Between masterpiece and presentation pipe

Author:
Don Duco

Original Title:
Tussen meesterstuk en presentatiepijp

Publication Year:
2015

Publisher:
Amsterdam Pipe Museum (Stichting Pijpenkabinet)

Description:
About a curious hand made clay pipe of exceptional large size that has received renewed attention in the decades that it has been known. It has therefore become an iconic object in the history of the excavation pipe and tobacco use in general.

Een van de dikwijls gepubliceerde pijpen is deze grote tabakspijp waarvan de kop en de steel overdekt zijn met stempels (afb. 1a-p). Het gaat om een Haarlemse bodemvondst die al ruim voor het jaar 1950 tevoorschijn kwam. Wie de publicaties uit de afgelopen decennia volgt, ziet de verschuiving in de kennis rond dit voorwerp. Aanvankelijk wordt de pijp gezien als een groepspijp waaruit de vroegste rokers gelurkt hebben, een pijp die rondgaat in de kring. In de jaren zestig wordt de pijp beschouwd als een meesterstuk of gildestuk afkomstig uit Gouda, gemaakt door een nieuwbakken pijpenmaker om zijn vakmanschap te bewijzen. Later krijgt de pijp het predicaat presentatiepijp, geen gebruiksvoorwerp maar een object om te worden tentoongesteld, om aandacht te krijgen en indruk te wekken. Uiteindelijk volgt pas na vijftig jaar een definitieve determinatie. Zo werpt ieder decennium nieuw licht op het voorwerp, terwijl er altijd onbeantwoorde vragen blijven. Aan de hand van één object doorlopen we die tijd.

De beschrijving van deze bijzondere kleipijp luidt als volgt. Tabakspijp van groot formaat met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel met op vijf centimeter van de ketel een schijfvormige knoop. De ketelopening is afgewerkt met een filtradering. Meest opmerkelijk aan deze pijp is wel het formaat. De pijpenkop is acht centimeter hoog, met een doorsnee van ruim vier centimeter. De diameter van de steel meet twee en een halve centimeter. Ter vergelijking: een reguliere dubbelconische pijpenkop uit die periode is circa vier centimeter hoog en heeft een diameter van twee centimeter. Het voorwerp is dus tweemaal groter dan gebruikelijk en dat is uitzonderlijk.

01-20.536-gezelschap-li-01
Afb. 1a APM 20.536.
01-20.536-gezelschap-li-02
Afb. 1b  APM 20.536

Tamelijk ongebruikelijk is de pijpenkop bestempeld met het hielmerkstempel van de LI initialen gescheiden door een stip. Op de steel gaat de stempeling over in ruiten gevuld met een Franse lelie. De hiel is heel geraffineerd rondom ingesneden en heeft daardoor een gekartelde buitenrand gekregen, nog extra gemarkeerd door een omgaande radering. Dat laatste is niet bepaald het toppunt van schoonheid omdat het sommige stempels doorsnijdt. Op de vlakke onderzijde van de hiel is driemaal het makersmerk leesbaar ingedrukt, twee anderen stempels geven slechts een contour. De schijfvormige knoop in de steel is met schuins geplaatste radiale raderingen versierd, terwijl over het dikste punt een radering rondom loopt. Het steeleind draagt na de leliestempels een band met gekruiste raderingen tussen twee concentrische raderingen. Het laatste stuk vertoont ingesnoerde licht gebolde ringen afgezoomd met raderingen. Hoe de rest van de steel er uit heeft gezien weten we niet.

Over de wijze waarop deze pijp is gemaakt heeft niemand zich tot nog toe geuit. De standaard kleipijp wordt als serieproduct in een tweedelige metalen vorm geperst. Daarvan is hier geen sprake. Wie het product zorgvuldig bestudeert ziet dat het voorwerp volledig handgemaakt is. De pijpenkop is geboetseerd en de steel is met de hand gerold. Beide onderdelen zijn bij de opgeknede ring aan elkaar gezet. De steelring is dus niet alleen een esthetische toevoeging maar heeft ook een technische functie. Over de vervaardiging heeft de pijpenmaker goed nagedacht en de pijp vertoont duidelijke sporen van vaardige handen die met snelheid hebben gewerkt. Kennelijk werkte de maker vanuit een zekere ervaring, waardoor geen enkel spoor van uitproberen, experiment of opnieuw beginnen te zien is. Het is daardoor ondenkbaar dat dit product een unicum is. Wanneer zo’n artikel eenmaal ontwikkeld is, worden zonder twijfel meerdere exemplaren gemaakt al zal de oplage altijd beperkt gebleven zijn gezien de tijd die nodig is dit voorwerp te maken.

01-20.536-gezelschap-li-04
Afb. 1c APM 20.536 
01-20.536-gezelschap-li-06
Afb. 1d APM 20.536
01-20.536-gezelschap-li-07
Afb. 1e APM 20.536

De LI-pijp is dus een smaakmakend object dankzij de handgemaakte vormgeving, het formaat en de aantrekkelijke bestempeling met merktekens. De pijp verschijnt voor het eerst op de tentoonstelling ingericht door Georg Brongers tijdens het World Tobacco Congress in Amsterdam. Deze kortlopende expositie wordt in september 1951 gehouden ter ere van een internationaal publiek. In de catalogus vinden we dit voorwerp heel toepasselijk onder nummer 1 beschreven: "Stenen pijp geheel bezet met merken. De pijp heeft vermoedelijk als vergroot model gediend. 17e eeuw". Het voorwerp wordt tentoongesteld in de sectie "Oudste Nederlandse pijpen”.[1] De aanduiding "vergroot model" maakt niet heel goed duidelijk wat de exposant hiermee bedoelde. Gezien de beperkte kennis over kleipijpen op dat moment is deze wat diffuse beschrijving echter wel begrijpelijk. Let er ook op hoe dan nog van stenen pijp gesproken wordt, het zou nog decennia duren eer het woord kleipijp in gebruik komt. Op dat moment bevindt de betreffende pijp zich in de particuliere verzameling van Brongers, die dan al bekend staat als een toegewijde verzamelaar van tabacologie. Hij is als specialist en inrichter van de sectie tabakscuriosa bij dit congres betrokken.

Na de tentoonstelling gaat de pijp naar Middelstum terug waar deze onderdeel blijft uitmaken van de collectie tabaksvoorwerpen van G.A. Brongers. Daar wordt de pijp zo nu en dan getoond aan gasten van Brongers en wordt bij dit object het verhaal van samen roken en de pijp doorgeven verteld. Tot publicatie komt het voorlopig niet. Dankzij de contacten met de tabaksindustrie die inmiddels gelegd zijn besluit Brongers een aantal jaren later een deel van zijn collectie uit te lenen aan de Niemeyer fabriek in Groningen. Vanaf 1958 staat dat in kleine kringen bekend als Niemeyer Tabacologisch Museum. Dat bedrijfsmuseum zal tot 1963 in de fabriek gevestigd blijven, vooral om fabrieksrelaties te onderhouden.

01-20.536-gezelschap-li-08
Afb. 1f APM 20.536
01-20.536-gezelschap-li-09
Afb. 1g APM 20.536

In 1964 geeft Brongers een professionele wending aan zijn carrière in de tabacologie. Ten eerste brengt hij in gemeld jaar op verzoek van én gefinancierd door de Niemeyer tabaksfabriek een standaardwerk uit met als titel Nicotiana Tabacum.[2] Het boek zou decennia lang de mooiste publicatie over de cultuurhistorie van de tabak blijven. In zo’n belangrijk werk mag een opvallende kleipijp als die hier besproken LI-pijp niet ontbreken. Het object kreeg als onderschrift het volgende mee: "Large 17th century clay pipe, probably made at Gouda as a master-piece by a prospective member of the Guild". De pijp wordt echter zonder tekstverwijzing gepubliceerd en is daardoor bijna tot bladvulling gedegradeerd. Belangrijk is alleen dat de functie opnieuw geduid wordt, nu als meesterproef zij het dat het woord vermoedelijk daaraan voorafgaat. Niet langer is sprake van een vergroot model, maar het gaat nu om een gildestuk. Een object dat dus uit Gouda of uit Gorinchem komt, uit andere steden kende men op dat moment nog geen gilde voor pijpenmakers.

01-20.536-gezelschap-li-10
Afb. 1h APM 20.536
01-20.536-gezelschap-li-12
Afb. 1i APM 20.536
01-20.536-gezelschap-li-13
Afb. 1j APM 20.536

In hetzelfde jaar gaat Niemeyer met zijn museale inspiraties een nieuwe fase in. De Groningse tabaksfirma opent aan de Amstel in Amsterdam het Niemeyer Nederlands Tabacologisch Museum. Inmiddels was aan de museumnaam het woord Nederlands toegevoegd, aansluitend bij het uitgangspunt dat het museum de Nederlandse tabakscultuur belicht. Die definitie is altijd zo gebleven, behoudens een stukje in de expositie waarin de oorsprong van het roken in Meso-Amerika en bij de Amerikaanse Indianen aan bod komt. Het oorspronkelijke en bescheiden bedrijfsmuseum is nu een heus museum geworden met vaste openingstijden op twee middagen per week. Vanaf 1964 is onze LI-pijp in vitrine 2 te zien, die als onderwerp de vroegste geschiedenis van het roken in Nederland heeft. Mijn eerste kennismaking met het Niemeyer museum en deze bijzondere pijp is in het najaar van 1969 in het prachtige huis Amstel 57. Mijn interesse in de kleipijp was toen net gewekt naar aanleiding van de dikwijls gememoreerde beerputvondst aan de Keizersgracht in Amsterdam. Het was een jongensdroom deze pijp in het echt te zien, toen nog de superlatief van alle kleipijpen die bekend waren.

Een tweede ontmoeting met dit meesterstuk was tijdens de tentoonstelling "Tabakorama", in Museum Flehite van maart tot september 1970. Gehouden ter gelegenheid van het 150 jarig bestaan van Theodorus Niemeyer NV in Groningen. Kom er nu eens om, een tabaksfirma die ter gelegenheid van zijn anderhalve eeuwfeest een tentoonstelling in een culturele instelling mag maken, drie provincies verder. De catalogus meldt op pagina 13: "Pronkstuk op de tentoonstelling: een zeer grote uit witbakkende klei vervaardigde pijp, geheel bezet met door de maker gevoerde ateliermerken, een fleur de lis en LI, eerste helft 17e eeuw".[3] Hier laat Brongers de functie van het object als meesterstuk achterwege. Niet veel later werd deze expositie opnieuw opgesteld in Leiden, in museum De Lakenhal onder dezelfde titel "Tabakorama" en wel van oktober tot eind november 1971. Zoals dat toen ging bleven de tekstkaartjes bij de objecten bij de vervolgtentoonstelling ongewijzigd.

01-20.536-gezelschap-li-14
Afb. 1k APM 20.536
01-20.536-gezelschap-li-15
Afb. 1l APM 20.536
01-20.536-gezelschap-li-16
Afb. 1m APM 20.536
01-20.536-gezelschap-li-18
Afb. 1n APM 20.536

Aan de Amstel in Amsterdam heeft het Niemeyer Nederlands Tabacologisch Museum tien jaar gefunctioneerd. Toen Niemeyer als gevolg van een fusie het statige pand aan de Amstel verliet, verhuisde ook het museum mee naar Groningen. Dit werd gehuisvest in een historisch achterhuis aan de Brugstraat in Groningen onder hetzelfde dak als het Noordelijk Scheepvaartmuseum. Over vier verdiepingen kon je de geschiedenis van de tabak in Nederland ervaren. In de vaste presentatie op de zolderetage waar de vroegste geschiedenis van het tabaksgebruik geto

ond werd, kwam ook de grote pijp weer terug. Daar vanaf de opening in 1978 gepresenteerd tot aan de sluiting in 2010. In de loop van de jaren veranderde de naam in Niemeyer Tabaksmuseum, terwijl de functie van de LI-pijp in de expositie wat onduidelijk bleef. Het was meer indruk maken met een verschijningsvorm dan het duiden van de betekenis of het gebruik.

Ook in Groningen was de pijp niet altijd te zien. Wanneer tijdelijke tentoonstellingen bedacht werden en dat gebeurde nogal eens, dan verdwenen stukken tijdelijk naar elders. Uiteindelijk was het een bedrijfsmuseum met als eerste taak de promotie van het bedrijf en haar producten. Zo reisde de LI-pijp vaker dan we denken naar musea en expositiecentra in Nederland en daarbuiten, maar wanneer precies en waar is nu niet meer bekend. Een voorbeeld is een tijdelijk verblijf in het Turfschip in Breda op de tentoonstelling "Toeback-Tabak" in april 1981. De pedigree van de eigenaren van dit voorwerp sinds het is opgegraven mag dan bekend zijn, het overzicht van de exacte verblijfplaats is dus minder compleet dan we zouden wensen.

01-20.536-gezelschap-li-23
Afb. 1o APM 20.536
01-20.536-gezelschap-li-24
Afb. 1p APM 20.536

In de jaren 1980 bleef de achtergrondbetekenis van deze pijp nog in nevelen gehuld. Alleen over de datering was men het eens, ergens tegen het midden van de zeventiende eeuw. Deze relatief late datering was gebaseerd op het voorkomen van de ringstempels aan het eind van de steel, net voor de steelbreuk. Dergelijke versieringen komen pas in de jaren 1640 in gebruik. Hoewel het ketelmodel op een vroegere datering wijst is dat dus een misleiding. Bij het modelleren met de hand was het buitengewoon moeilijk op groot formaat tot een zuivere kopie van een gewone tabakspijp te komen.

Het doel ofwel het gebruik van het voorwerp stond nog wel ter discussie. Het feit dat het om een meesterstuk handelt, een pijp gemaakt door een aankomende meesterpijpenmaker, bleef lang een plausibele verklaring. Na een paar jaar als leerling pijpenmaker te hebben gewerkt moet je in staat zijn zo’n opvallend voorwerp te maken als afsluiting van je leertijd, zo was de veronderstelling. Een logische en voor een museumbezoeker gemakkelijk te begrijpen functie. Zo beeldt publicist Helmut Hochrain in Das Lexikon des Pfeifenrauchers de betreffende pijp af met als bijschrift: "Tonpfeife, holländisch. Wahrscheinlich Gesellenstück eines angehenden "Pfeifenbäckers". Das über die ganze Pfeife verteilte Lilienmuster ist bei Stücken dieser art sehr selten".[4] Hierin lezen we dat er meer van dergelijke meesterstukken bekend zijn, dit exemplaar is echter opvallend vanwege het overvloedige gebruik van stempels.

Inmiddels waren de pijpenonderzoekers overtuigd dat er niet van een meesterstuk sprake kon zijn. In de pijpenmakersgilden in de Hollandse Randstad, vanaf 1978 met de stad Leiden uitgebreid, waren de eisen voor lidmaatschap louter op vakmanschap en productiesnelheid gericht.[5] Een nieuwbakken pijpenbakker moest in staat zijn productie te leveren, het was in het geheel niet van belang dat men een uitzonderlijke pijp kon boetseren. De LI-pijp moet een meer prestigieuze achtergrond hebben gehad, een persoonlijk object door een maker bedacht om een reclamedoel te dienen voor zijn bedrijf of om zijn eigen aanzien te vergroten. Een object om een belangrijke klant mee te vereren of om tegen een aantrekkelijke winstprijs te worden verkocht aan iemand die goede sier wilde maken met een bijzondere tabakspijp dan wel een showstuk. Meer curiosa dus dan gebruiksobject, wat ook wel blijkt uit de minimale rooksporen in de ketel van de pijp.

In het Provinciaal Museum van Drenthe in Assen wordt in 1983 een spraakmakende tentoonstelling gehouden met als titel Wolken van Genot. De ondertitel verklaart de inhoud: een cultuurhistorisch overzicht van het tabaksgebruik in Nederland. Deze expositie geeft een nieuwe richting aan veel gevestigde ideeën rondom de historie van de pijp en het tabaksgebruik. De catalogus door Harry Tupan geschreven beeldt ook onze LI-pijp af, niet verwonderlijk want de auteur was een groot liefhebber van kleipijpen en een goede bekende van Brongers. Op pagina 37 lezen we: "Presentatiepijp, klei, eerste helft 17e eeuw. Deze te Haarlem gevonden kleipijp is over de gehele oppervlakte bezet met het merk LI en een in een ruit geplaatste Franse lelie. Mogelijk een produkt van de Amsterdamse pijpmaker Laurens Jonas (h= 6,3 cm, l= 22,5 cm) ". Met het herbenoemen van de pijp tot presentatiepijp neemt ook Tupan afstand van de functie als gildestuk. Tevens verzet hij zich tegen het woord etalagepijp, dat hij als aanduiding te beperkt en vooral historisch gezien niet juist vond. Inmiddels is het onderzoek naar de Nederlandse pijpennijverheid in een stroomversnelling gekomen. Archiefvondsten maakten namen en data van makers bekend.[6] Het combineren en toeschrijven van initiaalmerken aan personen was bonton geworden. Dat zien we ook hier, al is dat benoemen vaak wel wat voorbarig. In dit geval bijvoorbeeld was de gemelde maker in Amsterdam een persoon in de zijlijn, die zijn brood als knecht verdiende en dus zelf niets te presenteren had.

02-10.639-handvorm-reuzenkop-01
Afb. 2a APM 10.639
02-10.639-handvorm-reuzenkop-02
Afb. 2b APM 10.639
02-10.639-handvorm-reuzenkop-03
Afb. 2c APM 10.639
02-10.639-handvorm-reuzenkop-10
Afb. 2d APM 10.639

Voor de reizende exposities die Niemeyer dikwijls verzorgde, bedacht conservator Brongers een systeem om de voorwerpen snel op orde te krijgen en de inrichting ter plekke door assistenten te kunnen laten verrichten. Om die reden kregen themavitrines een letter, de voorwerpen werden van elkaar onderscheiden door volgnummers. Dat zien we op de LI-pijp terug. Twee nummers komen voor, een ouder CC043 en meer recent DD116 in rode en zwarte inkt bedekt met lak. Ironisch is wel dat deze nummering die door de hele collectie liep de voorwerpen weliswaar onderscheidenlijk maakte, maar meer dan vermelding van een regel op een lijst is er aan beschrijving niet. Een leuk weetje is nog de gedachte van toen over de waardebepaling van de voorwerpen uit de reizende tentoonstelling. Zo noteert Brongers in 1981 voor de LI-pijp een verzekeringswaarde van vierduizend gulden. Dertig jaar later taxeerde veilinghuis Christie’s de pijp opnieuw, voor een prijs te gênant om hier te vermelden. Overigens zit het belang van een dergelijk voorwerp naast de zeldzaamheidswaarde vooral in de discussies die het voorwerp opwekt en de historische les die het ons kan leren.

In de jaren negentig komt geen spraakmakende nieuwe informatie over dit object vrij. Brongers verlaat het Niemeyer museum, Tiemen Helperi Kimm treedt in zijn plaats. Deze koesterde meer liefde voor volkskunst dan voor archeologie. Wel bleef het object in dezelfde vitrine opgesteld staan, daarnaast figureerde het in de algemene pijpenliteratuur. Zo zien we in het grote pijpenboek van Levardy, vooral gericht op de Hongaarse collectie Osskó, deze pijp terugkomen.[7] De nieuwe tekening doet geen recht aan het voorkomen, het model lijkt eerder Engels dan Nederlands van aard, terwijl het bijschrift bij de illustratie ook niet geheel correct is.

Tijdens mijn eigen meerjarige onderzoek naar de Nederlandse pijpennijverheid ben ik er eind jaren negentig in geslaagd de LI-pijp plausibel te determineren. Dankzij het eindeloos combineren van lokale merken van pijpenmakers met namen uit het archief heb ik een min of meer sluitende toeschrijving van deze pijp. Het is duidelijk geen Gouds product en evenmin een pijp uit Amsterdam. Haarlem als productieplaats lijkt logisch, omdat de pijp daar is gevonden. Het Haarlemse type kleipijp is echter anders en bovendien zijn er geen pijpenmakers die corresponderen met de initialen LI. Maker moet Leendert Jansz. uit Rotterdam zijn, zoon van Jan Harcksz. Stierman, als pijpenmaker actief van voor 1626 tot na 1649. Het is verleidelijk te veronderstellen dat hij een broer van de bekende Rotterdamse pijpenmaker Hendrick Jansz. is, maar dat is niet zeker. Hoe de pijp vanuit Rotterdam naar Haarlem is gekomen, is onduidelijk maar zeker onverwacht. Haarlem was in die periode sterker op Amsterdam georiënteerd en zeker niet op Rotterdam.

03-19.316-dubbelconisch-bestempeld-01
Afb. 3a  APM 19.316
03-19.316-dubbelconisch-bestempeld-03
Afb. 3b  APM 19.316

In 2011 wordt het Niemeyer Tabaksmuseum opgeheven. Tabaksfabrieken mochten niet langer goede sier maken door onder het mom van cultuur sluikreclame voor hun producten te maken. Het museum had als marketinginstrument afgedaan en moest sluiten. De kerncollectie van het Niemeyer museum gaat over naar het Amsterdam Pipe Museum, in die jaren nog Pijpenkabinet geheten.[8] De komst van juist deze pijp, die daar al zo lang in het vizier was, is een heugelijk wapenfeit. In Amsterdam met zijn sterk encyclopedische collectie wordt deze bijzondere bodemvondstpijp in een reeks tussen soortgelijke objecten geplaatst. De oudste daarvan stamt uit de tijd van de eerste generatie rokers (afb. 2).[9] Dit object representeerde hetzelfde streven van de pijpenmaker iets uitzonderlijks te maken zowel qua formaat als qua uitvoering. Ook in dit stuk zie je duidelijk het zoeken naar een balans in het ketelmodel, heel weifelend doordat het formaat ongebruikelijk groot is en de maker zijn overzicht verliest. Bij deze vroege pijp dienen de merken op de pijpenkop hetzelfde doel namelijk de oneffenheid van het oppervlak te verdoezelen. Beide pijpmodellen hebben een wat instabiele vorm, inherent aan het handvormen, al is juist dat ook een onmiskenbare charme.

03-19.316-dubbelconisch-bestempeld-05
Afb. 3c  APM 19.316
03-19.316-dubbelconisch-bestempeld-07
Afb. 3d  APM 19.316
03-19.316-dubbelconisch-bestempeld-09
Afb. 3e  APM 19.316
03-19.316-dubbelconisch-bestempeld-10
Afb. 3f  APM 19.316

Uit dezelfde periode als de LI-pijp stamt een meer standaard formaat tabakspijp, nu wel in een persvorm gedrukt, maar met vergelijkbare stempelingen opgesierd (afb. 3). Let vooral op de vlotte tekening van het engeltje aan de keerzijde van de pijpenkop, een onverwachte persoonlijke toevoeging van de maker. Ook de bekende knoop in de steel ontbreekt hier niet. Tenslotte refereert een latere pijp nog aan hetzelfde concept (afb. 4).[10] Hier zien we dat de ketel zich inmiddels verhoogd heeft overeenkomstig de standaardpijpen uit de periode na 1650. Opnieuw is ook een knoop in de steel aangebracht. Het stempelen van het hielmerk en het steelstempel is hier wat minder kwistig gebeurd. Alleen de ketelbasis en de steel zijn opgesmukt en naast het gangbare merkstempel gebruikte de maker ook een oud stempel met de goudsbloem. Bijzonder is hier het speciaal vervaardigde hielmerkstempel waarvan het formaat is aangepast aan de diameter van de hiel. De voorstelling in dit merk is nog altijd een raadsel.

04-17.313-presentatiestuk-haseldoc-01
Afb. 4a  APM 17.313
04-17.313-presentatiestuk-haseldoc-02
Afb. 4b APM 17.313
04-17.313-presentatiestuk-haseldoc-03
Afb. 4c APM 17.313
04-17.313-presentatiestuk-haseldoc-06
Afb. 4d APM 17.313

Deze maand viert het Amsterdam Pipe Museum zonder enige tamtam het feit dat onze pijpencollectie veertig jaar voor bezoek geopend is. De geschiedenis rond de museumvoorwerpen gaan uiteraard veel verder terug dan die vier decennia. Dit artikel laat zien dat de betekenis van objecten door de tijd verandert waarbij vaak ook het belang verschuift. Het geeft aan dat de kennis nog altijd in beweging is en vermoedelijk ook altijd in beweging zal blijven. De benadering verandert, de studie verdiept zich, de mening wordt kritischer en de taal dat uit te drukken vaardiger. In onze online database staan alle bovengenoemde feiten vermeld, keurig geordend en op chronologische volgorde. Toch kan niet iedere gebruiker daaruit het verhaal componeren, want die losse feiten laten zich niet eenvoudig met elkaar verbinden. Om die reden is dit artikel geschreven.

Toevallig gaat deze maand de LI-pijp weer op reis. Nu naar ’s-Hertogenbosch waar in het Noord-Brabants Museum een tentoonstelling wordt ingericht met als titel "Uit verre landen, koffie, thee en andere koloniale waren". Dat de tabak inmiddels geen hoofdmoot meer is heeft met het tijdsgewricht te maken. Van juni tot september dit jaar zal de LI-pijp daar te zien zijn en dat is mooi want in Amsterdam is het een depotstuk. De tijd veranderde niet veel, voorwerpen reizen nog immer en zijn steeds weer onder andere omstandigheden te zien. Tegelijkertijd wordt ook de betekenis van het object naar de kennis van het moment geduid, al blijven de laatste raadsels over het object en zijn gang door de tijd nog open.

 

© Don Duco, Amsterdam Pipe Museum, 2015.

 

Afbeeldingen

1.       a-p.  Tabakspijp, handgevormd met grote dubbelconische ketel, hiel en rechte steel met schijfvormige knoop. Versierd met bestempelingen. Rotterdam, Leendert Jansz., 1635-1650.
Amsterdam Pipe Museum APM 20.536

  1. a-d.  Tabakspijp, handgevormd met vormeloze ketel en hiel. Versierd met stempels. Rotterdam, 1595-1620.
    Amsterdam Pipe Museum APM 10.639
  2. a-f.  Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en knoop in de steel en bestempeld met hielmerk gekroonde roos en een ingekrast portretje. Hoorn, 1620-1630.
    Amsterdam Pipe Museum APM 19.316
  3. a-s.  Tabakspijp, handgevormd met slanke dubbelconische ketel, hiel en knoop in de steel. Ketelbasis en steel versierd met gestempelde motieven. Gouda, Thiel Jansz. Proost, 1655-1665
    Amsterdam Pipe Museum APM 17.313

 

Noten

[1]     World Tobacco Congress; Congres Mondial du Tabac; Wereldcongres voor tabak, Exhibition Catalogue, Catalogue de l'Exposition, Catalogus van de Tentoonstelling, Amsterdam, 1951, p 147, nr. 1.

[2]     G.A. Brongers, Nicotiana Tabacum; The History of Tobacco And Tobacco Smoking in the Netherlands, Groningen, 1964, p 46.

[3]     G.A. Brongers, Tabakorama, Groningen, 1969, p 13.

[4]     Helmut Hochrain, Das Lexikon des Pfeifenrauchers, München, 1984, p 125.

[5]     Don Duco, "Sleutelstad-pijpenstad, De Leidse pijpenindustrie in de zeventiende eeuw", Pijpelijntjes IV/2, april/juni 1978, p 4.

[6]      D.H. Duco, De Kleipijp in de Zeventiende Eeuwse Nederlanden, Oxford, 1980.

[7]      Ference Levárdy, Our pipe-Smoking Forebears, Budapest, 1994, p 28. Dit exemplaar.

[8]      Don Duco, "Aanwinsten uit het Niemeyer Tabaksmuseum", Nieuwsbrief Pijpenkabinet, 8/15, mei 2011.

[9]      Don Duco, "Nieuw in de kollektie: Een handgevormde pijpenkop", Leiden, Vlugschrift, Vrienden van het Pijpenkabinet, 2-3, 1989, p 13/14. Dit exemplaar.

[10]    Don Duco, Object van de maand, Amsterdam, 2001, februari 2004, nr. 33. Beknopte bespreking van dit exemplaar.