Materiaal, vorm en versiering van de Gambierpijp

Auteur:
Don Duco

Jaar van uitgave:
1981

Uitgever:
Pijpenkamer Icon

Tijdschrift:
Pijpelijntjes

Beschrijving:
De producten van Gambier uit Givet besproken naar kleisoort, vormgeving en decoratie, inclusief de serie-indeling.

Door Franse schrijvers en dichters zijn de kwaliteiten van de Gambierpijpen dikwijls beschreven en bezongen. De zin van Arthur Rimbaud in een van zijn gedichten: "une Gambier aux dents" is beslist geen toeval. In rokerskringen was het woord Gambier een begrip. Dit begrip gold zowel voor de kwaliteit van de pijp als voor zijn milde doorrokende eigenschappen. Zo publiceerde een schrijver uit de Seconde Empire­periode onder het toepasselijke pseudoniem Culot een artikel met als titel: Traité théorique et pratique du Culottage des Pipes. In deze verhandeling gaf de schrijver de voorkeur aan Gambierpijpen, die een mooie vormgeving hadden en van goede klei waren gemaakt (noot 1). De Amerikaanse journalist Julian Hawthorne publiceerde in een New Yorkse krant van 1882: In styles of pipes I have experimented largely - have sounded the gamut of plain clay, Gambier, meerschaum, charcoal, porcelain and briar. Gambier is rather fantastic, but colours as easily as sweet sixteen (noot 2).

De goede eigenschappen van de Gambier pijp gingen ook niet aan de schrijvers van tabaksboeken voorbij. Fairholt beschrijft in 1859 in zijn Tobacco, its Hist ry and Associations de figurale pijpen als volgt: Gambier has produced the best and the largest works, some of them are admirably modelled, and deserve preservation as art-manufactures. (noot 3). Ruim dertig jaar later, in 1891, zegt Spire Blondel in zijn: Livre des Fumeurs dat de Gambier firma over de gehele wereld bekend is en de rechten bewaart aan de beroemdheid van zijn produkten en de bonte verscheidenheid en keus van zijn modellen (noot 4). De vijf bovenstaande voorbeelden zijn nog gemakkelijk tot een veelvoud uit te breiden. Steeds weer opnieuw was de Gambierpijp onderwerp voor een geschrift of gedicht. Hier wil ik echter niet op de lyrische uitlatingen van schrijvers of dichters ingaan, maar een meer theoretische verhandeling over de Gambierpijp geven. Een traditie van pijpen vervaardigen die we het beste onder l'art populaire kunnen rangschikken.

Het materiaal voor dit artikel is afkomstig uit een pover gedeelte van het fabrieksarchief dat te Charleville-Mezières bewaard wordt; enkele pijpencatalogi en publicaties over de Gambierfabriek gedaan. Het artikel is een vervolg op de publicatie De historie van de Gambierfabriek in Pijpelijntjes, jaargang VI, nr. 2/3, 1980.

De klei

Het succes van de pijpen van Gambier zat hem in de eerste instantie in de klei. Door Jean Gambier en zijn zoon werd klei uit de groeve in Niverlée gebruikt. Deze klei was fijn van structuur, had een geringe verontreiniging, was plastisch en bakte prachtig wit. De scherf kreeg na het bakken de juiste porositeit, waardoor de tabakssappen tijdens het roken vrijgekomen goed opgenomen werden.

Reeds voor het midden van de negentiende eeuw is men naast klei uit Niverlée ook andere kleisoorten gaan gebruiken. Ook in Andenne en Andenelle, ongeveer 60 kilometer stroomafwaarts aan de Maas gelegen, kocht men pijpaarde. Zowel in Niverlée als in de streek van Andenne werd de klei in dagbouw én in kleiputten gewonnen. Sommige van deze kleiputten hadden een diepte van wel 80 meter. Het werk in de kleiwinning was zwaar en gebeurde geheel met de hand.

Bij het toenemen van het aantal pijpensoorten nam ook het aantal kleirecepten toe. Veel pijpensoorten hadden ieder hun eigen kleisamenstelling, waarbij de klei uit Niverlée en Andenne steeds het voornaamste bestanddeel was. Kleisoorten uit andere plaatsen werden in geringe mate bijgemengd. Alleen van de klei uit Niverlée en Andenne weten we de eigenschappen. De eerste bakt het witst en geeft de meest poreuze scherf. Het produkt is echter niet sterk. De scherf van de Andenne klei is beduidend minder poreus maar veel sterker. De Andenne klei bakt ook iets minder wit. Voor manchetpijpen gebruikte men hoofdzakelijk klei uit Niverlée, terwijl men meer Andenne klei aan het mengsel toevoegde naarmate de steel van de pijp langer werd. Een enkele lange pijp is geheel van Andenne klei gemaakt.

In de pijpencatalogi van de fabriek van Gambier uit de jaren 1894, 1897 en 1905 vinden we verschillende vermeldingen van kleisoorten. In het totaal heeft men rond het jaar 1900 een tiental kleisamenstellingen in gebruik. Waarschijnlijk dateren ongeveer zes recepten uit het midden van de negentiende eeuw en zijn de anderen van later datum.

Het meest in gebruik is de terre commune. Van deze kleisoort werden de meest gangbare modellen gemaakt. De klei is niet bijzonder fijn en was vooral in gebruik voor gladde modellen en die met een eenvoudige versiering. Twee soorten pijpen van deze klei gemaakt zijn de Pipes Paris en de Borraines. Bij dit mengsel heeft de klei uit Niverlée de overhand en is Andenne klei of een andere soort bijgemengd (noot 5).

Meer verfijndere kleisoorten zijn de terre blanche, de terre très-blanche en de terre extra-blanche. De terre blanche was iets witter en fijner van structuur dan de terre commune. Zij diende voor de fijnere pijpen, al dan niet gedecoreerd. De Niverlée-klei was hier aangemengd met andere klei om een voldoende stevig produkt te geven. Van deze klei worden onder meer de taxiles en de néogènes en crèmes met langere stelen gemaakt. Deze drie soorten zijn meer kwetsbaar dan de gewone korte pijp.

De fijnste soorten klei zijn de terre très blanche en terre extra­blanche. In hun samenstelling zullen deze kleisoorten weinig verschild hebben. Het voornaamste onderscheid zit hem in het merk dat op de pijp aangebracht werd. De très blanches hebben een gestempeld merk Crême-Gambier en hebben rond de steel een rode plakker. De extra's hebben als steelmerk grande marques en een opgeplakt etiket in de kleur blauw.

Bij deze groep hoort ook de terre blanche endosmoïde, een kleisoort gelijk aan de terre blanche. Van deze kleisoort maakte men de pijpen met de dunne stelen en de fijnere koppen, zoals de Aristophanes. Deze soort pijpen was kwetsbaarder dan de très­blanches en de extra-blanches, maar rookte steller door. Het woord endosmoïde is een neologisme en was slechts bedoeld om op de pijproker indruk te maken. In een advertentie van Gambier uit de tweede helft van de negentiende eeuw lezen we dat het principe van de endosmose tot doel heeft door te dringen in de moleculaire tussenruimtes van de gezuiverde witte klei. Zij zorgt ervoor dat de wrange, droge, aardachtige geur die nieuwe pijpen hebben, verdwijnt en verandert in een zachte smaak. De endosmose zorgt tevens voor een fraaie donkere kleur bij het doorroken. Voor wie niet weet dat het woord endosmose geen betekenis heeft, klinkt de toelichting zeer aannemelijk.

Een ander néologisme om een materiaal aan te duiden is het woord magnésienne, dat gebruikt wordt voor de gesteelde gezichtpijpen, de zogenaamde fantaisies. Met de term magnésienne duidde men op de twee goede eigenschappen van het materiaal: de duurzaamheid en de kwaliteit van de scherf, maar tevens op de snel doorrokende eigenschap. De magnésienne klei is Niverlée klei met een geringe bijmenging van klei uit Andenne. Zij is beslist niet magnesiumhoudend. In de catalogus van 1908 worden de pipes magnésiennes vergeleken met biscuit uit Sèvres. Hun porositeit is een extra kwaliteit. Werd de pijp van een schilder-émail voorzien, dan sprak men niet meer van een magnésienne maar van een pipe émail of fantasie. émail.

Eerst tegen het vierde kwart van de negentiende eeuw komen pijpen van terre Belge en terre Flamande in produktie. Het is niet bekend waarvan beide benamingen afgeleid zijn, doch waarschijnlijk werden beide termen ingevoerd om de verkoop van deze - veelal Belgische pijpmodellen - in België zelf te stimuleren. Wellicht was in die dagen een vergroting van het afzetgebied voor Gambier een noodzaak. De terre Belge is Andenne klei en de pijpen die men er mee maakte benaderen de Hollandse pijpenmodellen. Het betreft eenvoudige onversierde pijpen als Hongroises, Mouselines, Belges, enz. Onder de terre Flamande vallen de korte of lange pijpen, waarvan de kleisoort het meest weg heeft van de pijpen van de firma De Bevere te Kortrijk. De klei door Gambier gebruikt is echter iets minder vet. Pijpen van terre Flamande gemaakt werden geleverd in witte, rode en zwarte kleur, evenals de firma De Bevere zijn pijpen in deze drie kleuren fabriceerde. Op de steel waren deze Gambier produkten van een groene papieren plakker voorzien.

Toen in 1890 de firma Noël uit Lyon overgenomen werd, maakte men ook de pipe magnétique. Pijpen van deze kleisoort zijn poreuzer dan de andere pijpensoorten, hebben een zeer lichte oranje-gele tint en roken van alle kleisoorten het snelst door. De magnétiques werden dikwijls van een dunne transparante lak voorzien, die bij de ketelopening donker werd gebrand. De lak verstevigde de brosse klei en voorkwam de onprettige zuigende werking van de poreuze klei aan de lippen of handen van de roker. Bij deze pijpen wordt ook de term écume de terre gebruikt, in de catalogus van 1908 vergeleken met écume de mer.

Het model

Wanneer we over een Gambierpijp spreken, denken we vrijwel direct aan een versierde pijp. Over de onversierde pijpmodellen van Gambier wordt bijna nooit gesproken. Dit is niet terecht, want in de tweede helft van de negentiende eeuw bestond ongeveer de helft van de produkten uit gladde modellen. Voor de onversierde modellen had men Frankrijk maar ook het buitenland als afzetgebied. De grote vraag naar deze pijpen heeft ervoor gezorgd, dat men een uitgebreid assortiment kon bieden.

01-aristophanes
Afb. 1. Aristophanes.

Het bekendste model is de Aristophane (afb. 1), een pijpmodel genoemd naar Aristophanes (445 - 385 voor Christus), de grote Griekse blijspeldichter. Het zijn pijpen met een slanke bijna ovoïde ketel en een spoor of hiel. Hun steel is recht met aan het eind een knopmondstuk of knoop. De ketelhoogte loopt van 35 tot 50 millimeter en de lengte van de steel varieert van 8 tot 16 centimeter. Vormverschillen verdelen de Aristophanes in groepen (noot 6).

Enkele andere vermaarde gladde modellen van de firma Gambier wil ik hier nog noemen. Ten eerste de Belges, pijpen met een ovoïde model ketel en een hiel. Van dit type konden minstens twintig verschillende formaten geleverd worden. Verder de Viennoises, eveneens met een ovoïdevormige ketel en een cilindrische hiel. Ook Hongroises, in het Nederlands Noordsche kop geheten werden door Gambier in acht of meer formaten gemaakt.

Populair waren ook de Pipes Paris, pijpen met een tamelijk lage wijde ketel en een weinig sterk hielloos model. Een model dat we in Nederland bijna niet tegenkomen is de Abessijn. Gambier leverde dit soort in verschillende ketelgroottes en met uiteenlopende steellengtes. De ketelvorm van deze pijp wordt wel vergeleken met een amphora.

De minder oude gladde modellen vinden we in de serie néogènes. Het woord néogène was door Gambier bedacht. Onder deze groep vielen alle nieuwe pijpmodellen, die afweken van de traditionele achttiende eeuwse vormen. Het woord betekent zoiets als nieuwe vorm en is van toepassing op alle moeilijk omschrijfbare pijpmodellen. Omdat men zowel voor het fabricageproces als voor de verkoop aan een nauwkeurige vormomschrijving behoefte had, zien we in de modellenlijst veel samenstellingen als néogène forme 46, néogène moyenne, néogène très petite, néogène à talon petite, néogène gros tuyeau, etc.

Onder de néogènes vallen ook talloze pijpen met een plaatsnaam. De aardigste is néogène Givetoise, een pijp met een tamelijk bolle ketel en een hiel die naar achteren steekt. Dit model is in minstens negen verschillende formaten gemaakt. Andere plaatsnamen in de modellijst zijn: néogène Dinantaise, néogène Milanaise, néogène Lyonnaise, néogène Française, néogène Hollandaise, néogène Anglaise, néogène Irlandaise, néogène Hongroise, néogène Havanaise, néogène Haïti. De aardrijkskundige namen gebruikt om pijpmodellen aan te duiden, komen we ook bij de Nederlandse pijpenmakers tegen. Gambier heeft er alleen - analoog aan zijn grote assortiment - een uitgebreidere serie van in produktie.

De oudere van deze benamingen hebben betrekking op de plaats, de regio of het land waarnaar de pijpen vervoerd werden en waar juist dat pijpmodel speciale populariteit genoot. Later heeft men de serie uitgebreid met bijvoorbeeld Dinantaise en Givetoise, modellen die in de produktieplaats ontworpen waren en niet speciaal daar afgezet werden. Uiteraard kon iedere afnemer de modellen bestellen, die hij wenste, voor Gambier gold: hoe meer verkoop, hoe beter. Vanuit de traditie bestelde de detailhandel echter doorgaans de voor die regio gangbare modellen. Slechts een meer exclusieve handelaar zal in zijn assortiment pijpen verkocht hebben, niet overeenkomstig de algemene vraag.

Produktie series

In de Gambierfabrieken werden de pijpen per serie ingedeeld. In de negentiende eeuw en later was dit in Gouda ook het geval. De pijpen van één serie waren in het produktieproces ongeveer even arbeidsintensief. Zij waren doorgaans gekoppeld aan een bepaald stukloon, maar hadden niet dezelfde verkoopprijs. De serie-indeling splitst arbeidsinvestering maar ook de soort der pijpen. Een tabakspijp en een shagpijp van een bepaald model, die beiden met dezelfde arbeidsinvestering te maken zijn, werden wel in verschillende series ondergebracht, namelijk die der tabakspijpen en die der shagpijpen. Werd aan de tabakspijp dan een extra afwerking of nabehandeling verricht, dan ontstond weer een nieuwe serie. Arbeidshandelingen, functies en modellen opgesplitst gaf bij Gambier een totaal van 46 verschillende series. De losse koppen, zoals de manchetpijpen en de pijpen met andere gemonteerde roeren zijn in 11 series verdeeld, de steelpijpen tellen 35 verschillende series.

De serie-indeling laat ik hier volgen, om een indruk te geven welke pijpen tot dezelfde groep behoren en in model, decoratie of gebruik verwant zijn. Verder maakt de indeling de lezer vertrouwd met de benamingen, want voor veel modelnamen had Gambier een eigen aanduiding.

Losse koppen

  1. Têtes Emaillées: de grootste manchetpijpen, in drie- of meerdelige pijpvormen vervaardigd.
    Catherine de Médicis (390), Frédéric Soulié (425), Boileau (427), Bayard (442), Jacob grand (948), Squelette (846), Polichinelle (668).02-gambier-series
  2. Têtes Emaillées: middelgrote manchetpijpen, in drie- of meerdelige pijpvormen vervaardigd.
    Rembrandt (32), Cheval (336), Chien caniche (354), Dantan (376), Chinois (380), Soeur de Charité (382), le Grec (383), Silène grand (386), la Juive (397), Charlotte Corday (415), Joko (435), Polka (510), Garde Marine (560), le Mousquetaire (574), Soulouque (581), Punch (676), le Zouave Gd. (684), Fashionnable casquette (698), Molé (71).03-gambier-series
  1. Têtes Emaillées: normaal formaat manchetpijp met gebogen steel, in twee- of driedelige pijpvorm vervaardigd.
    Nez rouge (22), Noé (40), Monstre (42), Michel-Ange (576), Ninivien (578), Narcisse (682), Faust (694), Varlet (766), Cinq-Mars ( 828), Luthérien (856), Alexandre II (822), Guetteur (890).

04-gambier-series

  1. Têtes droites émaillées: gewoon formaat manchetpijp met rechte steel, vervaardigd in een twee- of driedelige pijpvorm.
    Bouc ( 904, 908), Tête de mort (922), Rats (900), Silène (924), Eléphant (940), Sapeur russe (970), Gladstone (1414), Tête Dogue (1420), Victoria (7492).05-gambier-series
  1. Têtes mignonnettes: manchetpijpen met een kleine ketel en een rechte of gebogen steel. In twee- of driedelige mallen gemaakt.
    Robin du bois (359), Colbert (403), Le Guerrier (429), Sanglier (974), Eléphant (982), Jacob mignon (1008), Amazone (1018), Chasseur d'Afrique (1020), Grimacier (1022).06-gambier-series
  1. Têtes fantaisies sans email: diverse manchetpijpen zonder émail, vervaardigd in een twee- of driedelige pijpvorm.
    Pomme de Pin (1014), Néogène pied (1340), Tête la Main (1352), Le Bock (1366), Néogène Irlandaise (1399), Tête griffe douille coudée, (1412), Tête griffe douille droite (1408), Tête main petite ( 1428).
    07-gambier-series
  1. Têtes néogènes courbes: onversierde manchetpijpen met een gebogen steel, doorgaans zonder émailbeschildering.
    Néogène Régina bombée (58), Néogne courbe Pte. (660p), Néogène à vis (880), Tête Grande  forme  Abyssinienne  (1323),  Lyonnaise Petite (1429), Néogène Coupe biaise
    (1456).
    08-gambier-series
  1. Têtes néogènes droites: versierde manchetpijpen met een rechte steel, in een tweedelige pijpvorm gemaakt.
    Néogène fleur au talon Men.  (882), Néogène à talon (972), Néogène à la Rose (974),  Tête Hongroise (1298), Tête Néogène Obusier (1395),  Néogène pour photographies (1401), Tête Néogène Irlandaise evasée (1409), Néogène côtes melon pte. (670).
    09-gambier-series

 

  1. Têtes fantaisie montées: koppen met een nikkelen busje en een caoutchouc steel. Ontstaan na 1885 en vooral in deze eeuw populair. De catalogus van 1908 vermeldt van dit soort tien series.
    Jacob (7598), Matelot (2037), Méphistophélés (2033), Vercingétorix (20356), Turcq (2037), Alsace (2038), Cheval (2036b), Coq chantant (2034).10-gambier-series
  1. Têtes montées: koppen met een nikkelen busje en roeren van caoutchouc of hout. Geleverd in onversierde uitvoering of met émail in witte, rode of zwartgebakken klei, in calciné of met gebruinde lak.
    Dublin (1551), Haïti (1552), Oeuf (1553), Hongroise (1554), Rose au talon (1555), Griffe (1558), Albert (1557), Bâtonnet (1561), Pied de Cheval (1568).
    11-gambier-series
  1. Montages tuyaux caoutchouc forts: een zware gemonteerde pijp met een gebogen hielloos model, een nikkelen busje en een extra stevig caoutchouc roer.
    Hongroise petite (1577), Boule grande (1578bM).

(12).   Pipe d' Etalage: merkwaardig genoeg zijn deze produkten onder de steelpijpen opgenomen!

 

Steelpijpen

  1. Fantaisies extra: versierde steelpijpen met een opmerkelijk model met rechte of gebogen stelen. In twee- of driedelige vormen vervaardigd.
    Jacob tuyeau courbé (3), Palmier verni (672), Marseillaise grande, tuyeau 31 cm (767), Arabe (829), Clochettes (833), Jupiter Gd. (935), Permission de dix heures (939), Diane de Poitiers (1273), fantaisie 14 Juillet (1453) .
    12-gambier-series
  1. Fantaisies Ste. Hélène: pijpen met een slanke ovale ketel en een rechte vrij lange steel, gedeeltelijk met schorsreliëf bedekt.
    Ste. Hélène talon penché (1315), Ecorce vernie (1316).
    13-gambier-series
  1. Fantaisies: de belangrijkste en meest geliefde serie bestaande uit figuurpijpen met voorstellingen van mensen en dieren. Korte rechte modellen met een knopmondstuk, vervaardigd in driedelige vormen (behoudens enkele uitzonderingen). In de handel werden deze pijpen wel aangeprezen met magnésienne.
    Inquisiteur Griffe de coq (161), Garibaldi (597), Frederic Soulié (625), Michel-Ange (626), le Singe (647), Ninivien (651), L'Ane coquet (659), Soulouque (661), Mercure (764), Albert Durer (815), Silène (937b), Mort (921), Le Coq du Village (1039), Cuisinier (1081), Zouave (1137), Cariatide (1246), La Crevette (1256), Paganini (1157).
    Ook: Epine (559), Hongroise Epine (598), Ecorce moyenne (601), Racine moyenne (604).
    14-gambier-series
  1. Fantaisies Mignonnettes: in type gelijk aan serie 3, met een kleine kop en een rechte steel met knoop.
    Zouave mignon (671), Fashionable mignon (681), Marquis (1191), Amazone (1275), Grimacier (1280).15-gambier-series
  1. Marseillaises Vernies: marseillaises ofwel pijpen met een bladerrank decoratie op een geruwde ondergrond en met een band glazuur langs de ketelopening en schilderémail op de onderzijde van de ketel en op de steel. Deze soort is het meest uitgebreid  van émail voorzien en het kleurigst van uiterlijk.
    Marseillaise Mme. Bague au tuyau (633) (met bague of virole wordt hier een vernikkeld busje bedoeld, waarin een hoornen of caoutchouc spits gestoken wordt), Marseillaise Roses sur le Foutneau (813), Marseillaise courbé Gde. (897), Marseillaise forme écume ornée (925).16-gambier-series
  1. Taxiles: pijpen van terre blanche, waarbij tussen de ketel en de steel een dubbel rookkanaal is aangebracht. Het woord taxile is een neologisme en is door Gambier bedacht. Het voordeel van de extra boring is dat de tabak gelijkmatig en geheel opbrand. Dikwijls is het dubbele rookkanaal kunstig in het ontwerp opgenomen. Bij de guerrier lopen zij door de beide benen, bij de coq door de kop en de staart.
    Taxilles unies (537), Taxille Griffe (569), Taxile Coq (605), Taxile Nid (609), Taxile Serpent (621), Taxile Gandin (639)17-gambier-series
  1. Pipes à réservoir: pijpen met een vochtsluis die gereinigd kan worden, doordat de ketel van de pijp of de sluis aan de onderzijde van de kop van schroefdraad is voorzien. Voor één pijpmodel waren twee vormen nodig.
    Néogène à double conduit (Réservoir mobile)   (706 5 ), Néogène Gland,  tête mobile (1107), Néogène Feuilles, tête mobile (1135).18-gambier-series
  1. Grande Marques: pijpen van terre extra-blanche en van een blauw etiket voorzien. Verschillende modellen, soms met een decoratie.
    Gland et feuilles de chêne (1371), Batonnet, talon couché petite (1372),Forme 1079 à Jarretière (13 74), Forme écume à Jarretière (1383).19-gambier-series
  1. Crêmes: pijpen van terre très-blanche met rode etiketten waarop het merk "Crême Gambier". Verschillende soorten decoraties.Crême Pouce (1211), Crême Urne (1231), Crême Cupidon (1290), Crême Renaissance (1318), Epine (1320), Crême Amours (1346), Crême Trophée (1350), Crême Ornements Louis XVI (1369).20-gambier-series
  1. Crêmes Longues: pijpen van terre blanche met een lange steel en een rood etiket.
    Crême forme Vienoises, tuyau 20 cm (1269)
    21-gambier-series
  1. Néogènes: pijpen van terre blanche met op het etiket het opschrift JEAN NICOT A PARIS. Steellengte 11-14 centimeter. Een belangrijke serie van meer eenvoudige pijpen, zowel met decoratie als onversierd. Onder deze serie vallen ook de néogènes décimètres. Op de steel van deze pijpen is een meetlat van 10 centimeter lengte aangebracht.
    Néogène bombe grande (1), neogène Côtes creuses moyenne (29) neogène très petite (179) ,  Néogène le chat et le coq (307), Neogène Givetoise allongée (517), Néogène Gambier (551), Néogène Dinantaises (627), Néogène pelle (767).
    22-gambier-series
  1. Séries des Néogènes longues: pijpen van terre blanche met eenvoudige koppen en rechte stelen met een lengte van ongeveer 25 centimeter en een knopmondstuk.
    Néogènes 2 côtes,  tuyau 25 cm (1015),  Néogène feuille au talon, tuyau 25 cm (1233), Néogène ornée, tuyau 25 cm (1261).23-gambier-series
  1. Néogènes St. Hubert: de zgn. pipe de Chasse et d'Atelier ofwel korte eenvoudige pijpen van terre blanche, vooral geschikt om te roken tijdens het werk en in de buitenlucht.
    Néogènes St. Hubert allongée, virgule au talon (1249), Néogène Irlande (1259), Néogène le Mari, la Femme, l'Amant et le Bouc (1339) , Néogène Obusier (1355 ).24-gambier-series
  1. Pompadours: pijpen op de ketel en op de steel versierd met fijne ranken waaraan bloemen en bladeren. Voorzien van émail en dikwijls verguld.
    Pompadour 241, Pompadour 279, Pompadour 1079, Pompadour 1269.
    25-gambier-series
  1. Borraines: bekermodellen van terre commune met een langere steel (18-21 centimeter) en een glad mondstuk. De ketel is aan de onderzijde dikwijls van knorren voorzien.
    Borraine à demi-côtes grande (460), Borraine unie grande (463), Borrine unie, forme nouvelle (469).26-gambier-series
  1. Pipes Paris: pijpen van terre commune met een brede lage ketel en een korte steel (11-13 centimeter) waaraan een knoop.
    Néogène Paris forme 811 (343),  Néogène Paris forme 837 (341), Néogène Paris forme 855 (349).27-gambier-series
  1. Aristophanes: pijpen van terre blanche endosmoïde met een slanke ovale naar trechtervormige ketel, een spoor en een rechte steel. Op de steel het intagliomerk: ARISTOPH - GAMBIER à PARIS Mx H. Deze populaire pijp is weer in een aantal modellen onder te verdelen, zoals Aristophanes  Trafalgar, Aristophanes Formes Bois, Aristophanes Genoises rustique, Aristophane Rustique, Aristophane Angulaire, Aristophanes croches, Aristophanes Belges, enz.
    Aristophane Trafalgar, très grande ( 81), Aristophane forme bois, petite (89), Aristophane Génoise rustique, grande ( 97), Aristophane Angulaire (101), Aristophane rustique, grande (131), Aristophane Grande (205), Aristophane Belge grande (351),  Aristophane Cône (1005), Aristophane à Sifflet (375), Aristophane Casque (213).28-gambier-series
  1. Belges: verschillende soorten meest onversierde pijpen van terre Belge met een ovoïde kop en een rechte steel met een glad mond stuk. Ook dit model is in een aantal groepen onder te verdelen:Belges J.G., Belges M.T., Belges à Cordons vernies, Belge à boutons, Belges longues, enz.
    Belge très grande 46 couronné, tuyau 19 cm (327b), Belge ordinaire JG, très grande, têtes fermée (270), Belge Ordinaire MT, très grande (270MT), Belge JG cordon, très grande, tête vernie (270), Belge JG à  bouton, petite (277), Belge extra grande tuyau de 0, 30 (791). 29-gambier-series
  1. Série des Viennoises ordinaires: pijpen met een slanke ovoïde ketel en een knophiel. Rechte steel van 16-19, 5 centimeter. Glad mondstuk. Viennoise ordinaire, petite (479), Viennise grande, ordinaire (474).
    30-gambier-series
  1. Série des Viennoises à cordon: rondom de slanke ovoïde ketel is even onder het midden in reliëf een koordje aangebracht. Rechte steel van 19-20 centimeter met glad mondstuk.
    Viennoisen tête vernie (497 cordon), Viennoise grande, tête vernie (474 cordon).
    31-gambier-series
  1. Mousselines: pijpen van terre Belge met gebolde ovoïde ketel, een cilindrische hiel en rechte steel zonder knoop.
    Belge fine, grande, tête ouverte ( 4bis), Belge fine, petite tête bombée (240), Belge fine, moyenne, tête fermée (260).32-gambier-series
  1. Hongroises: pijpen van terre Belge met een ketelmodel als de Noordsche kleinkop. Glad mondstuk.
    Hongroise très petite (193), Hongroise moyenne (190), Hongroise très grande (142bis).
    33-gambier-series
  1. Flamandes Gambier à tuyaux courts: pijpen van terre Flamande in de kleuren wit, rood en zwart en op de steel voorzien van een groen etiket. Eenvoudige decoraties.
    Flamande courte forme 517 avec feuille, grande (1500), Flamande courte forme Belge, feuille au talon (1528), Flamande courte Gland et écorce, moyenne (1504).34-gambier-series
  1. Série des Pipes Flamandes Gambier Longues: pijpen van terre Flamande met een witte, rode of zwarte kleur en met een groene plakker op de steel.
    Flamande longue forme 387 unie, grande (1519), Flamande longue forme 387avec boule, grande (1514).35-gambier-series
  1. Pipes avec Fil: pijpen van terre blanche van een eenvoudig hielloos onversierd model met knopmondstuk en touwtje rond het eind van de steel. Dit touwtje diende voor de bescherming van de tanden maar ook tegen open lippen.
    Néogène, tuyau plat (545), Avec fil néogène tuyau rond plus petite que le 977 (673), avec fil néogène tuyau plat, plus grande que le 673 (973), Aristoph grande, tuyau plat (975b).
    36-gambier-series
  1. Fume Cigares et Fume Cigarettes: sigaren en sigarettenpijpjes van het tip-model.
    Fume-cigares néogène, long (1489), Fume cigarettes néogène, court (1490), Fantaisie Fume-cigarettes à fleurs (1540).37-gambier-series
  1. Pipes extra et pipes d'étalage: pijpen met een uitzonderlijk grote ketel. In de catalogi van Gambier worden de etalagepijpen ofwel de pipes d'étalage niet afgebeeld. Dit is niet verwonderlijk, deze produkten waren niet in de handel zoals de normale rookpijpen.
    Omnibus 0,55 de long (120), Pipe monstre, forme 553 (1434), Pipe monstre, forme 1305 (1435).
    38-gambier-series
  1. Ecumes Françaices, culottant à l'air: serie pijpen, die wanneer men ze uitpakte en aan het daglicht blootstelde, langzaam de kleur van een doorgerookte pijp kregen. Het geheim van deze verkleuring zat hem in een vinding van Gambier. Men verkreeg dit effect door de pijp in een donkere kamer in een alcohol­houdende vloeistof te dompelen. Daarna liet men de pijpen drogen, werden ze gelakt en vervolgens verpakt. Iedere pijp werd daarbij in een apart papiertje verpakt. Dit alles gebeurde in het donker, want zodra de pijp aan het daglicht werd blootgesteld begon de pijp te kleuren. Voor de werknemers was het werken aan deze pijpen geen pretje. In de donkere kamer zal weinig frisse lucht binnen gekomen zijn en de alcoholdampen waren ongezond. Herhaaldelijk raakten werknemers door het dompelen van de pijpen beneveld door de alcohol.
    Van deze serie zijn mij geen specifieke vormnummers bekend.
    39-gambier-series
  1. Pipes Noël: pijpen met op de ketel of op de steel gestempeld of in reliëf het merk NOEL A PARIS of NOEL LYON. Pipes Magnétiques longues: lange pijpen van uiteenlopende modellen van terre magnétique, merk NOEL LYON. Touwtje om het mondstuk. Deze pijpen dragen vormnummers uit de 200, 300 en 400 serie, maar beschrijvingen ervan zijn niet opgenomen in de Nomenclature van de Gambier pijpen.
    221, 389, 390, 436, 440, 443, 445, 446, 448, 453, 454, 457.
  1. Pipe Magnétiques courtes: korte pijpen met een uiteenlopend model van terre magnétique, merk NOEL LYON. Touwtje rond het steeleinde.
    177, 179, 394, 458, 520, 521, 522 en 523.
    40-gambier-series
  1. Pipes calcinées: pijpen van terre Gambier, die - aldus de catalogus van 1908 - een speciale behandeling hebben gehad, waardoor zij lijken op de fraaiste meerschuimpijpen uit Wenen. Bedoeld wordt het lakken van de pijp en het bruinbranden van de ketelopening, waardoor de pijp op een veelgerookte meerschuimpijp lijkt.
    142, 521, 7279, 1394, 1487, 1673.
    41-gambier-series
  1. Pipes genre bruyère: pijpen van klei die geschilderd zijn in de kleuren van een houten pijp.
  2. Pipes émaillees: geëmailleerde pijpen op verzoek gemaakt. Het was mogelijk alle modellen van een speciaal schilderémail te laten voorzien. Speciaal aangeprezen werd het mille points-émail, waarbij op de pijp een vier-kleuren decoratie van émailstippen werd aangebracht. Ieder gros bestond uit vier verschillende ontwerpen.
    387, 643, 1079, 1101, 1269, 7279, 1338, 1363, 1446, 1523, 1647, 1648.
  1. Pipes à nom: pijpen met een naam of reclameopschrift, speciaal in opdracht gemaakt. Deze pijpen waren doorgaans als geschenk bedoeld. De naam of het opschrift werd op de bovenzijde van de steel in émail geschreven. Dergelijke produkten werden in een houten foedraal, die over de lengte  openklapte, verkocht. Op het slotje dragen deze foedralen een ingeslagen merk bestaande uit de letters J.G.

Naast een opschrift met émail was het ook mogelijk een tekst of decoratie in de vorm te laten graveren. De afnemers moesten dan een minimum order van één gros pijpen plaatsen. Bij de inscriptie ging men uit van maximaal 18 letters. De prijs per gros was ongeveer vier maal hoger dan de pijpen zonder opschrift.

42-gambier-advertentie
Afb. 42. Reclame voor Gambierpijpen,

Ontwerpers en hun modellen

Gambier liet de pijpen hun eigen taal spreken en vertelde aan de hand van zijn kunstige produkten eeuwen geschiedenis van de mens, zijn fantasieën, grillen, bevliegingen en waanvoorstellingen. Wie de figurale pijpen van Gambier bekijkt, krijgt een stijgende bewondering voor het vakmanschap. De originaliteit van de decoratie is groot, het aantal modellen uiteenlopend. De voorstellingen zijn aldoor op een ingenieuze en perfecte wijze tot pijp verwerkt. De verhoudingen kloppen steeds, figuurpijpen zitten anatomisch perfect in elkaar. De details zijn minutieus weergegeven ongeacht het feit of het simpele of gecompliceerde versieringen betreft. Kortgezegd het produkt van Gambier staat op een hoog artistiek niveau. In de fabriek van Gambier moet een perfecte samenwerking bestaan hebben tussen de ontwerper, die een klei- of gipsen model vervaardigde en de vormgieter en graveur, die de technische verwerking van het model tot pijpvorm in handen had. Hoewel verschillende modellen en decoraties imitaties van produkten uit andere fabrieken zijn, heeft men in de pijpenfabriek van Gambier veel originele produkten gemaakt.

Helaas zijn de ontwerpers en graveurs van Gambier anoniem gebleven. Zij waren echter geen kunstenaars, maar bekwame ambachtslieden. De fabriek van Gambier was uit een ambachtelijke sfeer voortgekomen. De prestaties, die men er leverde, zijn opmerkelijk en beslist noemenswaardig, echter zij vinden geen aansluiting bij de groep van kunstenaars, die in die dagen aanzien genoot. Dankzij hun vakmanschap en de inventiviteit van de ontwerpers en vormmakers was de fabriek in staat de ideeën van kunstenaars, vooral beeldhouwers en grafici, op een technisch perfecte en artistiek verantwoorde wijze tot rookpijp te verwerken.

Men speelde daarbij vooral in op de actualiteit. De pijp moest goed verkoopbaar zijn. Vooral voorbeelden uit de meer traditionele kunst en de actualiteit vielen hier onder. Welke kunstenaars tot voorbeeld dienden, blijft onduidelijk. Volgens overlevering zouden La Housse en Dantan Jeune voor Gambier gewerkt hebben. La Housse was lid van een ontwerpersfamilie uit Douai en maakte mallen voor pijpenfabrieken in Nord. Hij zou dus ook voor Gambier ontwerpen gemaakt kunnen hebben. Echter, over de persoon is verder niets te vinden. De verschillende kunstenaars-lexicons vermelden hem niet.

Dantan Jeune leefde van 1800 tot 1869. Hij was een kunstenaar, die als de beste gips kon modelleren. Een menigte figuren zijn door hem ontworpen gedurende de regeringsperiode van Louis­Philippe en het Second-Empire. In 1839 werd "Musée Dantan, Galerie des Charges et Croquis des Célébrités de l'époque" geopend. Zijn voornaamste werken werden hier tentoongesteld. Talloze figuren door hem ontworpen komen we ook als pijp bij Gambier tegen. Dantan modelleerde echter beslist geen produkten voor Gambier. De fabriek volgde zijn werk en nam ontwerpen, die voor de fabricage als pijp geschikt waren, van hem over.

43-pijpelijntjes-dantan-soulie
Afb. 43. (APM 149)
44-pijpelijntjes-dantan-zelfportret
Afb. 44. (APM 8.529)

Een bekend voorwerp naar een sculptuur van Dantan, is de fraaie karikatuur van de schrijver Frédéric Soulié (1800-1847). Gambier bracht deze pijp uit in twee formaten. Het beste voorbeeld is de grote kop, waaraan een houten steel gemonteerd werd. Dit model kreeg vormnummer 425. De steelpijp is kleiner van kop en het ketelontwerp is minder zwierig. De pijp heeft een rechte steel met knoop en heeft vormnummer 625. Een bijzonder produkt is het zelfportret van Dantan (modelnummer 376). Een ode van Gambier aan de negentiende eeuwse kunstenaar, maar tevens een getrouwe kopie van het werk van deze beeldhouwer. Een goed voorbeeld van een ontwerp van Dantan, waarbij Gambier veranderingen aanbracht, is de pijp van Nicolo Paganini, die modelnummer 1157 meekreeg. Het produkt werd pas gemaakt ruim een generatie na de dood van de violist en componist. De ketel van de pijp stelt het hoofd van de vioolvirtuoos voor. Om de karikatuur beter herkenbaar te maken, werd op de steel een liggende viool uitgebeeld.

Ook de Franse beeldhouwer Frédéric Auguste Bartholdi (1834-1905) zou Gambier tot voorbeeld gediend hebben. Hiervan zijn mij echter geen produkten bekend. De copiëerlust van Gambier wordt bevestigd door een serie produkten, die van werken van verschillende kunstenaars zijn afgekeken. Enkele voorbeelden: een pijp in de vorm van Napoleon I, modelnummer 330, is naar het bekende standbeeld van Seurre gemaakt. Het beeld van Thomas Vinçotte van koning Leopold II diende als voorbeeld voor een pijp in de voorstelling van de portretbuste van de Belgische koning.

Ook grafici werden op de voet gevolgd. Zo was het werk van Grandville een belangrijke inspiratiebron voor de ontwerpers. Deze kunstenaar heette officieel Jean-Ignace-Isidore Gérard en hij leefde van 1803 tot 1847. Als medewerker aan verschillende satirische tijdschriften maakte hij politieke en sociaalkritische karikaturen. Een belangrijk deel van zijn bekendheid dankte hij aan de illustraties voor de fabels van De la Fontaine. Ook zijn tekeningen, waarbij dieren de rol van mensen en mensen de rol van dieren vervullen, hadden grote bekendheid. Voor de ontwerpers van Gambier zijn vooral deze laatste prenten een belangrijke bron van inspiratie geweest. Letterlijk overnemen van deze prenten was niet mogelijk, maar verschillende typen uit zijn series zijn tot pijp geworden. Enkele voorbeelden: L'Ane coquet (659), Mère Loup (1041), Oiseau voyageur (1165), Crapaud priant (944). Het zal de populariteit van Grandville geweest zijn, die voor Gambier een positieve bijdrage gaf in de verkoop van de pijpen.

Men heeft beweerd dat ook Daumier voor Gambier werkte. Enkele pijpmodellen benaderen ontwerpen van deze kunstenaar, maar het zijn speculaties, die niet door schriftelijke bronnen bevestigd worden. Ook Daumier genoot een tè grote bekendheid, om zich als ontwerper aan een pijpenfabriek te binden. Grafisch werk bleef belangrijk. Zo werd de pijpekop van de graaf La Rochejaquelin (401) gemaakt naar voorbeeld van een gravure van C. Hourdain, die op de titelpagina van zijn "Mémoires" is afgedrukt en uitgegeven werd door de markiezin La Rochejaquelein. De pijpekop die de Impératrice Eugénie de Montijo voorstelt, model­ nummer 844, is gemaakt naar een afbeelding van Winterhalter.

Helaas is het niet bekend of er in de bloeitijd van de figurale pijp één of meerdere ontwerpers waren en of de ontwerper tevens de vorm maakte en afwerkte, of dat hiervoor aparte mensen in dienst waren. Aan het groeien van het aantal vormnummers kunnen we wel afleiden, dat er in de beste dagen van de fabriek ongeveer dertig nieuwe pijpmodellen per jaar werden gemaakt. Daarnaast moeten we niet vergeten, dat de versierde mallen betrekkelijk snel sleten en geregeld vervangen moesten worden. Na produktie van ongeveer 5.000 pijpen moest de pijpvorm opgehaald worden. Dit was noodzakelijk, omdat het sluitwerk van de vorm betrekkelijk snel uitsleet, waardoor de pijp voor de tremster arbeidsintensiever werd. Bij een jaarproduktie van 50 miljoen pijpen zal men dus jaarlijks ongeveer 10.000 vormen hebben moeten ophalen. Daarnaast zal men gemiddeld op iedere 50.000 pijpen een nieuwe vorm hebben gemaakt. Een kleine rekensom leert ons dat men dus ongeveer 1.000 nieuwe vormen jaarlijks moest gieten !

Uit deze grote aantallen blijkt, dat de vormmakerij van Gambier een belangrijke afdeling was. De modelleur zal de ontwerpen gemaakt hebben. Deze ontwerpen werden dikwijls eerst op papier uitgevoerd en daarna in gips of klei gemodelleerd. Vervolgens werd een messing mal gegoten, in zoveel delen als nodig is om de pijp goed lossend te krijgen. In tegenstelling tot de meeste pijpmakerijen werd bij Gambier geen concessie aan het model gedaan om de vorm beter lossend te krijgen. De vormmakers waren meesters in hun vak en verstonden de kunst meerdelige vormen te maken. Wanneer de vorm in messing gegoten is, wordt de decoratie met burijnen verder uitgewerkt en de ongedecoreerde delen worden dan gladgepolijst. Het plaatsen van de sluit en stuurpennen is werk voor een eenvoudige vormmaker of vormhersteller. Deze man voerde ook de reparaties aan de vormen uit. In de vormmakerij werden tevens de merkstempeltjes en de merkplaatjes vervaardigd. Ook hiervan had Gambier een aanzienlijk verbruik, aangezien men alle produkten van een apart gestempeld merk voorzag.

De voorstellingswereld van de Gambierpijpen is zeer uitgebreid. We treffen op de pijpen personen uit de bijbel aan, historische, legendarische en mythologische figuren, maar ook personen die in de tijd van produktie populair waren, zowel uit de politiek als uit de actualiteit. Verder karikaturen, theaterfiguren, componisten, enz. Ook een uitgebreide dierenserie, waaronder verschillende fabeldieren, werden in een pijp vastgelegd. Daarnaast kende men nog een keur aan bloem- en bladerversieringen, vruchtendecoraties, geometrische voorstellingen en alsof dat nog niet genoeg was, tevens beschilderde versieringen in een meerkleurig schilderémail.

De Gambierpijp heeft werkelijk alle gedaantes die men zich kan voorstellen gekend. Van een schildpad, een meloen, een vogelnest, twee aapjes of een duivel tot een vrouwenbeen, de Christuskop, een schedel of wijnkan toe. Veel ontwerpen zijn tijdgebonden. Zo leidden de beweringen van Adolphe Thiers in 1870 tot de verkoop van 57.000 Gambier pijpen in de vorm van zijn hoofd, toen de oorlog van 1870 was beëindigd. Enkele jaren later was hij vergeten. Zijn portret bleef afgebeeld in de catalogus (modelnummer 1365), maar pijpen werden niet meer van hem verkocht. Beter in de markt lag de comédiante Anna Judic (1850-1911). Van haar werden jaarlijks ongeveer 30.000 pijpen verkocht (modelnummer 1392). De verkoop van pijpen met het hoofd van Boulanger werd in Elzas­Lotharingen verboden. De Duitse bewoners zagen de pijp als een opstandigheid (modelnummer 1491).

45-pijpelijntjes-pasja
Afb. 45. APM 14.369
46-pijpelijntjes-lutherien
Afb. 46. APM 8.614

In oorlogstijd maakte men generaals en als de vrede weer gesloten was, kwamen de keizers en koningen op de markt. Gambier bezat de cultus van het personaliseren, zonder daarbij met een bepaalde partij te sympathiseren. Voor de ene partij maakte men de generaal, maar ook voor de tegenstanders had men een afgodsbeeldje in produktie. Ook op godsdienstig gebied trok Gambier geen partij. De katholieke Pius IX werd naast de protestant Luther (afb. 46) gemaakt en ook de patriot Père Enfantin werd in dezelfde oven gebakken.

Voor liefhebbers in de Franse regio had men de Grisette Bordelaise, een lieftallig naaistertje of de Basque beschikbaar, maar wiens voorkeur uitging naar de verre kon uit de Chinees, de mandarijn, de Zoeloe vrouw of uit L'Isthme de Suez roken. Het tragische gezicht van Gambier zien we terug in le Pendu, le squelette en la mort. Wanneer de Duc de Reichstadt Frankrijk bezoekt, krijgt deze allerlei geschenken aangeboden. Onder deze giften bevindt zich een pijp gewijd aan de Roi de Rome.

Een van de laatste politieke twisten die Gambier uitvocht, was de verkiezingsstrijd tussen Taft en Bryan in de beginjaren van deze eeuw. Beide partijen werden door Gambier van pijpen voorzien. Uiteindelijk werd Taft tot president gekozen en het is begrijpelijk dat de pijpen met Bryan erop daarna van de markt verdwenen. Voor de voorraad van Bryan toonde men pas 35 jaar later interesse en het is de pijp die we nu nog geregeld in de handel tegenkomen.

Bij verzamelaars zeer geliefd zijn de toon- of presentatiestukken van de firma Gambier. Deze pijpen zijn van een uitzonderlijk groot formaat en dienden als speciale trekker op een tentoon­ stelling of in de étalage van een belangrijke pijpenwinkel. Over de oplage en de verspreiding van deze opmerkelijke produkten is niets bekend. Waarschijnlijk werden deze pijpen geleverd aan belangrijke afnemers. Of het presentatiestuk ook gewoon in de verkoop was, weten we niet. De aanmaak van een nieuw toonstuk zal gebeurd zijn ter gelegenheid van een belangrijke tentoonstelling, waaraan door Gambier werd deelgenomen. Het oudst bekende presentatiestuk is gewijd aan de Franse wet op de fabrieksarbeid van 22 maart 1841. Deze pijp was te zien op de 11me Exposition de l'Industrie Nationale, die in 1849 te Parijs gehouden werd. Het produkt is 15,5 centimeter hoog en beeldt op romantische wijze de wet uit, gesymboliseerd door drie arbeiders uit de fabriek van Gambier, allen met een pijp in de hand. Een man en een vrouw zijn staande aan weerszijden van de kop afgebeeld, een kind zit onder een met rolwerk omlijst schild waarop de tekst "PIPES GAMBIER". Het produkt is rijkelijk met bladeren en bloemen versierd en aan de achterzijde van de ketel zijn twee penningen afgebeeld. Op de ene lezen we "REPUBLIQUE FRANCAISE" en op de andere "EXPOSITION NATIONALE 1849". Zoals alle toonstukken is ook deze pijp in een normale pijpvorm gemaakt, in een oplage groter dan men meestal vermoedt. De pijp is op een vorstelijke wijze opgeschilderd met talloze kleuren schilderémail.

Een historisch interessant presentatiestuk heeft een hoogte van 21 centimeter en stelt het hoofd van Abd-el-Kader voor, die leefde van 1808 tot 1883. Deze beroemde Arabische emir dankte zijn populariteit aan de verzoening met Frankrijk in het jaar 1853. Door verschillende Franse pijpmakerijen werd hij als rookpijp verkocht. Gambier had de vorm van deze étalagepijp overgenomen van de weduwe Blanc-Garin & Guyot, die deze pijp tussen 1853 en 1860 in omloop bracht. Zowel het merk van Blanc-Garin als dat van Gambier komt op dit produkt voor. Deze pijp is bekend in witte en in rode klei en is ook wel met meerkleurig émail opgeschilderd. Door Gambier werd Abd-el-Kader ook verkocht in een gebronsde versie. De ketel van deze pijp heeft veel weg van de in die tijd gebruikelijke produkten, echter met de steelaanzet heeft de ontwerper moeilijkheden gehad. Deze steel komt uit een zware blokvormige sokkel voort, waarop de pijp kan staan. De verhoudingsgewijs te forse steel in met motieven uit de Vlaamse renaissance versierd.

Elegant is de pijp die Diane de Poitiers voorstelt. Van de serie toonstukken is deze pijp het grootst en heeft een hoogte van 25 centimeter. De uitbeelding is maniëristisch met een lange hals en de ketel is aan de bovenzijde afgedekt met een dekseltje, waardoor een volsculptuur ontstaat. Op de onderzijde van het borstbeeld vinden we symbolen van de jacht en een schild met opschrift. De aanzet van de steel met manchet is bij dit produkt beter geslaagd en de pijp is op alle plaatsen redelijk dunwandig en hierdoor aanmerkelijk lichter van gewicht dan de reclamepijp in de voorstelling van Abd-el­ Kader.

Aan de oudheid ontleend is de voorstelling van het hoofd van Juno, de vrouw van Jupiter. Ook deze pijp is een perfecte vergroting van een kleine gezichtpijp. De godin draagt een band om het haar en rond de steel, bij de manchet, zijn ranken met bladeren en vruchten aangebracht. Een van de bekendste toonstukken van Gambier is Le Pacha. Dit produkt is in verschillende formaten vervaardigd en stelt een bebaarde mannekop voor met een tulband, die meestal veelkleurig is geëmailleerd.

47-pijpelijntjes-jacob
Afb. 47. APM 19.457

Ook onder de gewone rookpijpen vinden we opmerkelijke voorbeelden. De meest bekende pijp is de Jacobpijp (afb. 47). Het is een patriarchale kop met een grote baard en tulband, waarop een lint met spreuk. De voorstelling is ontleend aan de Jacob uit het Oude Testament, maar er wordt ook wel beweerd dat de pijp Henri Jacob, de trombonist van het Franse leger van de keizerlijke garde in Afrika voorstelt. De lange baard en de hoge tulband met gekleurde émail-stippen, die edelstenen voorstellen, hebben echter niets met het uiterlijk van de trombonist te maken. Een extra bevestiging dat deze kop de Bijbelse persoon voorstelt vinden we in een Franse pijp uit de negentiende eeuw met hetzelfde uiterlijk, die Abraham voorstelt en die op het lint het opschrift "LE VERITABLE ABRAHAM" draagt. De Jacobpijp ontstond waarschijnlijk in de jaren veertig van de vorige eeuw en de uitvinding wordt aan Gambier toebedacht. Hiervoor zijn echter geen bewijzen. De oudste Jacob is de steel­Jacob, de manchet-Jacob is later ontstaan en de gravering hiervan is minder zwierig. Door de jaren heen zijn door Gambier tientallen Jacobvormen versleten. De Jacobpijp werd de populairste manchetpijp, vooral geliefd op het platteland met als voornaamste streek van afname Bretagne. Ruim vijftien verschillende modellen zijn ervan gemaakt. Vormnummers: 3, 9, 948, 998, 1008, 1008bis, 1048, 1498, 1505, 1598, 1608 en 1618.

48-pijpelijntjes-narcissus
Afb. 48 . APM

Naast de Jacobpijp is ook de Narcissus erg populair geweest (afb. 48). De kop van deze steelpijp stelt het hoofd van de knappe jongeman voor, die volgens het Griekse verhaal gestraft werd door het afwijzen van de liefde van de nimf Echo. Hij werd door de godin van de liefde bestraft met liefde tot zijn eigen spiegelbeeld, dat hij zag in een bron waaruit hij wilde drinken. Hij greep er naar en verdronk en de goden veranderden hem in een narcis. Ook de Narcissuspijp is bij tienduizenden gemaakt gedurende een lange periode. Er zijn verschillende formaten bekend. Door welke groep rokers deze pijp gekocht werd is niet bekend.

Een derde groep pijpen die grote populariteit genoot is la mouche. Door bijna alle pijpmakerijen in Frankrijk, maar ook in België, Nederland en het Westerwald zijn deze pijpen gemaakt. Hoe veelgevraagd de vlieg was wordt bewezen door de ruim 25 verschillende vlieg pijpen, die in de jaren tachtig van de vorige eeuw bij Gambier in produktie waren. Tussen de vleugels van het dier zien we steeds een andere letter of cijfer. Dit cijfer was in de vorm geplaatst om bij imperfecties aan de pijp bij de kaster of bij de tremster te kunnen reclameren. Ook bij de middelgrote Jacobpijp zien we deze merktekens, nu in de vorm van letters. Sommige vliegen lijken op een honingbij en er wordt wel beweerd dat zij het symbool van de hereniging van de Bonapartisten waren. Ook de pijp met de vliegdecoratie werd dikwijls van een meerkleurige émailbeschildering voorzien.

Behalve voor de Franse markt werden ook veel pijpen voor het buitenland gemaakt. Rond 1870 komt het néogènemodel op de markt (modelnummer 1354), met op de voorzijde van de ketel een bos bloemen, bijeengehouden door een lint met het opschrift: REMENBER. De graveur of vormmaker, die het opschrift met een slagstempel in de vorm sloeg, was kennelijk onbekend met de Engelse taal en vergiste zich met de tweede letter M. Andere bekende modellen voor de verkoop in Engeland zijn      skating rink (7367) en Happy Jack (1407). De laatste pijp toont op de steel de zittende mijnwerker en kwam kort voor het eind van de negentiende eeuw opnieuw in produktie (7636). Uit de jaren tachtig stammen de bekende modellen die Disraeli, Gladstone en Victoria voorstellen. Er zijn meer voorbeelden van produkten voor de buitenlandse markt aan te halen.

Vorm- of modelnummers

Op veel pijpen van de Firma Gambier is het vorm- of modelnummer aangebracht. Meestal is dit nummer in reliëf op de steel geplaatst. Vooral bij het toenemen van het aantal verschillende modellen, wordt het gebruik van een nummer noodzakelijk. Het werken met nummers heeft grote voordelen voor de fabrikant, grossier en detailhandelaar. Bij bestellingen kunnen verwarringen door onduidelijke naamgeving van het pijpmodel vermeden worden, door vermelding van het modelnummer. De nummering van de vormen, die in de catalogi van 1894, 1905 en 1908 voorkomt, is rond 1860 opgezet. Mogelijk gebeurde dit toen de fabriek van Blanc-Garin & Guyot in het bedrijf van Gambier werd opgenomen. Uit de eerste duizend modelnummers van Gambier blijkt geen chronologie. Naar het zich laat aanzien, heeft men de vormen zonder enig systeem genummerd, of heeft men gedurende een lange periode vormnummers vervangen, waardoor de chronologie gaandeweg verdween. Hierdoor kunnen we deze modelnummers niet dateren.

49-gambier-modellenbestand
Afb. 49. Groei van de modelnummers bij Gambier.

Vanaf nummer 1000, dat rond het jaar 1860 bereikt werd, zijn de vormen chronologisch genummerd (afb. 49). In 1870 had men even over de 1300 modellen. Dan neemt de groei van nieuwe modellen af. In de volgende tien jaar komen er slechts 110 modellen bij, die het aantal in 1880 op ongeveer 1425 brengt. In 1890 zijn er ongeveer 1550 pijpmodellen en in 1900 zijn dit er 1650. Vijf jaar later, in 1905, heeft men 1684 vormen. Wanneer er een nieuwe vormmaker komt, vervolgt men de serie met het nummer 2000. De traditionele stijl verdwijnt in die tijd en maakt plaats voor een graveerwijze, die aan één persoon is toe te schrijven. De 2000 nummers, waarvan de vormen gemaakt zijn tussen 1905 en 1914, hebben in het totaal 40 nummers gekend. Het zijn vrijwel allen koppen waaraan een caoutchouc roer gemonteerd werd, dat met behulp van een nikkelen busje aan de pijpekop bevestigd werd. De waardering, die men in het bedrijf had voor de vormmaker blijkt uit een loonsvergelijking uit het jaar 1908. De directeur verdient dan 4000 francs, de portier 500 en de vormmaker 1500 per jaar (noot 7)

De groei van de modelnummers heb ik in een grafiek uitgezet. Hieruit blijkt dat de bloei van de figurale pijp tot rond het jaar 1870 loopt. Na dit jaar zien we de interesse in de versierde pijp teruglopen. De aanmaak van vormen blijft echter tot het begin van deze eeuw constant. Voor modelnummers boven de 1000 kunnen we dus met behulp van deze grafiek het beginjaar van de produktie van een bepaalde pijp vaststellen. Na het jaar 1914 zijn er door Gambier geen nieuwe vormen meer gemaakt. De laatste kasters in de fabriek werkten uit mallen van tien of meer jaar oud. Toen de fabriek liquideerde waren er nog ruim duizend bruikbare pijpmallen aanwezig. Een twintigtal Gambier-vormen vinden we later bij de Franse pijpmaker Louis Laville te Montluçon. Van de andere vormen is niet bekend wat hiermee is gebeurd. Er wordt beweerd dat zij omgesmolten zijn.

De fabrieksmerken

Wanneer de faam van de Gambierpijpen gevestigd is, verlaat geen produkt de fabriek meer, zonder van een merk voorzien te zijn. Dit merk bezegelde de kwaliteit van de pijp, waarvoor de fabriek garant stond. Fabricage-technisch onderscheiden we bij Gambierpijpen drie soorten merken. Reliëfmerken, die in de vorm aangebracht werden; gestempelde merken, die na het kasten in de nog zachte klei gedrukt werden en tenslotte papieren merkplakkers, die rond de steel geplakt werden.

50-gambier-reliefmerken
Afb. 1-10. Reliëfmerken op de steel.

De reliëfmerken werden met slagstempels in de vorm geslagen. Deze groep merken betreft steeds de fabrieksnaam, soms met vermelding PARIS of A PARIS. De oudste reliëfmerken met de fabrieksnaam zijn in een ovaal met parelomlijsting geplaatst. De ondergrond van dit ovaal is soms geruwd (afb. 1 t/m 6). In later tijden, maar in ieder geval voor 1885, plaatst men de naam zonder omlijsting op de pijp. Mogelijk liet men de omlijsting uit economische overwegingen weg. Het maken van de omlijsting en de geruwde ondergrond was een arbeidsintensief karwei (afb. 7- 9).

Het opschrift GAMBIER A PARIS wordt gebruikt vanaf het moment dat Gambier in deze stad een verkoopkantoor opent. Tot het einde van de pijpenfabricage is dit merk gevoerd. Het toevoegsel A PARIS was een snobisme van Gambier, in Parijs heeft men nooit pijpen gemaakt. Een opmerkelijk reliëfmerk draagt als opschrift RADIA en stamt uit het begin van deze eeuw (afb. 10). De betekenis is niet bekend. Mogelijk betreft het een opgekocht merk van een fabriek, die met de produktie stopte en zijn merken, waarop nog orders rusten, aan Gambier had overgedaan.

De naam van de firma Gambier was beschermd. Hiervan is als enige getuige bewaard gebleven een advertentie waarin Gambier de rokers waarschuwt voor de imitatie Gambierpijpen. De merken van deze falsificaties dragen opschriften als AMBIER, AMERIE, ANNIER, enz. Doordat het nazetten van de naam Gambier strafbaar was, bedachten de imitators varianten.

51-gambier-hielmerken
Afb. 11-2. Gestempelde hielmerken van Gambier.

Uitgebreider is de groep merken, die op de pijp gestempeld werden. Wij spreken hierbij van intagliomerken, in het frans en creuse genoemd. Deze groep valt in twee typen uiteen, de traditionele hielmerken, bestaande uit initialen en cijfers en de tekstmerken met een opschrift. (resp. afb. 11 t/m 21 en 22 t/m 39).

Het bekendste hielmerk is het initiaalmerk J.G. met parelomlijsting. De letters staan voor de stichter van de fabriek: Jean Gambier. Waarschijnlijk is dit merk een van de oudste merken van Gambier en het merk bleef in gebruik tot het eind van de produktie toe. Het zijn niet alleen de hielen van de pijpen, waarop dit teken gestempeld werd. Dikwijls werd het merk op de onderzijde van de ketel gedrukt en bij manchetpijpen vinden we dit merkteken op de steel, direct achter de manchet. Verschillende formaten hielstempels waren bedoeld voor de verschillende soorten hielen. Zelfs een ovale omlijsting, gebruikt op een langgerekte hiel, komen we tegen (afb. 14). Opmerkelijk en afwijkend van opzet is het stempel voor het model Omnibus (720), waarbij de J.G.-initialen een tweede omlijsting hebben in de vorm van een rand met vijfpuntige sterren (afb. 15).

Naast het J.G.-handelsmerk, voerde Gambier ook merken van Goudse pijpenfabrikanten. Op pijpen uit de tweede helft van de negentiende eeuw komen we de merken de gekroonde 17 en de gekroonde 46 dikwijls tegen. Waarschijnlijk werden pijpen met deze cijfermerken vooral naar België verkocht. Naar deze streken exporteerden ook de Goudse makers die op de 17 en de 46 werkten. Of beide merken van oorsprong door Gambier gezet zijn, of dat zij met de erfenis van Blanc-Garin & Guyot mee zijn gekomen, is niet bekend (noot 8).

Aardig zijn de merken voorstellende een letter H in een cirkel. Ook hiervan zijn verschillende versies bekend (afb. 18- 21). Zij komen voor op pijpen, die op de steel het intaglio naamstempel NOEL A LYON dragen. Deze pijpen waren speciaal populair om hun uitstekend doorrokende eigenschappen (noot 9). Het dient nog opgemerkt te worden, dat de hielmerken vrijwel altijd in combinatie met een steelmerk voorkomen. Dit steelmerk kan zowel een reliëfmerk als een intaglio naamstempel zijn.

52-gambier-merken
Afb. 27-30. Gestempelde ketelmerken.

Behalve het traditionele hielmerk, stempelde men bij Gambier op de ketel van de pijp dikwijls nog de naam van de fabriek (afb. 22- 25). Bij bepaalde produkten is hierbij een serie-aanduiding als CRÊME of PLUG-PIPE aangegeven. Onder deze groep valt ook het merk voor de JEAN NICOT-serie, met gelijknamig opschrift. Een opmerkelijk ketelmerk is op de fabrieksstart van Gambier te Givet gevonden (afb. 30). De orders, die op dit merk stonden, gingen blijkbaar naar Gambier over. De verkoop van merken was ook voor de Franse pijpmakers geen onbekend gebruik .

De steelpijpen van Gambier hebben vrijwel altijd een steelmerk. Met behulp van een koperen plaatje werd dit merk rond de steel gestempeld. We onderscheiden verschillende versies, waarbij er variatie zit in de grootte van het lettertype en de uitgebreidheid van het opschrift. Algemeen zijn de merken GAMBIER A PARIS M•M of M•H, soms voorzien van het woord DÉPOSÉ (afb. 31-33). Drie veel verkochte typen steelpijpen hadden een serie-aanduiding op de steel, die boven de merkvermelding aangebracht was. Serie-naam en merknaam waren gescheiden door een golflijn of een strakke lijn. Afwijkende steelmerken zijn ook afgebeeld (afb. 37-40).

53-gambier-steelmerken
Afb. 31-39. Intaglio steelmerken.
54-gambier-etiket
Afb. 40

Het merk NOEL werd door Gambier gezet vanaf het jaar 1890, toen een fusie tussen beide pijpenfabrieken tot stand kwam. Over het merk ECUME DE TERRE (afb. 38) is mij niets bekend. Ook dit merk is afkomstig van de fabrieksstort in Givet en zal door Gambier van een ander bedrijf overgenomen zijn. Een merk speciaal voor exportpijpen bedoeld is tevens afgebeeld (afb. 39). Het opschrift luidt A PARIS en wordt aan weerszijden met schuine strepen omlijst.

Naast de reliëfmerken en de intaglio-stempelafdrukken maakte Gambier gebruik van merketiketten of merkplakkers. Deze papieren etiketten werden rond de steel geplakt, over de steelintaglio. De verschillende series hadden hun eigen plakker, die zich in kleur en opschrift van elkaar onderscheidden. Bekend zijn o.m. merketiketten in de kleuren rood, blauw en groen (afb. 40).

De Gambierfabriek wordt geschiedenis

In 1922 lezen we in de Larousse onder Tête à Gambier de volgende omschrijving: se dit à une personne à figure grotesque. De Gambierpijp is in die dagen nog een begrip en als uitdrukking waardig genoeg. De kwaliteit van het produkt is na de Eerste Wereldoorlog echter achteruit gegaan. De fabrieksleiding weet, dat het maken van kleipijpen een aflopende zaak is. Orders zijn er voldoende, maar het ontbreekt aan goed opgeleide arbeiders, die met een redelijk tempo de pijpen kunnen kasten. Ook aan vrouwen, die de pijpen willen afwerken, is een gebrek. Email wordt bijna niet meer toegepast. Hiervoor heeft men geen werknemers beschikbaar. De klei is minder fraai van structuur en de pijpen uit de laatste jaren zijn kalkachtiger, breekbaarder en roken dikwijls vlekkerig door.

Na het sluiten van de fabriek in het midden van de jaren twintig, blijven de meeste gebouwen ongebruikt. Wanneer in 1944 Givet door het Amerikaanse bevrijdingsleger bezet wordt, gebruiken de militairen de usine neuve, het grote gebouw waar eens de rolders, kasters en tremsters werkten, als kazerne. De voorraden oude pijpen, die in kisten op de eerste verdieping bijeen stonden, wierp men uit het raam. Het hout van de kisten gebruikte men als brandhout en de berg pijpen op de binnenplaats werd met jeeps aan stukken gereden.

Na de oorlog wordt er in de "nieuwe fabriek" een pantoffelfabriek gevestigd. Het interieur van het gebouw is nog ongewijzigd. In 1961 koopt de gemeente het gebouw. Een ingrijpende verbouwing maakt een modern schoolgebouw met ruim twintig klaslokalen van het oude fabrieksgebouw. Het Lycée Vauban wordt erin gehuisvest. De voormalige Jardin Garin wordt speelplaats en op de plaats van de oude fabriek van Blanc-Garin verschijnt een moderne kleuter­ school (noot 10).

Gaandeweg vergeet men de historie van de Gambierfabriek. De oude werklieden willen niet meer over de fabriek praten. Hun herinneringen aan de muffe werklokalen, de lange arbeidstijden en de lage lonen zijn niet erg best. In 1950 verschijnt ter gelegenheid van een tentoonstelling van pijpen een brochure over de pijpenindustrie in Givet. Helaas is men dan al niet meer in staat een volledige historie van het bedrijf te schrijven. Een stuk van het Gambierarchief, dat in het stadhuis van Givet was opgeslagen, ging bij de evacuatie van 1940 verloren.

Catalogi en ander reclamemateriaal vonden kort na het einde van de oorlog hun weg naar Canada. Een fotoboek met foto's van de fabriek en zijn produkten, dat in het museum in de Tour de Victoire werd bewaard, blijkt ineens verdwenen. Alleen de burgemeester van Givet bezit nog een pijpenkollektie van ongeveer 450 modellen.

Wie tegenwoordig Givet bezoekt, kan aan de Rue André Bouzy de verbouwde nieuwe fabriek zien. Tevens staan hier nog enkele andere gebouwen van de pijpmakerij, zoals het verbouwde conciërgehuis. Ook het gebouw van de kleibereiding en het émailleergebouw staan nog overeind. Wat eens een belangrijke fabriek was, zijn nu bouwvallen, waaraan menigeen met schouderophalen voorbij loopt.

 

© Don Duco, Amsterdam/Leiden, 1981.

 

Noten

  1. Culot, Traité theorique et pratique du culottage des pipes, Paris, Étienne Sausset, 1866.
  2. Roger Fresco-Corbu, ‘Fancy French clay pipes’, Art & Antiques weekly, July 20, 1974, Vol. XV, nr. 8, p. 21.
  3. W. Fairholt, Tobacco, its History and Associations, including an account of the Plant and its Manufacture; with its modes of use in all ages and countries, London, Chapman and Hall, 1859, pag. 179-189.
  4. Spire Blondel, Le Tabac, le livre des fumeurs et des priseurs, Paris, préf. du Baron O. de Watteville, 1891.
  5. Voor de verklaring van de modelnamen zie ook: Don Duco, ‘De naam van de pijp’, Pijpelijntjes, V- 1/2, 1979.
  6. Zie: Pijpelijntjes, VI- 1, pag. 7.
  7. Archives Départementale te Charleville-Mezières, H. Collin: Inventaire de la Sous-séries I-J, Direction génerale des archives de France, département des Ardennes, 1977. Archives de Gambier 1907-1923. 1 J 66.
  8. Zie: Pijpelijntjes, VI- 2, pag. 4.
  9. Zie: Titelpagina catalogus Gambier, 1894,
  10. Léon Voisin, Les pipes en terre de Givet, Charleville, 1950.
  11. Tabagies, Exposition d'Affiches présentées par le Musée des Arts décoratifs et le S.E.I.T.A., z.jr., afb. 82 en 83.