Engelse invloeden bij een ongewoon Delfts produkt van ca. 1830

Auteur:
Don Duco

Jaar van uitgave:
1990

Uitgever:
De Tijdstroom

Tijdschrift:
Maandblad Antiek

Beschrijving:
Bespreking van een tabakspijp met een lange gewonden steel gemaakt door de pottenbakker Piccardt uit Delft.

Rond 1800 was de situatie voor de Delftse pottenbakkerijen verre van rooskleurig. Gedurende de twee eraan voorafgaande eeuwen hadden de aardewerkbedrijven in grote hoeveelheden het populaire en wereldberoemde Delfts blauw kunnen produceren. Dit aardewerk kenmerkt zich door een rode of gele scherf overdekt met een stralend witte tin-glazuur, waarop een decoratie werd geschilderd. Voor extra glans kon het nog van een transparant loodglazuur worden voorzien. Technisch bezien was het traditionele Delfts nog steeds een kwaliteitsproduct van de eerste orde, maar daar stond tegenover dat de ceramiek kwetsbaar was en de productie ervan duur.

In Engeland ontwikkelde men in de achttiende eeuw een nieuwe ceramieksoort, die goedkoper geproduceerd kon worden en aan nieuwe esthetische en veranderde gebruikseisen voldeed: het is het zogenaamde cream-ware. Deze soort aardewerk heeft een fijne, witte kalkachtige scherf, overtrokken met een strak transparant glazuur. Het resultaat geeft een specifiek roomwit gekleurd aardewerk met een laag soortelijk gewicht. Dit werd naar believen in op- of onderglazuur gedecoreerd. Veel decoraties zijn niet geschilderd maar geprint, waarbij soms de kleuren nog wel met de hand zijn ingevuld.

Tegen het eind van de achttiende eeuw werd dit Engelse cream-ware volop naar Nederland geëxporteerd. Door de eenvoudige productiegang en seriematige wijze van decoreren kon het, zelfs met inbegrip van transportkosten, voordelig worden aangeboden. Hierdoor verminderde de belangstelling voor het beroemde Delftse aardewerk en liep in die stad het aantal traditionele pottenbakkersbedrijven terug. Kort na 1800 waren in Delft nog slechts zeven plateelbakkerijen werkzaam. Om te kunnen voortbestaan moesten zij overschakelen op het modieuze cream-ware, dat in ons land "Engels aardewerk" werd genoemd.

De fabriek die in de ontwikkeling van het Engels aardewerk het voortouw trok, was De Porceleijne Fles. Dit bedrijf ging in 1804 over in handen van Henricus Arnoldus Piccardt. De strijd van Piccardt voor het voortbestaan van dit al generaties bloeiende bedrijf vinden we uitvoerig beschreven in een verdienstelijke doctoraalscriptie.[1]

De historie van deze ene fabriek is exemplarisch voor de gehele Delftse ceramische bedrijfstak, die zich moest gaan toeleggen op een product van andere aard. Piccardt betrok voor het opzetten van een nieuwe productielijn vaklieden uit Engeland die hun eigen know-how meebrachten. Deze vaklieden werkten volgens Engelse recepten en dikwijls zelfs met Engelse grondstoffen en kwamen geleidelijk tot een product dat zich gelijkwaardig aan het Engelse mocht noemen. Dat deze productontwikkeling geen geringe taak was, blijkt uit de reeks moeilijkheden die men hierbij ondervond. Piccardt, die tot de notabelen van de stad Delft ging behoren, moest door financiële moeilijkheden gedwongen toch verscheidene malen een verzoek tot subsidiëring bij het stadsbestuur indienen. Volgens zijn zeggen om de productie ten bate van de Nederlandse nijverheid in stand te houden.

1
Afb. 1.   APM 7.748

Helaas zijn we over het in Holland vervaardigde massagoed met cream-ware kenmerken beperkt geïnformeerd. Het werd gezien de printdecoratie en de gunstige verkoopprijs niet direct als een luxueus artikel geschouwd. Het zal weliswaar in het burgerlijk of ambachtelijk milieu indertijd als siergoed in een wandrekje of vitrinekastje terecht gekomen zijn, maar diende vooral aan de eettafel bij de dagelijkse maaltijd als gebruiksgoed. In welgestelde huishoudens bracht het Engelse aardewerk het zelfs niet verder dan voor gebruik in de keuken. In veel gevallen zal deze nieuwe aardewerksoort de vervanging zijn geweest van het reeds eeuwen in gebruik zijnde volksaardewerk, het meest eenvoudige tafelgoed van rood aardewerk waterdicht gemaakt door een transparant loodglazuur. In vergelijking hiermee was het lichtere, fijnere cream-ware een grote verbetering en paste beter in het modebeeld van de achttiende eeuw. De kwetsbaarheid bleef echter een probleem. De scherf was niet erg breukbestendig en het glazuur haalde niet altijd de juiste hardheidsgraad, waardoor het snel schilferde. Verschil tussen scherf en glazuurspanning gaven dikwijls haarscheuren. In dit craquelé zette zich maar al te vaak een verkleuring af, die het product spoedig een onaantrekkelijk voorkomen gaf.

Over de productvergelijking tussen het Engelse cream-ware en dat op Nederlandse bodem gemaakt is weinig bekend. Duidelijk is wel - en de fabrieksstatistieken bewijzen dit - dat "Engels aardewerk" in beide landen algemeen vervaardigd werd en dat de Nederlandse markt zowel door vaderlandse bedrijven als door Engelse exportzendingen bediend werd. Uit prijslijsten en inzendingen voor tentoonstellingen van Piccardt kunnen we opmaken, dat de productie van De Porceleijne Fles voor een belangrijk deel uit Engels aardewerk bestond. In de archiefstukken is sprake van koppen, theesets, borden en wat dies meer zij. Helaas is er slechts in beperkte mate sprake van andere ceramische voorwerpen.

In het Pijpenkabinet, museum voor de tabakspijp van klei in Leiden bevindt zich sedert jaren een product dat in geen der schriftelijke bronnen van Piccardt voorkomt, maar dat toch uit zijn fabriek stamt.[2] Het betreft een opmerkelijke presentatiepijp, die eerder voor expositiedoeleinden dan voor gebruik door een roker bestemd zal zijn geweest. De steel van deze tabakspijp heeft een lengte van 7,75 meter en is spiraalvormig opgewonden tot een vlakke schotel. Het laatste stuk steel is speels in cirkelvormen over de schotel heen geslingerd, alsof er van het opspuiten van een taart door een banketbakkersleerling sprake was. De pijpenkop prijkt rechts onder op de schotel. De signatuur van de maker is in verschillende opzichten opmerkelijk. In de tijd van Piccardt werden vrijwel alle producten op de onderzijde van een merkteken voorzien, terwijl bij dit voorwerp het merk op een duidelijk in het oog springende plaats op de ketel van de pijp werd geschilderd. De wijze van merken doet derhalve veronderstellen, dat we hier te maken hebben met een product bestemd voor presentatiedoeleinden. Een stuk voor de toonkamer van het bedrijf bijvoorbeeld als proeve van vakmanschap om met de witbakkende scherf en het gladde transparante licht groengetinte glazuur te koketteren. De overwinning van een ceramisch-technisch probleem, namelijk dat van de spanningsverhouding tussen scherf en glazuur.

2
Afb. 1bis. APM 7.748

De invloedssferen waarbinnen de Piccardt-pijp ontstond geven stof tot discussie. De plaats Delft is zo dicht bij Gouda gelegen, dat verworvenheden uit dit Nederlandse pijpenmakerscentrum allicht binnen het bedrijf van Piccardt doorgedrongen kunnen zijn. Zeker wanneer we bedenken, dat Piccardt eindeloos zijn "deeg" blijft perfectioneren, waarbij vooral het streven naar een witte kleur heel wat voeten in de aarde heeft gehad. Pas na het eerste kwart van de negentiende eeuw behaalt hij hiermee goede resultaten. Het is alleszins aannemelijk dat Piccardt aanvankelijk inspiratie zocht bij de Goudse pijpenmakers. Hier gebruikte men immers de witbakkende klei bij grote hoeveelheden en ook de tweedelige persvorm was in de pijpenstad bekend.

Veronderstelde verbanden met Gouda voor wat betreft de kleisamenstelling en productiewijze zijn echter ongegrond. Het ketelmodel van de Piccardt-pijp vertoont geen enkele overeenkomst met de pijpmodellen die in de eerste helft van de negentiende eeuw in Gouda in productie waren. Zo is de vuuropening hier iets schuin afgesneden, terwijl de rand ook minder fijn afgewerkt is dan bij de Goudse tegenhangers. De wijze waarop de steel gevlochten is kent in Gouda nauwelijks voorbeelden, al werd hier in de achttiende eeuw als curiositeit een enkele pijp met zogenaamde "gevlochten steel" gemaakt. De afwerking met een crème tot groengetinte loodglazuur is voor Nederlandse pijpenmakerijen volstrekt ongebruikelijk zodat Piccardt zich hieromtrent evenmin in Gouda heeft kunnen laten informeren. Het glazuren van Goudse pijpen komt pas aan het eind van de negentiende eeuw in de mode. Voor de Gouwenaars geeft het glazuren van de traditionele geperste pijp namelijk enkele onoverkomelijke problemen. De zogenaamde gekaste pijp, die in een tweedelige drukmal door persing tot stand komt, heeft een te glad oppervlak, waarop glazuur zich slecht laat hechten. Tijdens het stookproces in de oven zou het glazuur gaan lopen. Bovendien zal door verhitting van de pijp tijdens het roken het spanningsverschil tussen glazuur en scherf onvermijdelijk tot haarscheuren of schilferen leiden.

De opmerkelijke Piccardt-pijp vertoont merkwaardig genoeg talloze kenmerken te zijn geïnspireerd op de in Staffordshire gemaakte sierpijpen. In deze beroemde Engelse pottersstad komt het vlechten van de pijpenstelen algemeen voor, waarbij soms meters lange stelen op soortgelijke wijze gevlochten zijn. Bovendien is het glazuren van pijpen daar meer algemeen toegepast. De pijpen in die streek worden van een kalkhoudende cream-ware scherf vervaardigd en niet van pijpaarde zoals in Gouda het geval is. De perfect witte, uit Engels deeg geknede scherf van de onderhavige pijp moet volgens Engels recept tot stand zijn gekomen. Omdat het Engelse kalkaardewerk poreuzer van scherf is maakt dit een betere hechting van het glazuur mogelijk. De tweedelige mal waarin de pijpenkop is gevormd betreft geen metalen persvorm uit Gouda, maar een gipsen of ceramische drukvorm. De vorm was blijkbaar in het bedrijf van Piccardt aanwezig en veronderstelt een zekere serieproductie van pijpen, al is de bestendigheid van zo'n drukmal geringer dan van de Goudse metalen persvorm. Kortom dit product vertoont kenmerken van de Engelse pottenbakkerstraditie maar is gezien zijn signatuur ontstaan in een omschakelend Delfts bedrijf.

Wat betreft de datering pleit de perfect witte scherf voor een plaatsing in de eindfase van de ontwikkeling van het Engelse aardewerk in de fabriek van Piccardt. Dit moet omstreeks 1830 geweest zijn. Dan heeft men de juiste pâte met een kleurloze scherf en kan men de transparante glazuur hierop toepassen. Dat met een gecompliceerd ceramische lichaam als deze tabakspijp het craqueleren van de glazuur onvermijdelijk was, behoorde tot het laatste te overwinnen probleem van de fabriek van Piccardt. De spanningsverhoudingen van scherf en glazuur zijn blijkens dit wonderbaarlijke ceramische object goeddeels overwonnen. Zo is duidelijk geworden dat de aanvankelijke concurrenten van het Delftse product de stoot gegeven hebben tot het Delftse cream-ware, de grootste ceramische impuls in Nederland in de vorige eeuw. Deze pijp is niet alleen in de eerste helft van de negentiende eeuw het pronkstuk van deze nieuwe verworvenheid geweest, maar is hiervan nog steeds de tastbare getuigenis. De bestendigheid van de productie van geglazuurd aardewerk tot rookgerei zou nog tot het begin van de twintigste eeuw moeten wachten en lag in handen van de Goudse pijpenmakers.

Een pedigree van deze merkwaardige presentatiepijp valt niet te geven. De pijp werd in de jaren 1970 in Abbéville bij een antiquair aangekocht. Volgens zeggen vertoefde dit stuk al generaties lang in een boerenfamilie uit de regio, een twijfelachtige aanwijzing waaraan men direct geneigd is voorbij te gaan, om verstandelijkerwijs niet tot speculaties over te gaan.

© Don Duco, Stichting Pijpenkabinet, Leiden, 1990.

Gepubliceerd in: Maandblad Antiek, XXV/1, juni 1990, p 14-17.

Afbeelding

  1. Tabakspijp met gevlochten steel uitgevoerd in cream ware met zacht groengetint glazuur en geschilderde signatuur "P.C. DELF". Delft, Hendrikus Arnoldus Piccardt, 1820-1840.
    Leiden, collectie Pijpenkabinet Pk 7.748

 
Noten

[1]      M.E. Schram-van Gulik, De geschiedenis en produktie van de aardewerkfabriek de "Porceleyne Fles" te Delft in de 19de en begin 20ste eeuw. Doctoraalscriptie Kunstgeschiedenis, Leiden, 1977.

[2]      Leiden, Collectie Pijpenkabinet, Pk 7.748.