Geschiedenis van het Amsterdam Pipe Museum

Auteur:
Benedict Goes

Originele titel:
De geschiedenis van het Pijpenkabinet

Jaar van uitgave:
2010

Uitgever:
Stichting Pijpenkabinet

Algemeen

02-dagboek-01-keizersgracht-685- 689
Afbraak aan de Keizersgracht in 1969.

Zoals bij zo veel museumcollecties is ook het Amsterdam Pipe Museum ontstaan uit het initiatief van één persoon. In de jaren 1960 en 1970 stond de archeologie ruim in de belangstelling. Het is ongetwijfeld toeval dat de aandacht van de Amsterdamse amateurarcheoloog Don Duco getrokken werd door de kleipijp. Dankzij diens focus, doortastendheid en uithoudingsvermogen is zijn inzet uitgegroeid tot een veelzijdig museum dat zijn collectie vijftig jaar later beheert.

Bij graafwerkzaamheden aan de Keizersgracht tussen de Utrechtsestraat en de Reguliersgracht werd in de nazomer van 1969 een grote beerput aangetroffen, gevuld met kroegafval uit de eerste helft van de zeventiende eeuw. Die archeologische vondst was aanleiding tot het verzamelen van kleipijpen. Het bouwrijp maken van de Bijlmermeer was een andere stimulans voor de verzameling, aangezien massaal grondverzet veel bodemvondsten aan de oppervlakte bracht. De nieuwsgierigheid naar de herkomst en ouderdom van de gevonden pijpen leidde Duco naar de archieven. De combinatie van verzamelen en onderzoek is door de jaren heen een kenmerk van ons museum gebleven. Het bijeenbrengen van voorbeelden van de materiële cultuur naast het ontdekken en blootleggen van de historische achtergrond van productie, handel en gebruik is een waardevolle kruisbestuiving.

Het archeologische materiaal werd al gauw met historische pijpen uitgebreid om een betere vergelijking te kunnen maken. Om inzicht in de productietechniek te krijgen, werd ook een verzameling pijpenmakersgereedschap aangelegd. Bij die uitbreidingen gingen onderzoek en verzamelen steeds hand in hand. Zo werd een encyclopedische collectie aangelegd die sterk op inventarisatie van het materiaal was gericht. Een werkwijze kenmerkend voor de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw.

Expositie in Pijpenkamer

03-a01-10-musea-pijpenkamer-1975-11
Expositie in de Pijpenkamer

Achterin Galerie Icon aan het Frederiksplein in Amsterdam opende in juni 1975 de Pijpenkamer, een permanente expositie van deze particuliere verzameling kleipijpen. Initiatiefnemer was Don Duco, verzamelaar en onderzoeker in hart en nieren. Galeriehouder Niels Augustin bood hem de gelegenheid om de expositie in te richten. In dit vertrek waren de wanden voorzien van zes hangvitrines die een overzicht toonden van de kleipijp. Per thema gerangschikt en geëxposeerd op groen jute gaven zo'n vierhonderd uiteenlopende pijpen een beeld van de vormenrijkdom en decoratiegeschiedenis van de kleipijp uit West-Europa.

Daarnaast werd in enkele legvitrines de geschiedenis van het roken getoond met tabacologische objecten en andere curiosa rondom dit gebruik. Eén wand was gereserveerd voor de techniek van het pijpenmaken. Hier stond een werkbank met pijpmakersschroef compleet met de bijbehorende gereedschappen, inclusief droogplanken en pijpenpotten en wat meer bij de productie werd gebruikt. Ingelijste prenten en foto's gaven toelichting op het fabricageproces.

De Pijpenkamer achterin Galerie Icon was vijf dagen per week gratis te bezoeken. Naast de expositie werden er demonstraties pijpenmaken gehouden en konden bezoekers er terecht voor determinaties van pijpen en tabakscuriosa. De tentoonstelling leverde een belangrijke bijdrage aan de interesse voor het onderwerp. Voor die tijd gold de Pijpenkamer als een toonaangevende collectie met een brede variatie, zowel in kringen van privéverzamelaars als in vergelijking met de musea. De opening van de Pijpenkamer vond overigens plaats kort na het vertrek van het Niemeyer Nederlands Tabacologisch Museum aan de Amstel in Amsterdam. Daarmee was de Pijpenkamer uniek in West-Nederland.

Verzamelen en onderzoek in de eerste fase

Over het onderwerp kleipijpen was in de jaren 1970 weinig bekend. Het laatste Nederlandse boek over de historie van de pijp dateerde van 1942, daarna verschenen alleen enkele algemene werken over de tabak. Overigens vormde ons land daarin geen uitzondering, de tabakspijp was nooit onderwerp van serieuze studie geweest. De eerste fase van het museum kenmerkt zich daarom door inventarisatie van materiaal en kennis. Een uniek initiatief aangezien geen enkel museum of archeologische dienst hier aandacht voor had. Naast het verwerven van objecten werd een bibliotheek aangelegd met boeken en alle denkbare documentatie over het onderwerp.

Een belangrijke stimulans voor het onderzoek vormde de eigen collectie die in feite de inventarisatie van de Nederlandse pijp was, naar merken, modellen en decoraties. De pijpenmerken lijken de sleutel tot het achterhalen van de maker, maar in de archieven is nooit opgeschreven wat een pijpenmaker precies maakt; alleen zijn beroep wordt vermeld. De puzzel om merken en makers met gefundeerde bewijzen te combineren is in deze periode begonnen en zou pas decennia later eindigen. Tientallen gravers, jong en oud, droegen bij aan deze inventarisatie door hun vondsten in het museum te tonen of te doneren. In de loop van de jaren werd de ontwikkelingsgeschiedenis van de kleipijp helder.

In 1975 bij de opening van de Pijpenkamer start ook de uitgave van het kwartaalblad Pijpelijntjes, de eerste gespecialiseerde periodiek over kleipijpen ter wereld. Van mededelingenblad groeide dit al snel uit naar een tijdschrift met meer serieuze studies over de kleipijp. Tien jaargangen verschenen met een breed scala aan artikelen. De index met duizenden trefwoorden is illustratief voor de diepgang van dat tijdschrift, zeker gezien de periode van verschijnen. Het blad heeft veel verzamelaars gestimuleerd meer achtergrond aan hun hobby te geven.