgang Cremer, Antike Pfeifen aus Deutschland und anderen Ländern, Köln, 2012.

Adolph Häberle, Die berühmten Ulmer Maserpfeifenköpfe in ihrer kultur- und wirtschaftsgeschichtlichen Bedeutung, Amberg Oberpfalz, 1950.

Rainer Immensack, "Ulmer Maserholzpfeifen", Knasterkopf, Band 17, 2004, p 41-48.

Anton Manger, Die berühmten Ulmer Maserpfeifen. Geschichtliches und Kulturgeschichtliches über die Pfeifenherstellung in Ulm, Wollbach bei Bad Neustadt, 1998

Ben Rapaport, "Ulm’s Ulmer: The über-pipe", Pipes and Tobacco, Spring 2012, p 24-31.

Christian Friedrich Gottlieb Thon, Gründliche und vollständige, aufrichtige Erfahrungen gestüsste Anleitung, nicht allein alle Arten meerschaumener Pfeifenköpfe, als ächte und unächte Talg- und Wachsköpfe, ... Ein Praktisches Hand- und Lehrbuch für Fabrikanten und Liebhaber von Pfeifenköpfen nebst ..., Weimar, 1833 (2e druk 1843),

 

Noten

[1]   Ernst Voges & Otto Wöber, Tabak Lexikon, Mainz, 1967, p 358. Manger, 1998, p 29.

[2]   Manger, p 28, Abb. 11, p 55, Abb. 35.

[3]   Walter Morgenroth, Tabakpfeifen Sammeln, Kunstwerke in Porzellan, München, 1989, p III, Abb. 30. Meissen um 1740. Cremer, 2012, p 18.

[4]   H. Aschenbrenner, Der Pfeifen-Omnibus, Oldenburg, 1939, p 31. Immensack, 2004, p 44.

[5]   Cremer, 2012, p 18.

[6]   Morgenroth, (Tabakpfeifen Sammeln), 1989, p 37.

[7]   Häberle, 1950, p 20-21. Immensack, 2004, p 41. Cremer, 2012, p 17. Ook: Ference Levardy, Our Pipe-Smoking Forebears, Budapest, 1994, p 138.

[8]   Häberle, 1950, p 21. Immensack, 2004, p 41. Cremer, 2012, p 17.

[9]   Immensack, 2004, p 41.

[10]  Thon, 1843, p 191.

[11]  Thon, 1843, hfst. 15, p 190-191. Cremer, 2012, p 17.

[12]  Levardy, 1994, p 139.

[13]  Häberle, 1950, p 22. Rapaport, 2012, p 26.

[14]  Häberle, 1950, p 22. Levardy, 1994, p 140. Immensack, 2004, p 46. Cremer, 2012, p 18. Morgenroth, (Tabakpfeifen Sammeln), 1989, p 31.

[15]  Levardy, (Pipe-Smoking Forebears), 1994, p 140.

[16]  Immensack, 2004, p 46.

[17]  Friedrich Becker, "Blauer Dunst aus Ulmer Pfeifen", Ulm, z.jr., p 55.

[18]  Manger, 1998, p 87.

[19]  Levardy, 1994, p 140.

[20]  Häberle, 1950, p 24. Levardy, 1994, p 140. Cremer, 2012, p 18.

[21]  Häberle, 1950, p 24.

[22]  Immensack, 2004, p 42. Cremer, 2012, p 19.

[23]  Becker, (Blauer Dunst), z.jr., p 55.

[24]  A.F. Wiegman, Over de ziekten en eenigen misvormingen der gewassen, Zwolle, 1842. Warrelknoest is een misvorming met de naam Tuber lignosum.

[25]  Immensack, 2004, p 42.

[26]  Aschenbrenner, (Pfeifen-Omnibus), 1939, p 31-32. Helmuth Aschenbrenner, Tabak-Lexikon, Amberg, z.jr., p 55.

[27]  Becker, (Blauer Dunst), z.jr., p 55.

[28]  Immensack, 2004, p 43.

[29]  Thon, 1843, hfst. 15, p 154-195. Acer campestre, acer pseudo-platanus, acer platanoides, betula alba, buxus semper virens, haematoxylum campechianum, taxus baccata, crataegus torminalis, betula alnus, fraxinus excelsior, sambucus nigra, carpinus betulus, rhamnus catharcticus, tilia europaea s. grandifolia, morus nigra et alba, crataegus aria, olea auropaea glutinosa, populus alba, aesculus hypocastanum, sorbus domestica, ulmus, ulmus campestris, sorbus aucuparia, juglans regia, salix caprea.

[30]  Häberle, 1950, p 23. Ulmus sativa, ulmus campestris, fraxinus excelsior, betula alnus, betula alnus incana, betula alba, populus alba, populus nigra, acer pseudo-platanus, acer platanoides, acer campestre, sorbus aucuparia, sambucus nigra, rhamnus catharcticus, juglans regia en buxus. Cremer, 2012, p 17.

[31]  Manger, 1998, p 46-47. Nussbaum, Birnbaum, Erle, Birke. Cremer, 2012, p 17.

[32]  Häberle, 1950, p 21. Manger, 1998, p 46.

[33]  Cremer, 2012, p 17.

[34]  Immensack, 2004, p 43.

[35]  Thon, 1843, p 191.

[36]  Immensack, 2004, p 45.

[37]  Häberle, 1950, p 25. Immensack, 2004, p 45-46.

[38]  Levardy, (Pipe-Smoking Forebears), 1994, p 142.

[39]  Manger, 1998, p 51.

[40]  Aschenbrenner, (Pfeifen-Omnibus), 1939, p 54. Lindauerli (Appenzeller Pfeife).

[41]  Amsterdam Pipe Museum APM 22.355.

[42]  Häberle, 1950, p 27. 1796 grote brand.

[43]  Walter Morgenroth, Rund um den Tabak; Sammlung Haegeli, Schweiz 1898-1998, Heidelberg, 2000, p 88, lot 98.

[44]  Immensack, 2004, p 47. Schrijft de herkomst aan Ansbach of Franken toe. Morgenroth, (Tabakpfeifen Sammeln), 1989, p X, Abb. 47. Dit type in porselein, datering c. 1760.

[45]  Häberle, 1950, p 26.

[46]  Häberle, 1950, p 26.

[47]  Häberle, 1950, p 27.

[48]  Spire Blondel, Le Tabac, le Livre des Fumeurs et des Priseurs, Parijs, 1891, p 51, noot 1. Door Blondel genoemd als de uitvinder van de Ulmpijp.