Alfred Dunhill’s fascinatie voor de tubular pipe

Auteur:
Don Duco

Originele titel:
Alfred Dunhill's fascinatie voor de tubular pipe

Jaar van uitgave:
2007

Uitgever:
Stichting Pijpenkabinet

Beschrijving:
Een prehistorische tubular pipe uit de collectie van Alfred Dunhill besproken in vergelijking tot vier andere buisvormige pijpen uit vroege Engelse collecties.

Belangstelling voor de oorsprong van het roken werpt de vraag op hoe de oudste pijp er uit heeft gezien. Naast het prototype van de pijp met een ketel voor het branden van de tabak en onderscheidelijk daarvan een steel om de rook aan te zuigen, bestaat in diverse culturen de buisvormige pijp ofwel de tubular. Door vroege dateringen van archeologische exemplaren is het een hypothese dat de buisvorm de oervorm is. De meest primitieve pijp zou dus ook de oudste zijn, al geldt dat niet overal ter wereld.

Een auteur die veel aandacht aan de tubular besteedt is Alfred Dunill. In zijn The Pipe Book wijdt hij een heel hoofdstuk aan deze pijp. In dat hoofdstuk begint hij bij de oorsprong van het roken en legt daarbij extra nadruk op de vroege datering van de tubular. Hij beweert ook mede op gezag van anderen dat de eerste rokers ofwel snoven door een rietje of botje, ofwel tabak oprolden tot een sigaar. Beide resulterend in een cilindrische of conische buisvorm, waar de tubular op geïnspireerd is. Geleidelijk werd voor een duurzaam materiaal gekozen en zo ontstond de buisvormige pijp.

In dit artikel beschrijf ik de oudste pijp uit de collectie van Alfred Dunhill in Londen. Een pijp die voor Dunhill een bijzondere betekenis had, omdat hierin voor hem de oervorm van de tabakspijp besloten lag. Na bespreking vergelijk ik deze pijp met vier andere tubular pijpen uit vier andere werelddelen. Ook deze pijpen komen in The Pipe Book voor. Twee exemplaren zijn overigens niet uit de verzameling van Dunhill, maar werden indertijd wel door hem onderzocht. Alle vijf objecten bevinden zich nu in de collectie van het Pijpenkabinet in Amsterdam. Van de vijf pijpen worden overeenkomst en verschil in materiaal, vorm, techniek en decoratie geduid, maar ook de wijze van roken en de plaats die deze pijpen in die samenleving hebben ingenomen.

Noord-Amerika

De vroegste tubular en tevens de oudste pijp uit de Dunhill-collectie is een prehistorisch exemplaar afkomstig van een opgraving in Californië, de streek waar de Indianen de buisvormige pijp hebben geïntroduceerd en algemeen hebben gebruikt. Het gaat om een pijp identiek aan het afgebeelde exemplaar in Dunhill’s The Pipe Book (afb. 1). Bij de eerste druk in 1924 bezat Dunhill zelf overigens nog geen voorbeeld van deze bijzondere Indianenpijp. Om die reden beeldde hij een voorbeeld af uit de collectie van het British museum. Het hier besproken exemplaar moet dus na 1924 aan zijn collectie zijn toegevoegd. Toevallig stamt deze pijp uit dezelfde cultuur en heeft sterk vergelijkbare uiterlijke kenmerken.

01-2007-dunhill-tubular-california-tubular
Afb. 1. APM documentatie

Het gaat om een monumentaal exemplaar van bruinzwarte steatiet met een lichte zweem van groen (afb. 2). De lengte van de pijp is ruim vijftien centimeter. Het voorwerp is enigszins conisch maar vernauwt zich aan beide einden zodat een lichte ovaalvorm is ontstaan. Om de ketelopening is een onopvallende filtrand te zien, terwijl het steelgedeelte toeloopt en afgerond is. Rond dit steeleind is de rand wat oneffen en minder strak dan wenselijk. De pijp is prachtig gaaf teruggevonden, wel met duidelijke gebruikssporen. Alhoewel zeldzaam, zijn dergelijke pijpen in prehistorische graven in Californië wel meer gevonden. Dit exemplaar is net over de Mexicaanse grens nabij (La Misión de) San Miguel aangetroffen, een kleine plaats in het noorden van het schiereiland dat vanaf Californië naar het zuiden loopt, parallel aan de kust van Mexico. De vinder is ene S. Bowers, doch de pijp kwam via het circuit van verzamelaars en onderzoekers bij Dunhill terecht. Dankzij een opschrift in witte inkt midden op de pijp is de informatie over de herkomst aan ons overgeleverd.

02-18.084  etn-indiaan-tubular-3
Afb. 2a. APM 18.084
02-18.084  etn-indiaan-tubular-4
Afb. 2b. APM 18.084
02-18.084  etn-indiaan-tubular-5
Afb. 2c. APM 18.084

De buisvorm wekt de indruk op een primitieve draaibank te zijn gemaakt en dat zou ook de meest logische en efficiënte werkwijze zijn. In deze vroege periode werkten de Indianen echter nog volledig uit de hand. Met een stokje waaraan een vuursteen als boor werd het voorwerp uitgehold. De steel is vanuit de ene zijde van de pijp ingeboord, uiteraard met een tamelijk dunne boor, daarna is de ketel vanaf de andere zijde gemaakt. Door het handmatig draaien van de boor is de schacht niet zuiver cilindrisch en recht geworden maar vertoont ringen met een licht verloop. De buitenzijde lijkt eerder uit de hand tot de juiste vorm te zijn gemaakt, de filtrand om de ketelopening incluis. Kortom, het gaat om een volledig handmatig gemaakt voorwerp.

Na het boren heeft men het de pijp nog uitvoerig nabewerkt. Inwendig is het ketelgedeelte overlangs verder uitgehold om de ringen van het boren kwijt te raken en de ketel beter bruikbaar te maken. Aan de buitenzijde is de pijp gladgeslepen al vertoont het oppervlak toch nog talloze kras- en slijpsporen die getuigen van het bewerken met primitief gereedschap. Blijkbaar kenmerkte een nieuwe pijp zich indertijd door een web van dergelijke slijpsporen. In de loop van het gebruik raakten deze krassen afgerond en sleten weg tot een mooier effen oppervlak ontstond, tenslotte met een warme patina van het veelvuldig hanteren.

Inwendig bestaat de helft van de buislengte uit de ketel bestemd om met tabak te worden gevuld. Deze ketel heeft een diameter van 2,4 centimeter en een diepte van zo’n 7 centimeter. Het ketel- en steelgedeelte is aan de buitenzijde van de pijp niet afleesbaar. Bij het beoordelen van de vorm van het object moeten we ons bedenken dat deze buis slechts de pijpenkop is. Het is volstrekt onverwacht, maar de Amerikaanse Indianen hebben deze kop op een holle stengel of op een vogelbot gemonteerd.[1] De tubular werd dus met een afzonderlijk roer gerookt. Met behulp van bitumen werd de aansluiting tussen de twee onderdelen luchtdicht gemaakt zodat geen valse trek kon ontstaan.[2] Die montage is nu nog zichtbaar in het steelgedeelte waar ondanks de ouderdom nog sporen van lijmstof aanwezig zijn.

Het stoppen van de pijp gebeurt op een speciale manier. Eerst wordt een propje gras onderin de ketel gedaan, die er voor dient om te voorkomen dat de tabakskruim in de mond kan komen. De tabak die de Indianen in deze streek roken is namelijk niet gekerfd maar gestampt en bestaat dus in feite uit bladsnippers, vandaar dat het gras als filter noodzakelijk is. Wanneer de tabak goed is aangedrukt wordt deze met een kooltje vuur aangestoken. Als de pijp voldoende brandt dekt men de tabak soms met een steentje af om de juiste trek in de pijp te behouden maar ook om het strooien van tabaksflinters en asresten tegen te gaan. De verpulverde tabak en het steentje maken het min of meer verticaal houden van de pijp dus tot een noodzaak. Uiteraard is dit van invloed op de rookhouding van de gebruiker die de pijp liggend gerookt zal hebben.

Het geven van een datering voor dit object is geen eenvoudige opgave. Sinds de vondst van deze pijp, vermoedelijk tussen 1880 en 1920 zijn nadere gegevens over de herkomst zoek geraakt, zoals overigens met zoveel verzamelaarsobjecten gebeurde. De gebruiksperiode van dergelijke pijpen loopt van 500 voor Christus tot de vorige eeuwwisseling, want de tubular pijp is in veel Indianenculturen tot kort na het jaar 1900 in gebruik gebleven. Hier lijkt het niet om een echt vroeg exemplaar te gaan maar eerder om een regulier product uit de tijd dat de vervaardigding al enigszins gestandaardiseerd plaatsvond. Veiligheidshalve is voor dit exemplaar een periodedatering tussen 500 en 1500 na Christus het meest zeker.

Kortom de hier afgebeelde pijp is primitief van vormgeving en afwerking, maar wel prachtig in zijn eenvoud. Hij diende een wijze van roken die al tamelijk ontwikkeld was en ook eeuwenlang zo is beproefd. Alhoewel steatiet in dit gebied het meest gebruikte materiaal is, wordt daarnaast soms serpentijnsteen en verder wel zandsteen gebruikt. De vormvariatie van de tubular pijp verschilt van conisch naar buisvorm, soms met een verbredend steeleind. In een aantal gevallen is halverwege, bij de overgang tussen ketel en steel een insnoering te zien, die de pijp een licht zandlopermodel geeft.

Dat de tubular pijp onder de Amerikaanse Indianen 25 eeuwen lang ongewijzigd gebruikt is heeft meerdere oorzaken. De stap van de buisvorm naar een pijp met een afzonderlijke ketel en een meestal haaks daarop staande steel is groot. De pijpenmaker moet aanzienlijke technische hindernissen overbruggen want een pijp bestaande uit twee onderdelen die in een bepaalde hoek op elkaar staan is beduidend gecompliceerder te maken: het boren van de twee openingen en vooral de verbinding tussen die twee onderdelen is lastig. Daarnaast was het roken van een tubular pijp bij deze Indianenstammen een ingeburgerde gewoonte geworden. Roken werd automatisch geassocieerd met een bepaalde zit of lig houding en de daarbij horende gewoonte de pijp te hanteren. Een ingesleten patroon waarvan geen noodzaak tot verandering was.

Zuid-Amerika

Tussen de pijpen uit Noord- en Zuid-Amerika bestaat in veel opzichten een overeenkomst. Het belangrijkste verschil is echter dat van de Noord-Amerikaanse objecten uitgebreid studie is gemaakt en hierover tamelijk veel informatie voorhanden is. Over de cultuur van het roken en de pijp uit Zuid-Amerika is veel minder bekend. Ondanks het gebrek aan informatie haalt Alfred Dunhill in zijn publicatie kenmerkende pijpen uit Paraguay aan met een tubular vorm (afb. 3), waarvan er één hierbij wordt afgebeeld. Dergelijke pijpen worden wel Paraquaayse of Chaco-pijpen genoemd, naar de streek van herkomst. Dunhill meldt dat zij van de archaïsche pijpen van de Noord-Amerikaanse Indianen zijn afgekeken.[3]

03-2007-dunhill-tubular-houten-tubular
Afb. 3. APM documentatie

Het object uit de Dunhill-collectie is een eenvoudige pijp met een duidelijke tubular vorm maar nu gemaakt van een zachtere blankgetinte houtsoort (afb. 4). De pijp is tien centimeter lang en van een type dat in Paraguay algemeen gangbaar is geweest. Het model is buitengewoon afgewogen: het ketelgedeelte is strak en taps en wordt aan beide einden afgesloten met een verdikte vlakke omgaande band. Als mondstuk is aan de dunste zijde van de buisvorm een afgevlakte driehoek te zien, die veel weg heeft van een vissenstaart. Aan het mondstuk zelf bevindt zich geen richel of rand om tussen de tanden geklemd de pijp in positie te houden. Dit voorwerp werd dus met de hand ondersteund tussen de lippen gehouden.

Als decoratie is over de twee omgaande reliëfbanden en langs de randen van het driehoekige mondstuk een zigzag motief aangebracht door dit met een gloeiend voorwerp in te branden. De bruine lijnen zorgen voor een aantrekkelijk contrast tegen het blanke hout. Bij het aanbrengen van het decoratiepatroon blijkt dat het motief op het mondstuk aan één zijde niet is uitgekomen. Daar wijkt het af van de andere drie aansluitingen en zien we niet een geïsoleerd streepje maar een vierkantje.

04-18.086  etn-chaco-tubular-hout-1
Afb. 4a. APM 18.086
04-18.086  etn-chaco-tubular-hout-3
Afb. 4b. APM 18.086

Het ketelinterieur beslaat niet de hele buisvorm maar slechts een derde daarvan. De conische ketel wekt de indruk dat dit niet een pijpenkop is om met losse tabak te worden gevuld, maar dat zij als houder fungeerde om samengerolde tabaksbladeren in de plaatsen. Daarmee is deze tubular dus eerder een soort sigarenhouder dan een pijp om met gekerfde tabak te vullen. In dat opzicht verschilt zij dus van de Californische steenpijp. Deze wijze van vullen verklaart ook dat van een zachtere houtsoort gebruik kon worden gemaakt. Brandsporen aan de binnenzijde laten zien dat het vuur tegen het hout is gekomen, maar dit niet heeft aangetast. Sterker nog, er heeft zich een mooie koollaag afgezet. De kunst van het roken lag bij deze pijpen vooral in het samenrollen van de tabaksbladeren die tijdens het roken gedeeltelijk uit de pijp staken. Bij het stoppen van de pijp is het dus zaak de bladeren zo te rollen dat valse trek wordt voorkomen.

In Paraguay is het roken uit dergelijke buisvormige pijpen lang gewoonte geweest. Hoewel het niet bekend is wanneer deze soort pijp werd geïntroduceerd, blijft het gebruik de hele negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw standhouden. Hout is als materiaal het meest gangbaar, de bijzondere vormgeving gaat steeds uit van een keteldeel dat conisch of ovaalvormig is en een driehoekig mondstuk, soms meer soms minder afgeplat. Tussen het keteldeel en het mondstuk bevindt zich vaak een markering in de vorm van een ingesnoerde of opliggende ring. Het hout kent allerlei afwerkingen, gepolijst bestaat naast exemplaren met eenvoudige gesneden ringen. Een enkele maal is het voorwerp voorzien van een gebrande decoratie zoals bij de hierbij afgebeelde pijp. Bij gerookte exemplaren domineert de gebruikspatina boven de oorspronkelijke afwerking.

Deze tubular pijp is overigens niet exclusief voor Paraguay. Ook bij de Mataco Indianen van Argentinië komt dit pijpmodel voor,[4] terwijl andere exemplaren in gebruik zijn geweest bij de Chiquitos Indianen in Oost-Bolivia.[5] Dit maakt duidelijk dat de Zuid-Amerikaanse tubular wijd verspreid is geweest en zich kenmerkt door een eigen vormgeving met als voornaamste kenmerk het driehoekige mondstuk. Het is dus niet verwonderlijk dat verschillende museumcollecties voorbeelden van dergelijke pijpen bezitten. Aan het begin van de twintigste eeuw verdwijnt deze specifieke buisvormige pijp, wanneer de gerolde sigaret haar plaats gaat innemen.

Rest nog de onduidelijkheid die Dunhill schept met de stelling dat deze pijpen van de Noord-Amerikaanse tubular zijn afgekeken. Twee kenmerken pleiten daar niet voor. De vorm van het mondstuk geeft het voorwerp een duidelijke tweedeling waarbij het zelfs de vraag is of dit expliciet toegevoegde onderdeel het aspect buisvorm niet te zeer aantast. Daarnaast is de wijze van roken met een tot sigaarvorm gerolde prop bladeren volstrekt anders dan de verpulverde tabak van de Noord-Amerikaanse Indianen. Bij de ene soort brandt de tabak volledig in de ketel, terwijl bij de andere dat overwegend buiten de pijp gebeurt.

Afrika

Als Afrikaans voorbeeld van een buisvormige pijp is voor een object uit het westelijke deel van Zuid-Afrika gekozen (afb. 5). In deze streek zijn veel pijpen van serpentijnsteen in gebruik, een steensoort vergelijkbaar met de Amerikaanse steatiet doch iets zachter en daardoor beter met een mes te bewerken. Deze steensoort kenmerkt zich verder door een mooie tekening en een zachte tint in uiteenlopende kleuren van groenig naar geel en bruin, steeds met een warme uitstraling. Het hierbij afgebeelde exemplaar (afb. 6) stamt uit de voormalige collectie van de tabaksfabriek W.D. & H.O. Wills uit Bristol. Deze collectie werd al in de negentiende eeuw aangelegd en hierin bevonden zich tabakspijpen uit alle delen van de wereld. In feite is deze verzameling vergelijkbaar met de Dunhill collectie, alleen zonder dat deze ooit is gepubliceerd. Bij de samenstelling van zijn boek heeft Alfred Dunhill ook deze collectie bestudeerd.

05-2007-dunhill-tubular-bushman-woman
Afb. 5. APM documentatie

De pijp is met negen centimeter lengte de kleinste van de vijf hier besproken exemplaren. De buisvorm lijkt sterker conisch en deze eindigt abrupt in een mondstuk met een lichte knoopvorm. Dankzij deze knoop kan de pijp tussen de tanden worden gehouden. Dergelijke stenen pijpen worden gebruikt door de Khoikhoi uit de Westkaap, een volk vroeger als Hottentotten aangeduid. Hun pijpen kenmerken zich door een buitengewoon delicaat model en fraaie afwerking met een prachtig glanzend gepolijst oppervlak. Bij deze eenvoudige pijp is dat niet het geval. Het oppervlak is ongepolijst en laat rondom nog sporen van het snijden met een mes zien, herkenbaar aan een soort strepenpatroon dat over de pijp loopt. Wel getuigt een ander kenmerk van aandacht bij de vervaardiging: aan het eind rond de ketelopening zijn twee omgaande ingesnoerde ringen aangebracht waartussen schuine streepjes. Het is een typerende decoratie die ook bij andere pijpen uit deze cultuur voorkomt.

Van de Khoikhoi zijn talloze pijpen bekend, waarvan sommige een zeer hoog ontwikkelde vormverdienste laten zien. Het schijnt dat de steensoort van Sint-Helena afkomstig was en het is onduidelijk waar zij werd bewerkt. In ieder geval stonden Goudse pijpen van klei of Ulmer pijpen van hout model. De pijpenmaker voegde hieraan een subtiele eigen vormverandering toe, die de pijp een buitengewoon grote perfectie gaf. Juist vanwege die prachtige afgewogen vormen is het onverwacht dat gelijktijdig ook zulke primitieve buisvormige pijpen zijn gemaakt. Dit laat zich echter verklaren vanuit de Afrikaanse gewoonte om de status van de roker in de gebruikte pijp uit te drukken. De keuze van de buisvorm van deze pijp heeft hier niets van doen met primitief of beperkt ontwikkeld, doch slechts met een specifieke doelgroep. Het gebruik ervan is louter gericht op statusonderscheid: dergelijke tubulars worden namelijk door vrouwen gerookt. Mannen onderstrepen  de onderdanige positie van de vrouwen door de hen de gewoonte op te leggen om vormeloze ouderwetse pijpen te gebruiken.

06-16.701  etn-khoi-khoi-serpentijnsteen-tubular-1
Afb. 6a. APM 16.701
06-16.701  etn-khoi-khoi-serpentijnsteen-tubular-3
Afb. 6b. APM 16.701

De eenvoud blijkt overigens niet alleen uit de vorm maar ook uit andere kenmerken. Het prachtige kleurengamma van de serpentijnsteen variërend in uiteenlopende pasteltinten en dikwijls met prachtige kleuraders zien we in dit sombere product niet terug. Klaarblijkelijk is hier bewust gekozen voor het gebruik van een ongedefinieerde doodse donkerbruine serpentijnsteen. Ook in de oppervlakteafwerking waar het polijsten volledig achterwege is gebleven constateren we deze armoede. Dat bij deze pijp toch een filtrandversiering is aangebracht moet worden verklaard vanuit de sterk seriële productie van dit soort stenen pijpen. Een dergelijke decoratie gebeurde bij alle exemplaren al zien we dat deze hier wel met erg weinig zwier is aangebracht. Zou de filtversiering ontbreken dan was het voorwerp van iedere charme ontdaan geweest.

Terwijl de andere steatietpijpen met een separaat roer van takhout of riet worden gerookt, is deze buisvormige pijp voorzien van een knopmondstuk en werd direct tussen de tanden gehouden. Uiteraard onderstreept het ontbreken van een separaat roer de lage status van dit artikel. Het is onduidelijk wat er precies voor tabak in deze pijpen is gerookt. Zeker is dat dit een gekerfde tabak moet zijn geweest met een zekere draderige snede. Alleen een dergelijke tabak blijft tijdens het roken in de pijp zitten al blijft de kans op het strooien van kruim en as altijd bestaan.

Azië

Een prachtige tubular pijp stamt uit Afghanistan en vertoont totaal andere kenmerken. Ook dit genre pijpen wordt door Dunhill afgebeeld doch veel informatie geeft hij niet (afb. 7). Slechts de veronderstelling dat zij wellicht op speciaal verzoek zijn gemaakt. De reden waarom blijft onduidelijk. Uit meerdere collecties zijn dergelijke pijpen bekend, steeds wisselend van ontwerp, maar altijd getuigend van dezelfde uitgangspunten die een gevestigde traditie van maken bewijzen. In ieder geval moet Alfred Dunhill verschillende voorbeelden onder ogen hebben gekregen, zoals het hier besproken exemplaar uit de Wills collectie in Bristol.

07-2007-dunhill-tubular-tube-afganistan
Afb. 7. APM documentatie

Opvallend aan deze buisvormige pijp is de grote lengte van ruim dertig centimeter en de onverwachte vierzijdigheid (afb. 8). Daarnaast vertoont de pijp een bijzonder ritme van opeenvolgende geometrische vormen, dat zowel in de steel als op de ketel domineert. In tegenstelling tot buisvormige pijpen uit andere culturen is bij dit exemplaar een heldere scheiding tussen het ketelgedeelte en de steel aangebracht, die aan de buitenkant van de pijp duidelijk afleesbaar is. De cesuur tussen beide delen wordt gemarkeerd door ingesnoerde ringen waardoor twee vierzijdige schijfvormen zijn blijven staan. Deze zorgen voor een prachtige geleding tussen de eveneens vierzijdigheid van de steel en de ketel. In feite is er dus sprake van een duidelijke tweedeling die het ritme van de vormonderdelen versterkt. Doordat aan het exterieur de steel en de ketel duidelijk zichtbaar zijn, rijst de vraag of hier wel van een tubular sprake is. Het voorwerp zou ook te definiëren zijn als een gewone pijp met een steelhoek van 180 graden.

Zoals opgemerkt is bij deze pijp uitgegaan van een vierzijdige doorsnee. Het steelgedeelte is enigszins taps en om de relatief grote lengte te doorbreken zijn twee gladde omgaande banden aangebracht. In haar eenvoud zorgt de steel voor een prachtig contrast overgaand in de opmaat naar de ketel die bestaat uit een verzwaring. Dit eveneens vierzijdige huis is ruim dikker dan de steel en de randen zijn gemarkeerd door ingekerfde overlangse lijnen. De decoratie is kenmerkend voor de streek van ontstaan: de verschillende vlakken zijn voorzien van een gaatjespatroon dat het oppervlak verlevendigt. Dergelijke patronen zien we niet alleen in hout maar zijn ook bij voorwerpen van keramiek en steen toegepast. De ketel is op de vier zijden tamelijk regelmatig van stippen voorzien. Op de steelaanzet zijn de stippen met lijnen afgewisseld waardoor velden met een eigen karakter zijn ontstaan.

08-16.712  etn-afghanistan-buisvorm-01
Afb. 8a. 
08-16.712  etn-afghanistan-buisvorm-06
Afb. 8b. APM 16.712
08-16.712  etn-afghanistan-buisvorm-08
Afb. 8c. APM 16.712
08-16.712  etn-afghanistan-buisvorm-09
Afb. 8d. APM 16.712

Interessant is nog dat de vorm van de pijpenkop een duidelijke overeenkomst vertoont met de kop van de waterpijp uit dezelfde streek, die zich dikwijls door conische vierzijdigheid kenmerkt. Ook de binnenvorm van de ketel sluit daarbij aan: zij is wijd maar ondiep en heeft daarmee de lichte schotelvorm van de waterpijpenkop gekregen. Er is geen gebruik gemaakt van een ketelinterieur van bijvoorbeeld plaatmetaal of een andere bescherming. Tijdens het roken vertrouwde de gebruiker blijkbaar op een geleidelijke koolvorming, zodat het hout van de pijp niet zou inbranden. De zachte aard van de houtsoort was wel reden tot versteviging van het mondstuk met een messing bandje.

Samengevat passen het materiaal, de vorm en de decoratie in de rookcultuur van een land waar de waterpijp domineert. De behoefte de rook te koelen wordt bij deze gewone pijp door een lange steel gestimuleerd al zal het verschil in comfort met de waterpijp evident zijn geweest. Deze buisvormige pijp zal daarom eerder op reis zijn gebruikt, terwijl thuis de waterpijp wachtte. Pijpen worden in dit gebied meestal gevuld met een schijfvormige cake van tabak vermengd met een beperkte hoeveelheid hasj. De brandtemperatuur ligt iets hoger dan bij tabakspijpen, terwijl de rookontwikkeling ook wat sterker is. Een langer roer is daarom dus ideaal. Gezien de vorm van de ketel moet de pijp verticaal worden gerookt, de rookhouding is dus liggend of in een ligzit geweest.

Europa

Ook in de Europese culturen is de tubular of buisvormige pijp gebruikt, zij het als uitzondering. In de Dunhill collectie zijn dan ook nauwelijks voorbeelden te vinden, terwijl Dunhill in zijn meergemelde The Pipe Book slechts één afbeelding geeft. Dat is wanneer de zogenaamde onion wordt aangehaald, een buisvormige pijp gemaakt met een knipoog naar de historie van de vroegste tabakspijpen (afb. 9). Het gaat om een typisch begin twintigste eeuws exemplaar gedraaid uit bruyèrehout en voorzien van een separaat mondstuk van buffelhoorn. Wonderlijk genoeg merkt Dunhill bij deze afbeelding in zijn boek op dat het om een product van zijn eigen firma gaat.[6]

09-2007-dunhill-tubular-onion
Afb. 9. APM documentatie

De hierbij afgebeelde onion (afb. 10) komt uit Dunhill’s privé-collectie en stond model voor de tekening in zijn handboek. Zeker is dat deze pijp niet uit diens fabriek kan stammen. Het maaksel is namelijk onvoldoende Engels van aard en kwalitatief veel te mager. Weliswaar werden de vroegste Dunhillpijpen op verzoek in andere fabrieken gemaakt, maar reeds vanaf het prille begin was optimale kwaliteit een eerste vereiste. Aan het materiaal, de vormgeving en de afwerking van de Dunhillpijpen ligt een duidelijke Engelse perfectie ten grondslag, die we bij deze pijp niet terugzien. De wijze van draaien van de bruyère en de benen tap waarmee het mondstuk is vastgezet wijzen eerder op Franse herkomst. Wel gaat het hier om een product uit het eerste kwart van de twintigste eeuw.

10-18.089  hout-dunhill-tubular-onion-2
Afb. 10a. APM 18.089
10-18.089  hout-dunhill-tubular-onion-3
Afb. 10b. APM 18.089

Ondanks de talloze vragen over deze pijp is één feit zeker: de wijze van roken geschiedt hier als bij een gewone tabakspijp. De pijp wordt met de traditioneel gesneden tabak gestopt en op normale wijze gerookt. Daarmee oogt de pijp in het silhouet van de roker als een sigaar en dat maakt het voorwerp juist zo aantrekkelijk. Ook hier geldt dat as en tabakskruim gemakkelijk uit de pijp kunnen vallen, zelfs bij rokers die de pijp zorgvuldig en met langdradige tabak stopten. Pas in latere tijden bedenken fabrikanten een dekseltje ter voorkoming van dit euvel. Bij deze pijp zijn daarvan in ieder geval geen sporen zichtbaar. Blijkbaar heeft het strooien de gebruiker van deze pijp niet gestoord, want het product is intensief gebruikt. Een raadsel blijft overigens wie deze pijp rookte. Was het Alfred Dunhill zelf?

Over de moderne buisvormige pijp schrijft Dunhill in zijn boek dat deze vorm door hedendaagse pijpenmakers nog wel wordt geproduceerd, zoals hij zo mooi zegt to suit individual needs or caprices, dus om aan de grillen of nukken van de specifieke roker tegemoet te komen.[7] Wellicht voldeed Dunhill zelf aan deze profielschets, anders is het onduidelijk waarom deze pijp in zijn collectie aanwezig bleef terwijl de echte Dunhill onion niet vertegenwoordigd was.

Nawoord

Alfred Dunhill’s fascinatie voor de buisvormige pijp is heel begrijpelijk en niet voor niets wijdt Dunhill in zijn beroemde en onvolprezen The Pipe Book een hoofdstuk aan deze primitieve buisvormige pijpen. De tubular is een intrigerende rookpijp met een volkomen onverwacht silhouet en een heel eigen manier van gebruik. In de tubular pijp ligt volgens Dunhill de oervorm van het pijproken besloten. Daarom begint Dunhill zijn betoog ook met het feit dat er wellicht geen verschil is tussen het rollen van tabak in een maïsblad of in een vel berkenbast ten opzichte van het steken van tabak in een buis. Onmiskenbaar is wel dat het gebruik van een rookbuis bij de mens past en een belangrijke stap in de civilisatie van het roken is geweest. Uiteraard kunnen we over het belang van die stap twisten. Het verschil tussen het gebruik van voorhanden materialen die ongemerkt wegbranden en het maken van een voorwerp speciaal voor dat doel bestemd en steeds opnieuw te gebruiken markeert in ieder geval de materiële gebruikscultuur van de mens.

Het lijkt er op dat het roken uit een buisvormige pijp aanvankelijk uit een noodzaak is geboren. De keuze wordt bepaald doordat het gevoel voor ontwerpen nog onvoldoende is ontwikkeld om een rookpijp met een steel en een opstaande ketel te bedenken. Uiteraard heeft dat niet alleen met de gedachte van vormgeving van doen, maar ook met de mogelijkheden van de techniek. Het realiseren van een pijp met een afzonderlijke kop en een duidelijke steel is een lastige opgave. Dat gebeurt pas eeuwen na de introductie van de buisvormige rookpijp.

De vijf hier besproken buisvormige pijpen zijn van steen en hout gemaakt. Daarbij is steen het meest voor de hand liggend. Hout is als materiaal brandbaar en is dus feitelijk ongeschikt voor een pijp. Toch is het algemeen toegepast en met succes. Naast de twee besproken materialen bestaan er ook buisvormige pijpen gemaakt uit andere grondstoffen.[8] Zo zijn er pijpen van aardewerk bekend van de Zacatecas uit Mexico die even oud zijn als de vroegste steenpijpen.[9] Ook andere materialen zoals riet, bamboe en berkenbast moeten al in de prehistorie zijn gebruikt al zijn deze niet overgeleverd. In latere tijden worden nieuwe materialen toegepast zoals een buisvormige pijp geheel van ijzer uit het Sahara gebied en gegoten messing pijpen uit India. Uit Europa zijn talloze voorbeelden van buisvormige pijpen bekend, gemaakt van pijpaarde, glas en zilver, in latere tijd gevolgd door meerschuim. De meeste Europese modellen zijn overigens bedoeld als sigarenhouder.

In de vorm van de tubular pijp is meer variatie mogelijk dan op het eerste gezicht lijkt. De Californische buisvorm is de oudste en ook het meest primitief: de vorm is nog nagenoeg ongeleed. De meest gecompliceerde buisvorm onderscheidt voor de ketel en het mondstuk afzonderlijke onderdelen waarbij de markering tussen de twee delen eenvoudig kan zijn maar ook tot een afzonderlijk ornament kan uitgroeien. Beide onderdelen kunnen een eigen vormgeving krijgen, zoals bij de pijp uit Paraguay het geval is. De hier besproken Afghaanse houten pijp laat dat nog sterker zien: in de gecompliceerde buitenvorm zijn drie afdelingen te onderscheiden. In sommige gevallen gaat het louter om de kracht van een eenvoudige vorm: de onion is zo’n voorbeeld al leggen twee verschillende materialen wel een eigen accent.

Het uiterlijk van de buisvormige pijp kan ook met een decoratie worden beïnvloed. Versieringen verrijken het voorwerp en geven de vorm een grotere spanning of meer expressie. De gladde band rond de opening van de Californische pijpen en de subtiele versierde filtrand van de Khoikhoi pijp zijn daarvan de meest bescheiden voorbeelden. De decoratie kan echter ook allesoverheersend zijn zoals de ringen en stippen op de Afghaanse pijp. Uiteraard speelt met de decoratie ook de textuur van het materiaal mee zodat een aantrekkelijke wisselwerking tussen tint, glans en motieven ontstaat.

In de wijze van gebruik van de tubular pijp zien we al even opmerkelijke verschillen. De buisvorm van San Miguel werd met verpulverde tabak gerookt, voor de onion werd gekozen voor een langdradige tabak waarmee de pijp goed stijf is te stoppen. De Chaco Indianen leren hun pijp te vullen met bladeren die zij tot een bescheiden sigaarvorm draaien en in de pijp klemmen. Zij moeten de kunst verstaan hun peuk in de pijp te houden en gelijktijdig valse trek voorkomen. De Afghaan legt een kleverige tabakskoek op de pijpenkop, die wanneer deze is aangedrukt en is aangestoken redelijk stabiel ligt, al is het gebruik van de pijp in een min of meer verticale stand noodzakelijk.

Het is duidelijk dat de vulling van de buisvormige pijp ook een bepaalde rookhouding afdwingt en dat deze per cultuur weer verschillend is. Bij de Indianenstammen is een lighouding bij het roken gepermitteerd en draagt zelfs bij tot de ceremoniële waarde van het pijproken. Hetzelfde geldt voor de Afghaan, voor wie de met hasj aangevulde tabak ook grotere invloed heeft op de gemoedstoestand. Achterovergeleund of liggend roken is in die gevallen vanzelfsprekend. Daarentegen veranderen de vrouwen van de Khoikhoi hun positie niet wanneer zij roken. Hun onopvallende pijpen kunnen zij gemakkelijk tussen de tanden houden al gaat van hun rookgewoonte geen enkele status uit, maar dat is ook juist de bedoeling. De Europese buisvorm verandert veel aan het silhouet van de roker, maar nauwelijks aan diens rookhouding. De westerse mens wordt geacht rechtop te blijven lopen en zeker niet liggend of sterk achterovergeleund te gaan roken. Daarom wordt de buisvormige pijp in Europa een modefenomeen dat wisselend belangstelling krijgt maar nooit populair wordt.

Buiten de cultuur van de Amerikaanse Indianen heeft de buisvormige pijp steeds een ondergeschikte rol gespeeld, zij blijft het alternatief op het bestaande pijpmodel. Wereldwijd ontstonden in talloze culturen tubulars, buisvormige pijpen, waarbij de grootte van de ketel en de diameter van de steel een relatie hadden met de wijze van roken. Voor Afrika zien we voorbeelden bij de Touareg uit het Saharagebied met een metalen pijp[10]. In India is de bhielpijp of tsjilm een andere ontwikkeling. In Nederland wordt in de negentiende eeuw een mondaine zogenaamde polkapijp bedacht, bestemd om tabak uit te roken.[11] Vermoedelijk is deze pijp geïnspireerd op de opkomende mode van het sigarenroken en het doel van dit ontwerp was louter op het modeaspect gericht. Bij al die pijpen heeft materiaalgebruik, vormgeving, beschikbare tabak en de wijze van roken een bepalende invloed op het uiterlijk van de pijp.

Wat betreft de datering van tubular pijpen omspant deze de volledige periode waarin wordt gerookt, dus meer dan vijfentwintig eeuwen. Zoals gezegd ligt de oorsprong in Midden- en Noord-Amerika. Stenen en ceramische voorbeelden markeren de start van de tubular pijp op 500 voor Christus. Twee millennia lang domineert de buisvormige pijp om geleidelijk door andere meer traditionele pijpvormen met een kop en een steel overvleugeld te worden. In latere tijden wordt de tubular pijp in andere gebieden herontdekt en opnieuw in gebruik genomen. Soms om een bepaalde status aan te geven, andere keren om een exclusieve look te bewerkstellingen. Aangezien de tubular pijp buiten Amerika pas tot ontwikkeling kwam en een eigen rol ging vervullen toen de gewone pijp er al langere tijd in gebruik was. In die gevallen was de tubular dus niet de oervorm, maar slechts een variant op de bestaande rookpijp.

Dat Dunhill een hoofdstuk aan de tubular pijp wijdde is heel terecht. De buisvormige pijp is een intrigerend instrument met een onverwachte achtergrond en een lange geschiedenis. De pijpen die Dunhill echter in één hoofdstuk groepeert blijken bij nadere bestudering alleen maar een vage vormovereenkomst te hebben. Het woord tubular als louter buisvormige pijp gedefinieerd voldoet voor al deze objecten. Zodra we de vorm nauwkeuriger definiëren, behoren steeds minder pijpen tot deze groep. Uiteindelijk loopt de vorm van de tubular pijp van ongeleed naar sterk gedefinieerd, al dan niet met markeringen van de verschillende gedeeltes van de pijp. Ook is de decoratie uiteenlopend om maar niet van het gebruik te spreken, zowel qua rookhouding als voor de vulling. Tenslotte is de oudste tubular eigenlijk een manchetpijp, die met een insteekroer werd gerookt, terwijl de sterk gelede Afghaanse pijp in feite een gewone pijp is maar dan in een steelhoek van 180 graden. Mondiaal blijkt er dus weinig meer overeenkomst dan een primaire fysieke vorm. Op regionaal niveau is steeds een eigen rite bedacht, die zijn relatie heeft in het materiaalgebruik, de vormgeving, de wijze van roken en vooral het aanzien binnen de cultuur waar dat plaatsvond.
 

© Don Duco, Stichting Pijpenkabinet, Amsterdam, 2007.

Afbeeldingen

1.   Tabakspijp van steatiet met buisvormig model met toelopend steeleind voor montage op een rieten of benen steel.
Uit: Alfred Dunhill, The Pipe Book, London, 1924, p. 34, Fig. 23. Tube from Prehistoric Grave, California.

2.   Tabakspijp van groenigzwarte steatiet met ovaalvormig lichaam met filtrand rond de ketelopening, de zogenaamde raised ring. Vindplaats Californië, San Miguel, 800-1200. Lengte 15,5 centimeter.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.084

3.  Tabakspijp van hout met langgerekte conische ketel en mondstuk in de vorm van een vissenstaart. Paraguay, c. 1880-1920.
Uit: Alfred Dunhill, The Pipe Book, London, 1924, p. 80, Fig. 63. Wooden Tube Pipes from El Gran Chaco.

4.  Tabakspijp van hout met conische ketel voorzien van een driehoekig mondstuk, ingebrande decoratie van zigzagmotieven op de verhoogde ringen en langs de randen van het mondstuk. Paraguay, Chaco, 1880-1920. Lengte 10 centimeter.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.086

5.  Tabakspijp van serpentijnsteen met conische vorm, overlangs met schraplijnen van het snijden van het voorwerp. Zuid-Afrika, Bosjesmannen, 1900-1920.
Uit: Alfred Dunhill, The Pipe Book, London, 1924, p. 36, Fig. 28. Serpentine Pipe of Bushman Woman.

6.  Tabakspijp van bruinzwarte serpentijnsteen met trechtervormig model voorzien van een knopmondstuk, rond de ketelopening ingesnoerde ringen waartussen arceringen. Zuid-Afrika, Khoikhoi, 1880-1910. Lengte 9 centimeter.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 16.701.

7.  Tabakspijp van hout met vierkante steel na drie schijfvormen overgaand in een vierzijdige sterk conische ketel, het oppervlak van steel en ketel met stippen versierd. Afghanistan, 1880-1920.
Uit: Alfred Dunhill, The Pipe Book, London, 1924, p. 41, Fig. 31. Tube Pipe from Afghanistan.

8.  Tabakspijp van hout met langgerekte vorm met achtereenvolgens vierzijdige steel verwijdend in een verzwaard overgangsstuk, na dubbele ingesnoerde ringen een conische vierzijdige ketel. Afghanistan, 1880-1920. Lengte 31,5 centimeter.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 16.712

9. Tabakspijp van bruyèrehout met ovaalvormige ketel aan een hoornen mondstuk met beet. Engeland?, 1900-1920.
Uit: Alfred Dunhill, The Pipe Book, London, 1924, p. 41, Fig 30. The Dunhill "Onion" Tube Pipe.

10.  Tabakspijp van bruyère met ovaalvormige ketel, gemonteerd met een geligbruin buffelhoornen mondstuk met beet. Ongemerkt. Frankrijk, 1900-1920. Lengte 11,5 centimeter.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.089

Noten

[1]   George A West, Tobacco, Pipes and Smoking Customs of th American Indians, Milwaukee, 1934, p 133.

[2]   Joseph D. McGuire, Pipes and Smoking Customs of the American Aborigines, Ellicot City, Maryland, 1898, p 436.

[3]   Alfred Dunhill, The Pipe Book, London, 1924, p 80.

[4]   West, 1934, p 567, afb 2-3.

[5]    West, 1934, p 155.

[6]    Dunhill Book of Pipe Shapes, z.jr. (c. 1930), z.p. (achterin). Afgebeeld in de afdeling Hand-worked Quaint Shapes: Trumpet.

[7]    Dunhill, 1924, p 45.

[8]    Benedict Goes, 25 eeuwen roken, de verwonderlijke vormgeving van de pijp, Leiden, 1993, p 16.

[9]    Don Duco, ‘Nieuw in de kollektie: Een precolumbiaan’, Vlugschrift, III-2, 1986, p 11.

[10]  Don Duco, ‘Aanwinsten: Touareg’, Nieuwsbrief Pijpenkabinet, nr. 5, oktober 2006.

[11]  D.H. Duco, De Nederlandse kleipijp, handboek voor dateren en determineren, Leiden, 1987, p 60, afb 198.