The dating of pipe finds across Europe, a guideline

Author:
Don Duco

Original Title:
Het determineren van pijpvondsten verspreid over Europa, een richtlijn

Publication Year:
1999

Publisher:
Stichting Pijpenkabinet

Description:
Method for determining pipe finds by analyzing the model and, starting from the Gouda pipe, to determine in four steps where a clay pipe can be made.

Inleiding
De vondst van een kleipijp kan voor de archeologie van groot belang zijn. Een pijpvondst is dikwijls betrekkelijk nauwkeurig te dateren en geeft bovendien de mogelijkheid andere gegevens uit het verleden te achterhalen. Zo kan de kwaliteit van de pijp een indicatie voor een sociale laag zijn en meer over de smaak van de roker zeggen. De uiterlijke kenmerken van de pijp informeren ons over de technische kennis en vaardigheid van de maker. In groter verband geeft de kleipijp inzicht in het assortiment bij de detailhandel beschikbaar en vertelt meer over de handelsrelaties van dat moment.

Helaas wordt de kleipijp door de archeoloog nog weinig uitgebuit. Hieraan liggen twee redenen ten grondslag. Ten eerste is dat het kennisprobleem, een collectief probleem veroorzaakt door weinig toegankelijke publicaties en een cirkelredenering waarin fouten uit andere bronnen klakkeloos worden overgenomen. Dit leidt vervolgens opnieuw tot verkeerde interpretaties. Ten tweede is er het ervaringsprobleem, een persoonlijke hindernis, veroorzaakt door onbekendheid met het vondstmateriaal. De uiterlijke kenmerken zijn dermate subtiel dat zij niet worden herkend en zo opnieuw tot een onvolledige of foute determinatie leiden.

In dit artikel wil ik een handreiking geven tot het determineren van kleipijpen uit Europese landen waar (nog) weinig archeologische gegevens van bekend zijn. Daarbij ga ik uit van het beginsel dat er een sterke mate van vormbeïnvloeding tussen de verschillende West-Europese produktiecentra heeft plaatsgevonden. Deze beïnvloedingen zijn in veel gevallen nog onbekend. Een feit is wel dat het in Gouda ontwikkelde basismodel uitgangspunt is geweest voor veel regionale vormsoorten. Wanneer de ontwikkeling van dit Goudse model bekend is kan dit als uitgangspunt dienen om via een aantal stappen de determinatie een juiste richting te geven.

Terzijde dient opgemerkt te worden dat het bepaald geen chauvinisme is om de Goudse pijp als uitgangspunt te nemen. Er zijn zelfs meerdere redenen voor. In Nederland is de produktie uit Gouda alles overheersend. In deze stad is door de strakke organisatie van de nijverheid - ondermeer door het bestaan van een gilde - al vroeg van uniforme produktie sprake, ondanks de honderden zelfstandige bedrijven. De uitstraling van Gouda is vanaf 1630 op de Nederlandse markt aantoonbaar. Bovendien heeft vanuit Gouda een belangrijke export plaatsgevonden, waardoor de invloed van deze stad tot ver over de landsgrenzen reikt. Als geen ander produkt werd de Goudse kleipijp bewonderd door het uiterst fijne materiaal, de elegante vormgeving en de zorgvuldige afwerking. Om die kwaliteiten is zij wereldwijd subject van inspiratie maar ook van imitatie geworden. Doordat de historie van de Goudse pijpennijverheid zowel archeologisch als archivalisch goed bestudeerd is, kan hiervan een nauwgezet overzicht worden gegeven.

Een tweede belangrijke internationale invloed kwam vanuit Engeland, doch er is een heel duidelijke reden deze invloed hier niet centraal te stellen. In Engeland was de pijpennijverheid kleinschaliger van opzet. Er was niet zoals in Gouda van fabrieksbedrijven met verregaande specialisatie sprake, maar de nijverheid was veel sterker over het land verspreid in de vorm van een cottage industry. Hierdoor laten zich sterkere locale verschillen onderscheiden. Voor de Engelse archeoloog maakt dat de determinatie van vondsten eenvoudiger, maar het produkt is absoluut minder eenduidig. Hierdoor komt wel incidentele maar geen permanente vormbeïnvloeding in andere gebieden voor. Bovendien zien we in de beïnvloeding lijnen die nu weer eens naar het ene centrum en dan weer eens naar een ander centrum verwijzen. In de toekomst kan hieraan meer aandacht besteed worden, maar in dit artikel komt de Engelse kleipijp slechts zijdelings aan bod.

Het stappenplan
Wanneer we Europese pijpvondsten systematisch willen determineren, moeten we een volgorde kiezen om vragen aan het object te stellen. Daarvoor heb ik een model bedacht, dat de vormbeïnvloeding in logische groepen verdeelt. Iedere groep kenmerkt zich door eenheid in vormbeginsel en deze is kenmerkend voor Gouda of voor een ander nog nader te noemen produktiecentrum. Iedere groep vormt een stap in het proces van het determineren. De vier hoofdgroepen zijn:De zuivere Goudse mode

  1. De rechtstreekse Goudse imitatie
  2. De locale stijl
  3. Invloeden uit andere centra

In dit artikel ligt het accent van de behandeling op stap 1, omdat deze de hoofdlijn in het stappenplan bepaalt. Wij hebben de Goudse kleipijp immers als uitgangspunt gekozen om de Europese kleipijp aan een onderzoek te onderwerpen. De drie volgende stappen worden slechts aan de hand van enkele voorbeelden toegelicht. Onze kennis van de Europese kleipijp is nog vol leemtes en laat het optekenen van een consistent overzicht niet toe. Overigens is het zo dat, wanneer onze kennis van de hoofdgroepen 2 t/m 4 even grondig zou zijn als die van groep 1, dat de tijd rijp zou zijn voor de verschijning van het Europese handboek voor de kleipijp.

Dit artikel beperkt zich tot de vormbeïnvloeding. Dezelfde werkwijze zou evengoed voor de decoratie van de kleipijp uitgewerkt kunnen worden. Aangezien het merendeel van de kleipijpen onversierd is, blijft de gedecoreerde pijp hier echter buiten beschouwing. Verder moet ik mij ook wat betreft de periode beperken en wel tot de tijd rond 1800. De negentiende eeuwse kleipijp is voor de archeologie van minder belang, terwijl de vormvariëteit door de zogenaamde internationale stijl juist oneindig groot en vooral gecompliceerd is.

Stap 1: De zuivere Goudse mode
De hoofdvraag van deze paragraaf luidt: past de vondst in de Goudse produktielijn. Om dit te kunnen beoordelen is het van belang om de evolutie van de Goudse kleipijp te kennen. De ontwikkeling van het kenmerkende Goudse model vangt rond 1625 aan en kent achtereenvolgens drie basismodellen, die een strikte chronologie vormen. Deze basismodellen worden in mijn handboek van 1987 geïntroduceerd.[1] Zij zijn onder invloed van de Hollandse roker bedacht en ontwikkelen zich overeenkomstig het rookgedrag, zij volgen de grootste gemene deler. De kleipijp vertoont daarbij steeds een balans tussen het groeiend gebruik van tabak, toenemend vakmanschap en een streven naar overtreffen in schoonheid en fraaiheid.

01-01.525-dubbelconisch-ic-lelies-1
Afb. 1a. APM 1.525
01-01.525-dubbelconisch-ic-lelies-2
Afb. 1b. APM 1.525
01-01.525-dubbelconisch-ic-lelies-3
Afb. 1c. APM 1.525
01-01.525-dubbelconisch-ic-lelies-4
Afb. 1d. APM 1.525

De kleipijp kenmerkte zich tussen 1580 en 1620 door een nog niet gedefinieerde vorm, pas rond 1620 zet stabilisatie en uniformering van het model in. Basismodel 1 wordt uit diverse uiteenlopende modellen geboren en raakt tussen 1615 en 1625 algemeen ingeburgerd (afb. 1-3). Vanaf de aanvang vertoont dit basismodel een afgewogen vorm gekenmerkt door een dubbelconische ketellijn en een vlakke ronde hiel met stoep als overgang naar de steel (afb. 1). Het ketelformaat staat steeds in relatie tot de steellengte. Naast het gangbare gemiddelde formaat komen kleinere uitvoeringen voor, evenals grotere versies. Het klakkeloos dateren naar formaat plaatst kleinere uitvoeringen dus te vroeg, terwijl de grotere versies te recent gedateerd worden.

02-01.440-dubbelconisch-vogel-gt-1
Afb. 2a. APM 1.440
02-01.440-dubbelconisch-vogel-gt-2
Afb. 2b. APM 1.440
02-01.440-dubbelconisch-vogel-gt-3
Afb. 2c. APM 1.440
02-01.440-dubbelconisch-vogel-gt-4
Afb. 2d. 

In de afwerking van het produkt onderscheiden we twee specifieke kwaliteiten, die we aanduiden met respectievelijk grove en fijne pijpen. De goedkopere grove pijp is doorgaans minder modelzuiver en eenvoudig van afwerking. Wanneer een radering of filtgroef is aangebracht, gebeurde dit alleen aan de steelzijde van de ketelopening. Het produkt is verder ongemerkt en niet met agaatsteen gepolijst noch op andere wijze glad gemaakt.

03-19.567a-bodem-gouda-dubbelconisch-wapen-amsterdam-1
Afb. 3a. APM 19.567a
03-19.567a-bodem-gouda-dubbelconisch-wapen-amsterdam-3
Afb. 3b. APM 19.567a

De betere kwaliteit kleipijp straalt een grotere schoonheid uit. Het model is fraaier afgewogen en volgt de mode meer nauwgezet. Vooral in de afwerking uit zich de kwaliteit. De radering bij de ketelopening wordt rondom aangebracht en het produkt is zonder uitzondering van een hielmerk voorzien. Verder is het oppervlak van de pijp gepolijst terwijl het zwaartepunt van de steel van een decoratie is voorzien. Deze vinden we aanvankelijk alleen op de bovenzijde van de steel (afb. 1-2). Vanaf circa 1650 wordt zij rondom aangebracht (afb. 3). Uiteraard komt in alle afwerkingen een meer zorgvuldige werkwijze naast een meer zorgeloze voor, hetgeen tot de bedrijfseigen kenmerken behoort.

De evolutie van basismodel 1 wordt hoofdzakelijk bepaald doordat de tabak bij grotere hoeveelheden gerookt wordt en dienovereenkomstig neemt de ketelinhoud steeds iets toe. Tegen het midden van de zeventiende eeuw groeit het aandeel rokers onder de welgestelderen en krijgt de pijp meer aandacht als statusobject. Dan wordt een zorgvuldiger afgewerkte pijp gemaakt, waarvan de steel zo'n vier duim langer is met een hogere verkoopprijs. Deze nieuwe kwaliteitsgroep wordt met porceleijne pijpen aangeduid (afb. 4). De benaming benadrukt de fijnheid die met het dan fel begeerde oosterse porselein wordt vergeleken. Basismodel 1 is populair van 1620 tot ongeveer 1680. Daarna wordt zij geleidelijk door een nieuw model van de markt gedrongen.

04-03.471a-dubbelconisch-bril-1
Afb. 4a. APM 3.471a
04-03.471a-dubbelconisch-bril-3
Afb. 4b. APM 3.471a
04-03.471a-dubbelconisch-bril-4
Afb. 4c. APM 3.471a

Basismodel 2 ontwikkelt zich uit basismodel 1 en komt voort uit de behoefte meer tabak per pijp te roken (afb. 4-5). Door de ketel aan de bovenzijde te verwijden wordt deze vergroot en hierdoor verdwijnt de dubbelconische grondvorm en krijgt de pijpekop gaandeweg een trechtervormig voorkomen. Was het woord dubbelconisch synoniem aan basismodel 1, het woord trechtervorm is voorbehouden aan basismodel 2. Doordat de trechtervorm een dunnere ketelwand mogelijk maakt, wordt de pijpekop lichter van gewicht en kan dienovereenkomstig ook de steel dunner worden zodat de kleipijp een eleganter voorkomen krijgt. Deze vormverandering vindt geleidelijk plaats en speelt zich tussen 1680 en 1700 af.

05-04.581-gouda-trechtervorm-harp-1
Afb. 5a. APM 4.581
05-04.581-gouda-trechtervorm-harp-2
Afb. 5b. APM 4.581
05-04.581-gouda-trechtervorm-harp-3
Afb. 5c. APM 4.581

Door de produktveredeling wordt ook de differentiatie tussen de drie kwaliteiten sterker afgebakend. De fijne en porceleijne kwaliteit staan dicht naast elkaar. Het onderscheid zit in het feit dat bij de fijne pijp alleen de ketel met agaat is gepolijst. Bij de porceleijne pijp worden ketel en steel geglaasd en na het bakken worden deze produkten met een waslap nog eens extra opgewreven om de porseleinglans te benaderen.

Tegenover deze twee soorten staat de grove kwaliteit, die met een eigen minder modieus model geen verfijnd voorkomen heeft. Bij deze categorie verdwijnt de hiel gaandeweg en maakt plaats voor een puntige vorm, die we met spoor aanduiden. Soms wordt het pijpenmakersmerk in reliëf op de ketelzijde aangebracht. Bij deze grove produkten is de radering alleen nog aan de voorzijde van de ketel aangebracht, vaak in de vorm van een filtgroef. Basismodel 2 kent geen lange periode van populariteit en verdwijnt tussen 1720 en 1740 van de markt. Ten dele kunnen we in dit model een overgangsvorm tussen basismodel 1 en basismodel 3 zien.

06-02.642c-gouda-ovaal-pijlenbundel-1
Afb. 6a. APM 2.642c
06-02.642c-gouda-ovaal-pijlenbundel-2
Afb. 6b. APM 2.642c
06-02.642c-gouda-ovaal-pijlenbundel-4
Afb. 6c. APM 2.642c
06-02.642c-gouda-ovaal-pijlenbundel-5
Afb. 6d. APM 2.642c

Tussen 1720 en 1740 vergroot de ketel zich opnieuw en zijn de buitenlijnen van de ketel omwille van een forsere inhoud in symmetrie gebracht. Hierdoor is een perfecte ovaalvorm ontstaan (afb. 6-7). Deze vormsoort duiden we aan met basismodel 3 en hiermee heeft de Goudse kleipijp haar maximale elegantie bereikt. Aanvankelijk is het model van de ketel nog wat weifelend en vooral slank ovaal. Rond 1740 heeft zij haar volwassen vol-ovale vorm gekregen en wijzigt dan nog slechts in detail. Alleen verlenging van steel en vergroting van de ketel verandert het voorkomen van de pijp. Vanzelfsprekend komen ook bij dit produkt formaatverschillen voor, de miniatuurvorm inclusief. Wat dat betreft moeten we ons dus bij het dateren zeker alleen niet op de grootte van de pijp richten. Basismodel 3 zal tot in de twintigste eeuw populair blijven en minimale verschillen geven de mogelijkheid tot nauwkeuriger dateren.

07-00.915a-gouda-ovaal-54-gekroond-1
Afb. 7a. APM 915a
07-00.915a-gouda-ovaal-54-gekroond-2
Afb. 7b. APM 915a
07-00.915a-gouda-ovaal-54-gekroond-3
Afb. 7c. APM 915a
07-00.915a-gouda-ovaal-54-gekroond-5
Afb. 7d. APM 915a

Het model van de Goudse pijp is na 1675 zo kenmerkend en vooral ook gestandaardiseerd dat het nauwelijks een probleem is vast te stellen of er sprake is van een Goudse verdienste of een produkt uit een ander centrum. Het zorgvuldig letten op kenmerken die wijzen op een grootschalige seriële produktie is de voornaamste beoordelingsfactor. Ik duid daarbij op het feit dat alle handelingen aan de pijp verricht op eenzelfde routinematige wijze tot stand zijn gekomen. Vanzelfsprekend dient het oog hierbij een zekere mate van geoefendheid te bezitten en de waarde van determinatie wordt mede bepaald door de ervaringsdeskundigheid van de onderzoeker.

Basismodellen 1 tot en met 3 zijn volledig de verdienste van de Goudse pijpenmaker. Naast deze produkten zijn er tal van tussenvormen gemaakt. Enerzijds zijn dat modellen die op een zoeken naar nieuwe vormen wijzen en die het beeld van de zuivere ontwikkeling wat vertroebelen. Daarnaast zijn ook in Gouda andere pijpmodellen tot stand gekomen. Die produkten ontstonden als imitatie van regionale stijlen en enkele voorbeelden zullen hier nog ter sprake komen.

Stap 2: De rechtstreekse Goudse imitatie
Wanneer we vastgesteld hebben dat het te dateren object niet van Goudse makelij is, moeten we kijken of het een Goudse navolging of imitatie betreft. Met andere woorden namaak naar een bestaand Gouds voorbeeld. Maar al te dikwijls profiteerde de regionaal werkende pijpenmaker van de populariteit van de Goudse pijp en imiteerde haar verdienste. Deze maker kan in de omgeving van Gouda werkzaam zijn geweest, maar evengoed in andere delen van Nederland als wel daarbuiten.

Voor het geoefende oog zijn veel imitaties eenvoudig te herkennen. Daarbij moeten we uitgaan van het reeds besproken gegeven dat het Goudse werkklimaat een volstrekt bindende discipline kende. Ieder produkt ontstond met behulp van het meest adequate gereedschap, door geoefende handen en volgens richtlijnen die de gewoonte aan de verschillende soorten en kwaliteiten stelde. Het voorkomen van die produkten geeft een beeld van harmonie en balans, een uitstraling die door regionale makers nooit volledig bereikt kon worden.

Gezien de beperkte bekendheid met de Goudse techniek, het ontbreken van adequaat gereedschap en vooral de gestroomlijnde discipline, vertonen nagenoeg alle imitaties naar Goudse voorbeelden onzuiverheden in uitvoering. Een persvorm waarin het pijpmodel niet in balans is uitgesneden of een vorm die niet perfect sluit, een niet optimaal functionerend stuk gereedschap, een overgeslagen afwerkhandeling of een ander gebrek dat op technische onwetendheid duidt of productvereenvoudiging.

08-07.669b-dubbelconisch-amsterdam-tm-1
Afb. 8a. APM 7.669b
08-07.669b-dubbelconisch-amsterdam-tm-2
Afb. 8b. APM 7.669b
08-07.669b-dubbelconisch-amsterdam-tm-3
Afb. 8c. APM 7.669b

Naast het model en de uitvoering ervan is het van belang om op alle andere denkbare details te letten. Uiteindelijk zijn de regionale bedrijven doorgaans onvoldoende met de Goudse discipline bekend. Zij kennen de Goudse pijp als een produkt van optimale kwaliteit, maar de uiterlijke kenmerken die hieraan ten grondslag liggen, hebben zij onvoldoende geanalyseerd. Zo wijkt bijvoorbeeld regionaal de uitstraling van het graveerwerk van het merk af. Zij is star en vertoont minder zwier dan in Gouda het geval was. Zowel het hielmerk als het bijmerk en vormmerk zijn in Gouda op een logische maar onopvallende wijze aangebracht. Bij imitaties worden deze merken vaak opdringeriger en minder subtiel. Ook in de spelling van steelopschriften onderscheiden de imitaties zich door onzuiverheden. Daarbij moesten zowel de naam van de maker als de plaats van herkomst Gouda het dikwijls ontgelden. Fonetisch geschreven namen en spellingfouten in het woord Gouda, zomede letters in spiegelbeeld, zijn onmiskenbaar de aanwijzing dat we met een imitatie van doen hebben. Ook het woord "FABRICIRT" of iedere variant hiervan is nooit in Gouda gebruikt.

09-15.035a-alkmaar-robert-morrijs-1
Afb. 9a. APM 15.035a
09-15.035a-alkmaar-robert-morrijs-2
Afb. 9b. APM 15.035a

Een andere belangrijke aanwijzing om een imitatie te ontmaskeren is het signaleren van een afwerkhandeling die niet overeenkomstig de beoogde kwaliteit is. Het duidelijke onderscheid in de Goudse kwaliteiten kwam reeds ter sprake. Dit onderscheid wordt door imitators vaak geschonden om op een minder arbeidsintensieve wijze tot een schijnbaar gelijke kwaliteit te komen. Over het algemeen geldt, dat produkten die de Goudse stijl navolgen kwalitatief slechter worden naarmate zij verder van de stad Gouda zijn geproduceerd. Een belangrijke reden is dat de produktieplaatsen in de provincie Holland of direct aangrenzend dikwijls gereedschap en arbeidskrachten uit Gouda betrokken. Wanneer de afstand groter wordt, is ook de uitstraling minder. Daarenboven geldt natuurlijk de economische factor. Hoe verder van Gouda, hoe hoger de transportkosten op de verkoopprijs drukken. De regionale imitatie mag zodoende minder van kwaliteit zijn, zij is naar verhouding beduidend goedkoper omdat de transportkosten en eventuele invoerrechten of heffingen ontbreken.[10]

10-15.354a-dubbelconisch-breda-lf-1
Afb. 10a. APM 15.354a
10-15.354a-dubbelconisch-breda-lf-2
Afb. 10b. APM 15.354a
10-15.354a-dubbelconisch-breda-lf-3
Afb. 10c. APM 15.354a

Imitaties van Goudse pijpen zijn bekend van alle drie de basismodellen. Basistype 1 heeft de meest uiteenlopende vormen en het is de vraag of deze pijpen als imitaties of interpretaties moeten worden geclassificeerd. Enkele voorbeelden worden hier afgebeeld. Een kleipijp uit Amsterdam (afb. 8) heeft de Goudse eigenschappen die voor die periode kenmerkend zijn, behalve dat de gepolijste afwerking en de zwaartepunt decoratie ontbreken. Het merkteken van de maker is typerend voor de stad Amsterdam, er wordt geen merk van de concurrent nagezet maar op de hiel worden de eigen initialen gedrukt.

11-10.408a-gorinchem-trechtervorm-molen-2
Afb. 11b. APM 10.408a
11-10.408a-gorinchem-trechtervorm-molen-3
Afb. 11c. APM 10.408a
11-10.408a-gorinchem-trechtervorm-molen-4
Afb. 11d. APM 10.408a

De pijp uit Alkmaar (afb. 9) toont sterkere locale kenmerken. Zo is er sprake van een meer expliciete dubbelconische ketelvorm, maar het is nog altijd een kopie in de Goudse stijl. Wederom individualiseerde de maker zijn produkt met zijn eigen initialen. De versie uit Breda (afb. 10) lijkt nog sterker op de Goudse voorbeelden, inclusief de zwaartepuntversiering en het polijsten. Toch is deze pijp minder fijn dan zijn tegenhangers uit de pijpenstad.

12-10.277-groningen-ovaal-ster-gekroond-1
Afb. 12a. APM 10.277
12-10.277-groningen-ovaal-ster-gekroond-2
Afb. 12b. APM 10.277
12-10.277-groinngen-ovaal-ster-gekroond-4
Afb. 12c. APM 10.277

Van basismodel 2 is een imitatie uit de stad Gorinchem afgebeeld (afb. 11). Hier volgde de pijpenmaker het Goudse voorbeeld nauwgezet na en verkreeg dezelfde harmonie als bij de Goudse produkten. Het hielmerk ontmaskert de navolging echter, want de gravering is niet overeenkomstig de fijnheid van wat in de stad Gouda gebruikelijk was. Wanneer we dit produkt met een Groningse pijpekop uit een wat latere tijd vergelijken (afb. 12), zien we dat de kwaliteit in Groningen beduidend lager ligt dan in Gorinchem. Dat uit zich in de modelscherpte, de afwerking alsook de gravering van het hielstempel.

13-24.980a-alphen-hogenboom-bvb-1
Afb. 13a. APM 24.980a
13-24.980a-alphen-hogenboom-bvb-3
Afb. 13b. APM 24.980a
13-24.980a-alphen-hogenboom-bvb-4
Afb. 13c. APM 24.980a
13-24.980a-alphen-hogenboom-bvb-4
Afb. 13d. APM 24.980a

Met name bij basismodel 3 is het aantal imitaties groot. Uiteindelijk heeft de Goudse pijp met dit model haar grootste perfectie gekregen en vindt het gebruik van de kleipijp op grootst denkbare schaal plaats. Een van de meest interessante vervalsers is Philip Hogenboom uit Alphen aan den Rijn, een plaats ten noorden van Gouda gelegen. Zijn bedrijf bloeide tussen 1745 en 1765 en Hogenboom betrok niet alleen zijn gereedschap maar ook zijn arbeidskrachten uit Gouda.[2] Vandaar dat deze kleipijpen nauwelijks van de Goudse voorbeelden afwijken (afb. 13). Het onderscheid is een miniem verschil in het wapenschild van Gouda. Dit teken was in de provincie Holland beschermd en kon dus niet ongestraft gezet worden. Om die reden plaatste Hogenboom een enkele stip of meerdere stippen op de gladde middenbaan van het wapen om daarmee van strafrechtelijke vervolging verschoond te blijven.

14-14.066h-bodem-zborowskie-fabrike-in-schlesien-1
Afb. 14a. APM 14.066h
14-14.066h-bodem-zborowskie-fabrike-in-schlesien-3
Afb. 14b. APM 14.066h

Basismodel 3 is eveneens in veel Europese productieplaatsen nagemaakt. Er zijn Franse, Duitse, Poolse, Russische en andere versies bekend. Een voorbeeld uit Rostin in Polen beeld ik af (afb. 14). Hier vond nauwgezette navolging van het Goudse produkt plaats, maar treffen we onvermijdelijk afwijkingen aan. Zo doet de ketelvorm mechanischer rond aan en bovendien is in Rostin een volstrekt andere wijze van merken ontstaan.

In de negentiende eeuw wordt de produktie van basismodel 3 onverminderd voortgezet. Ook dan is de Goudse ovale pijp subject aan imitatie. Aangezien de Goudse kwaliteit vermindert, is het niet meer het raffinement van materiaal en afwerking die ervoor borg staan dat het een Gouds produkt betreft. Wel handhaaft zich de eenheid in stijl tussen de Goudse bedrijven onderling en wie deze kenmerken eenmaal onder de knie heeft, kan veel imitaties snel ontmaskeren. Zoals opgemerkt moet deze periode hier wegens ruimtegebrek achterwege blijven.

Stap 3: De locale stijl
Naast een zucht tot imiteren van Goudse pijpmodellen komen we ook het verlangen tegen naar een nieuwe vormgeving. Het regionale modegevoel voor het pijpmodel en de smaakbeleving zorgen voor deze motivatie. Deze twee factoren bepalen samen met de locale technische mogelijkheden het ontstaan van regionale modellen. Verspreid over Europa vinden we een fors aantal ketelstijlen, afkomstig van locale makers die met hun eigen produktietechnieken tot een oorspronkelijk resultaat kwamen.

15-13.549-dubbelconisch-leiden-iw-1
Afb. 15a. APM 13.549
15-13.549-dubbelconisch-leiden-iw-2
Afb. 15b. APM 13.549
15-13.549-dubbelconisch-leiden-iw-3
Afb. 15c. APM 13.549

Zodra de locaal werkende pijpenmaker een overheersend vormkenmerk aan de kleipijp toevoegt, spreken we niet langer van een imitatie maar van een eigen creatie. Dikwijls wordt zo'n verandering een locale stijl omdat collega-pijpenmakers die kenmerken overnemen. Talloze modellen vinden hun oorsprong overigens niet bij de pijpenmaker, maar bij de vormmaker, die de persvorm realiseerde. Wanneer hij de gewoonte had een specifiek model steeds opnieuw af te gieten, betekende dat automatisch de geboorte van een locale of regionale stijl. De regionale stijl uit zich in een gewijzigde ketellijn of een afwijkende stand van de ketel ten opzichte van de steel. Daarnaast kunnen ook de produktfijnheid, afwerkingshandelingen, merken en decoraties anders zijn. Het is al opgemerkt dat het grensgebied tussen navolging door imitatie en locale verdienste niet altijd even duidelijk is.

16-07.448a-groningen-hoornbeek-1
Afb. 16a. APM 7.448a
16-07.448a-groningen-hoornbeek-3
Afb. 16b. APM 7.448a
16-07.448a-groningen-hoornbeek-4
Afb. 16c. APM 7.448a

De locale stijl zien we in talloze plaatsen. Een treffend voorbeeld uit de Goudse regio is het Leidse model, dat tussen 1650 en 1675 door pijpenmakers in Leiden is gefabriceerd (afb. 15). Kenmerkend is de sterk gebolde ketellijn in combinatie met de licht afgeplatte ketelzijden. De kleipijpen uit Groningen vertonen Noord-Nederlandse kenmerken (afb. 16). Hier is de ketellijn van het dubbelconische Goudse model sterker aangepast. Klaarblijkelijk ligt deze verandering eveneens bij de vormsmid, die voor meerdere Groningse pijpenmakers een dergelijke persvorm maakte. Een tweede reden is van technische aard, in Groningen is de kwaliteit van de pijpaarde minder fijn waardoor de pijp grover van uitvoering is.

17-24.979a-bekervorm-remy-1
Afb. 17a. APM 24.979a
17-24.979a-bekervorm-remy-3
Afb. 17b. APM 24.979a
17-24.979a-bekervorm-remy-5
Afb. 17c. APM 24.979a

In het Duitse Westerwald komen kleipijpen met een specifieke bekervorm in produktie (afb. 17). Het is overigens nog altijd onduidelijk uit welk deel van Duitsland deze stijl afkomstig is. In ieder geval wordt de bekervorm een populaire pijp met een lange gebruiksperiode namelijk van 1750 tot 1900. Als exportpijp kreeg de beker een internationale verspreiding.

18-07.273-bodem-engeland-gauntlett-1
Afb. 18a. APM 7.273
18-07.273-bodem-engeland-gauntlett-3
Afb. 18b. APM 7.273
19-04.519-bodem-engeland-spoortype-1
Afb. 19. APM 4.519

Het model van de Engelse kleipijp (afb. 18-21) lijkt zich los van het Europese pijpmodel te ontwikkelen. Het meest opvallend is de Salisbury-stijl (afb. 18) met een s-vorm in de ketel. Meer algemeen is het zogenaamde spoortype met de wat vormeloze ketel (afb. 19). Andere extremen zijn de ketel met rechte zijden (afb. 20) en de zogenaamde south-eastern met een duidelijke slurfvorm (afb. 21). Deze pijpmodellen zijn bij grote hoeveelheden in Groot-Brittannië geproduceerd, maar voor de export waren zij niet echt belangrijk. Hun stijl is slechts beperkt nagevolgd.

20-04.757a-engeland-overleaning-1
Afb. 20. APM 4.757a
21-04.784-bodem-engeland-south-eastern-1
Afb. 21. APM 4.784

Wanneer een locaal ontwerp succesvol is, wordt deze nieuwe stijl vervolgens naar andere gebieden geëxporteerd en daar overgenomen. De maker moedigt dit aan en zo komt een specifieke stijl algemeen in vraag. Daarmee wordt de basis voor een florerend bedrijf gelegd. Onvermijdelijk wordt deze stijl in andere regio's gekopieerd.

Naast stijlverandering ofwel aanpassing van het gangbare model komen we ook volledig nieuwe pijpmodellen tegen. Soms ontwierp een pijpenmaker een produkt naar eigen inzichten. Een van de meest treffende voorbeelden is de manchetpijp, gekenmerkt door een afgeknotte steel. Deze werd in Oost-Europese streken bedacht en raakte geleidelijk in het westen bekend. De manchetpijp ontstond uit technische beperkingen, want door gebrek aan de juiste grondstof was het onmogelijk een steel van klei te maken. Dit ontwerp blijft door de tijd heen bij meerdere Europese pijpenmakers in productie, bovendien zelfs bij sommige pottenbakkers.

Stap 4: Invloeden uit andere centra
Wanneer de pijpvondst niet van Goudse origine is, maar het eveneens geen imitatie betreft noch een locale schepping, dan resteert nog een laatste mogelijkheid. Het produkt is beïnvloed door de verdiensten uit een ander centrum of kan het zelfs een synthese van invloeden uit meerdere produktieplaatsen zijn. Sterker nog dan groep 3 bestaat deze categorie uit nog meer uiteenlopende pijpmodellen met minder overheersende kenmerken. Deze pijpen bewegen zich tussen afgezwakte imitaties van regionale waar en tussen het voortborduren op locale stijlen, maar zijn op zich een nieuwe verdienste. Opnieuw is het grensgebied tussen pijpen uit categorie 3 en 4 niet altijd duidelijk. Het gaat om het signaleren van de verhouding tussen locale inbreng en verdienste van elders. Een discussie over wie de inventor is blijft voorlopig buiten beschouwing aangezien dit vaak te speculatief is. Overigens zal in veel gevallen deze synthese niet goed te duiden zijn, want uiteindelijk ontstonden in het verleden vaak op meerdere plaatsen vergelijkbare vindingen.

22-08.847a-bodem-stockholm-forsberg-southeastern-1
Afb. 22a. APM 8.847a
22-08.847a-bodem-stockholm-forsberg-southeastern-4
Afb. 22b. APM 8.847a

De directe beïnvloeding van een produkt door een elders bedachte stijl is de meest eenvoudige in deze categorie. Het gaat om het overnemen van een locale stijl in een andere plaats zonder dat deze stijl wordt aangepast. In feite dus een imitatie die gelijk staat met de Goudse imitatie bij stap 2 behandeld. Van de rechtstreekse imitatie zijn talloze sprekende voorbeelden voorhanden. De stijl van de Engelse kleipijp bijvoorbeeld wordt rond 1750 door Adolf Forsberg in Stockholm nagebootst (afb. 22). Zijn produkten vertonen weliswaar enige eigen kenmerken, maar de basis is onmiskenbaar van het gangbare Engelse pijpmodel afgekeken.

23-08.691-hogenboom-iser-1
Afb. 23a. APM 8.691
23-08.691-hogenboom-iser-3
Afb. 23b. APM 8.691
23-08.691-hogenboom-iser-4
Afb. 23c. APM 8.691
24-16.337-bodem-pieter-van-wyngaarden-1
Afb. 24. APM 16.337

Een ander voorbeeld is een pijp van de in Hildesheim werkzame Johan Iser, die in Alphen aan den Rijn in ongewijzigde vorm wordt nagemaakt (afb. 23). Wanneer dit produkt niet op de bedrijfsstort was gevonden, zou de imitatie nooit zijn ontmaskerd. Een andere kopie van een Duitse pijp is afkomstig uit de werkplaats van Pieter van Wijnaarden uit Alphen aan den Rijn. De bekervormige ketel maar ook de decoratie van een vis op de steel zijn volledig Duits van ontwerp. In dit geval kopieert de Alphense pijpenmaker de pijp exact, zij het dat hij deze onder zijn eigen naam verkoopt (afb. 24).

25-09.568a-elleboog-edward-bird-1
Afb. 25a. APM 9.568a
25-09.568a-elleboog-edward-bird-6
Afb. 25b. APM 9.568a

Meer gecompliceerd is een mengvorm van beïnvloeding, die we met het woord kruisbestuiving kunnen aanduiden. Het betreft het imiteren van een pijpstijl uit het ene productiecentrum in een ander met zodanige verandering dat een nieuw voorkomen ontstaat. Dikwijls zijn dergelijke produkten zelfs niet voor locaal gebruik bestemd maar dienen voor export. Een vroeg voorbeeld hiervan is de elleboogpijp (afb. 25), een specifiek model dat in Amsterdam is vervaardigd als handelsobject voor de Amerikaanse staat Virginia en omringende gebieden. De ketellijn is volledig van de locale Indiaanse pijp overgenomen, doch materiaal en afwerking vertonen de Hollandse discipline.

26-01.099a-buitenmodel-l-gekroond-1
Afb. 26a. APM 1.099a
26-01.099a-buitenmodel-l-gekroond-3
Afb. 26b. APM 1.099a

Bovenregionale centra, met andere woorden produktieplaatsen met een exporterende functie, hebben vaak meerdere stijlen naast elkaar gefabriceerd. Naast het aanbod voor de locale markt speelde men in op de export en de lijn van deze modellen sloot naadloos aan bij de wens van de klantenkring waar die zich ook bevond.

27-24.979c-verzijl-slurfvorm-1
Afb. 27a. APM 24.979ca
27-24.979c-verzijl-slurfvorm-3
Afb. 27b. APM 24.979ca

Ook Gouda schaart zich in de rij van steden waar exportmodellen worden gemaakt. In feite zijn de basismodellen 4 en 5, respectievelijk de kromkop en de rondbodempijp, modellen waarvan de wortels in andere gebieden liggen en wel Engeland en Duitsland.[3] De stijlkenmerken zijn in Gouda echter dermate aangepast, dat we ze aan de basismodellen kunnen toevoegen, zij het dat het niet om een Goudse ontwerpverdienste gaat. Een voorbeeld daarvan is een trechtervormige fantasieketel bestemd voor Hamburg en omgeving (afb. 26), die in Gouda zijn eigen uitwerking kreeg, maar waarvan de basisvorm uit Hamburg stamt. De produktie hiervan is in Gouda echter van bovenregionaal belang geworden, zodat deze Goudse interpretatie eigen kenmerken kreeg en op zich de stijl elders weer ging beïnvloeden. Ook worden bepaalde zogenaamde south-eastern modellen uit Engeland in Gouda nagemaakt (afb. 27). Deze modellen zijn eveneens een interpretatie van de oorspronkelijke waar, de vormaanpassing is gedaan om in het exportgebied beter in de smaak te vallen.

28-24.979b-verzijl-wm-export-1
Afb. 28a. APM 24.979b
28-24.979b-verzijl-wm-export-3
Afb. 28b. APM 24.979b
28-24.979b-verzijl-wm-export-4
Afb. 28c. APM 24.979b

Een voorbeeld van een exportpijp uit Gouda, naar Engels voorbeeld, maar bestemd voor Poolse afnemers is een kromkop (afb. 28) met aan de steelzijde van de ketel in reliëf het merk WM gekroond. Terwijl het model van deze pijp duidelijk Engels is, inclusief het merk, vertoont de produktie het raffinement van Gouda. Dit komt tot uiting in de gravering van het merk, het bijmerk maar ook het glazen.

Door het toenemende handelspatroon en de grotere differentiatie van vormen wordt het beeld van de wederzijdse beïnvloeding in de loop van de achttiende eeuw steeds gecompliceerder. Nadat de drie Goudse basismodellen hun vormbeïnvloeding wereldwijd veroorzaakt hebben, komt er een scheppende reactie terug. Die reacties zijn vanuit Engelse steden, centra in het Westerwald en diverse Franse gebieden reeds aangetoond. Daarnaast zijn er nog veel onontdekte plaatsen. Zelfs de Aziatische, Afrikaanse en locaal-Amerikaanse kleipijpen spelen in de vormbeïnvloeding een rol.

29-00.788a-westerwald-peter-dorni-1
Afb. 29a.  APM 788a
29-00.788a-westerwald-peter-dorni-3
Afb. 29b.  APM 788a

In de negentiende eeuw gaan de exportmodellen de pijpennijverheid sterker beheersen. Uit deze wisselwerking komt een warwinkel van nieuwe pijpenmodellen voort, waarbij de plaats van origine steeds lastiger te determineren is. We kunnen dan terecht spreken van de internationale stijl, waarbij sommige lijnen zelfs terugvoeren op achttiende eeuwse verdienste. De befaamde Dorni-pijp bijvoorbeeld (afb. 29), waarvan de origine in Duitsland ligt, is zo'n produkt.[4] Zij wordt gedurende de hele negentiende eeuw in Gouda maar ook in de Belgische plaats Andenne geproduceerd, terwijl de produktie in het Westerwald eveneens continueert. Haar voornaamste exportland is de Verenigde Staten, maar zij wordt ook in talloze Europese landen gerookt. Voor sommige verkoopbestemmingen wordt de stijl van de Dornipijp iets aangepast.

Veel produkten, die meerdere stijlkenmerken in zich verenigen, worden naar aanleiding van een speciale handelsorder gemaakt. Deze specifieke exportorders zijn soms voor een korte periode aangegaan omdat een ander handelskanaal tijdelijk gestremd was of omdat de economische balans in het nieuwe produktiegebied gunstiger lag. Zo zien we onder invloed van open- en gesloten handelskanalen en gestuurd door financiële verschuivingen de exportorders van produktiegebied naar produktiegebied reizen. Zij worden daar uitgezet waar het volume van de nijverheid voldoende is om adequaat op een plotselinge vraag in te spelen, maar de prijs bovendien concurrerend is.

Slotwoord
Wat betreft de datering kan de kleipijp kroongetuige van een vondstcomplex zijn. Daarnaast geeft zij een breed scala van mogelijkheden om nadere kennis aan te ontlenen. Het trekken van conclusies met behulp van kleipijpen is echter geen eenvoudige zaak en bij het determineren moeten we over veel kennis en inzicht beschikken en bovenal uiterst bedachtzaam zijn. Dit artikel gaat uit van de hoofdvraag: tot welke stijlsoort behoort het voorwerp dat wij determineren. Het antwoord valt in vier groepen uiteen: de oorspronkelijke Goudse, de imitatie Goudse, de regionale verdienste of de invloed uit andere produktieplaatsen. Het gaat overigens niet louter om de discussie tot welke groep een produkt behoort, maar voornamelijk om het inzicht dat de vondst oplevert. Een gefundeerde determinatie leidt namelijk tot een betere interpretatie.

Dit artikel poogt een basisordening in het determineren van pijpvondsten aan te brengen, waarbij we uitgaan van de les die het pijpmodel ons kan leren. Wanneer we in de komende jaren de vondsten van kleipijpen beter inventariseren en systematischer determineren, dan volgt daaruit automatisch een gefundeerder inzicht in de geschiedenis van de Europese kleipijp en het pijpmodel in het bijzonder. Vervolgens kunnen wij ons verder verdiepen in de gegevens van meer interpretatieve aard. Hoe modieus is het model geweest of is er sprake van een conservatief produkt. Hoe was de klantenkring opgebouwd: behoorde zij tot de minder gesitueerden of was zij eerder mondain. Welke handelsrelaties liggen er aan het marktaanbod ten grondslag, enzovoort. Bij het beantwoorden van deze nieuwe reeks vragen zal de zeggenschap van de kleipijp voor de archeologie opnieuw toenemen.

 

© Don Duco, Stichting Pijpenkabinet, Amsterdam, 1999.

 

Afbeeldingen

De zuivere Goudse mode

01-01.525-kleipijp-merk-ic
Afb. 1. APM 1.525
  1. Tabakspijp met dubbelconisch model, basismodel 1, hielmerk initialen IC. Gouda, IC-maker, 1630-1640.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 1.525
02-01.440-kleipijp-vogel-gi
Afb. 2. APM 1.440
  1. Tabakspijp met dubbelconisch model, basismodel 1, hielmerk vogel met initialen GI. Gouda, GI-maker, 1635-1650.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 1.440
03-19.567a-kleipijp-wapen-amsterdam
fb. 3. APM 19.567a
  1. Tabakspijp met hoger dubbelconisch model, basismodel 1, hielmerk wapen van Amsterdam. Gouda, 1660-1675.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.567a
04-03.471a-merk-bril-i
Afb. 4. APM 3.471a
  1. Tabakspijp met vroeg trechtervormig model, basismodel 2, hielmerk bril met letter I. Gouda, 1670-1680.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 3.471a
05-04.581-pijpenmerk-harp
Afb. 5. APM 4.581
  1. Tabakspijp met trechtervormig model, basismodel 2, hielmerk harp. Gouda, Jan Sodaen, 1720-1730.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 4.581
06-02.642c-ovaal-pijlenbundel
Afb. 6. APM 2.642c
  1. Tabakspijp met ovaal model, basismodel 3, hielmerk pijlenbundel. Gouda, Albertus Damman, 1740-1760.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 2.642c
07-00.915a-ovaal-54-gekroond
Afb. 7. APM 915a
  1. Tabakspijp met ovaal model, basismodel 3, hielmerk 54 gekroond. Gouda, 1770-1790.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 915a

 

De rechtstreekse Goudse imitatie

08-07.669b-merk-tm-monogram
Afb. 8. APM 7.669b
  1. Tabakspijp met dubbelconisch model, basismodel 1, hielmerk TM monogram. Amsterdam, TM-maker, 1630-1640.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 7.669b
09-15.035a-pijpenmerk-merk-rm
Afb. 9. APM 15.035a
  1. Tabakspijp met dubbelconisch model, basismodel 1, hielmerk RM. Alkmaar, Robert Morrijs, 1635-1655.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.035a
10-15.354a-pijpenmerk-lf-gekroond
Afb. 10. APM 15.354a
  1. Tabakspijp met dubbelconisch model, basismodel 1, hielmerk initialen LF gekroond. Breda, Louis Fieliep (Philips), 1660-1680.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.354a
11-10.408a-pijpenmerk-molen
Afb. 11. APM 10.408a
  1. Tabakspijp met trechtervormig model, basismodel 2, hielmerk molen. Gorinchem, 1700-1720.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 10.408a
12-10.277  tek-kleipijp-ovaal-ster-gekroond
Afb. 12. APM 10.277
  1. Tabakspijp met ovaal model, basismodel 3, hielmerk ster gekroond. Groningen, 1750-1780.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 10.277
  1. Tabakspijp met ovaal model, basismodel 3, hielmerk BVB. Alphen aan den Rijn, Philip Hogenboom, 1745-1770.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 24.980c
  1. Tabakspijp met ovaal model, basismodel 3, hielmerk C4. Polen, Zborowsky, Fabrike in Schlesien, 1740-1780.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 14.066h

 

De locale stijl

15-13.549-pijpenmerk-iw-gekroond
Afb. 15. APM 13.549
  1. Tabakspijp met dubbelconisch model, basismodel 1, hielmerk IW gekroond. Leiden, Joris Wright, 1655-1670.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 13.549
16-07.448a-pijpenmerk-mhb-monogram
Afb. 16. APM 7.448a
  1. Tabakspijp met dubbelconisch model, basismodel 1, hielmerk monogram VHB. Groningen, David van Hoornbeek, 1670-1690.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 7.448a
  1. Tabakspijp met bekervorm ketel, basismodel 5, zonder hiel, steelopschrift. Westerwakd, Höhr, W.H. Remy, 1790-1820.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 24.979a

  1. Tabakspijp met s-vormige dubbelconische ketel met hiel, hielmerk Gauntlett. Engeland, Salisbury, 1650-1670.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 7.273
  1. Tabakspijp met licht dubbelconische ketel en spoor. Engeland, 1660-1680.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 4.519
  1. Tabakspijp met langgerekte ketel en spoor. Engeland, Londen, 1690-1715.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 4.757a
  1. Tabakspijp met slurfvormige ketel, zogenaamde south-eastern en hiel. Engeland, 1710-1740.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 4.784

 

Invloeden uit andere centra

 

  1. Tabakspijp met slurfvormige ketel en hiel, ketelmerk drie kronen met "OF" en "STOCKH:". Zweden, Stockholm, Olaf Forsberg, 1755-1765.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 8.847a
23-08.691-kleipijp-ovaal-merk-iser
Afb. 23. APM 8.691
  1. Tabakspijp met ovale ketel en spoor, ketelmerk ISER. Alphen aan den Rijn, Philip Hogenboom, 1745-1770.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 8.691
  2. Tabakspijp met hoge bekervorm ketel, zonder hiel, een vis op de steel. Alphen aan den Rijn, Pieter van Wijngaarden, 1780-1800.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 16.337

25-09.568a-elleboog-eb
Afb. 25a. APM 9.568a
  1. Tabakspijp met elleboogvorm zonder hiel, ketelmerk EB initialen. Amsterdam, Edward Bird, 1655-1680.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 9.568a
26-01.099a-pijpenmerk-l-gekroond
Afb. 26. APM 1.099a
  1. Tabakspijp met dubbelconische trechtervorm met hiel, ketelmerk L gekroond. Gouda, Cornelis/Jacob de Licht, 1730-1750.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 1.099a

  2. Tabakspijp met slurfvormige ketel en hiel, hielmerk L gekroond. Gouda, Frans Verzijl, 1750-1770.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 24.979c

  3. Tabakspijp met slurfvormige ketel en hiel, ketel voorzijde in reliëfmerk WM gekroond. hielmerk WM gekroond Gouda, Frans Verzijl, 1760-1775.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 24.979b

  1. Tabakspijp met hoge beker ketel, zonder hiel. Steel overlangs in reliëf "PETER DORNI", steelhoek merk lelie. Westerwald, 1800-1850.
    Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 788a

 

Noten

[1] D.H. Duco, De Nederlandse kleipijp, handboek voor dateren en determineren, Leiden 1987, p. 26-28.

[2] Don Duco, "Alphen als concurrent van de Goudse pijpmakers", Pijpelijntjes, X-4, 1984, p. 3-6.

[3] Duco, op. cit, 1987, p. 27.

[4] Don Duco, "Veertig jaar speculaties rond Peter Dorni pijpen", Pijpelijntjes, VII-4, 1981, p. 1-8.