Book review: Forgotten glory: The economic development of the Dutch clay pipe industry in the 17th and 18th centuries

Author:
Don Duco

Original Title:
Boekbespreking: Vergeten glorie: De economische ontwikkeling van de Nederlandse kleipijpennijverheid in de 17e en 18e eeuw.

Publication Year:
2019

Publisher:
Amsterdam Pipe Museum (Stichting Pijpenkabinet)

Description:
Book review of the thesis of R.D. Stam, Utrecht University, 2019 on the Dutch clay pipe industry.

Als museumconservator ben je razend nieuwsgierig wanneer een proefschrift op je vakgebied verschijnt, zeker als je weet dat daaraan bijna twintig jaar onderzoek ten grondslag ligt. Dat wekt hoge verwachtingen. Het is ook nog eens het eerste proefschrift over de kleipijp dat in Nederland wordt verdedigd, na diverse promoties in Duitsland en Engeland. In zo’n geval is een omvang van 526 pagina’s ook geenszins afschrikwekkend maar voedt eerder de leeslust. Welnu, bij eerste blik is dit proefschrift voorbeeldig want het heeft precies de juiste vorm: onderzoeksdoelstelling, wijze van uitwerking, verantwoording en conclusie inclusief dankwoord (afb. 1). Wel valt in de inhoudsopgave op dat de opzet wel heel schools is, met een eindeloze numerieke paragraaf-indeling. Verder ontbreekt een index.

Vooropgesteld moet worden dat het lofwaardig is om het onderwerp kleipijp vanuit economisch perspectief te benaderen. Dat heeft tot nog toe niemand aangedurfd en blijkt ook zeker niet eenvoudig. Stam verklaart dat in zijn eerste hoofdstuk. Het is ook zeker een compliment waard voor iemand die de zeventig gepasseerd is, zoals uit het geboortejaar van de promovendus blijkt.

01-stam-vergeten-glorie-1
Afb. 1a.
01-stam-vergeten-glorie-2
Afb. 1b.

Van primair belang zijn natuurlijk het doel van het onderzoek (p. 19) en de vraagstelling (p. 19-22). Na lezing van deze twee paragrafen, met vooral veel herhalingen, blijf je als lezer met een ongemakkelijk gevoel achter. Het doel van het onderzoek luidt volgens Stam: “het hoe en waarom van de economische ontwikkeling in beeld te brengen, met speciale aandacht voor de export” (p. 19). Dat waarom lijkt mij in economische termen niet interessant. Een product wordt gemaakt en verkocht en de producent streeft per definitie naar winst – dat is zijn levensonderhoud. De vraag naar het waardoor is meer relevant. Dan kom je te weten wat de achterliggende economische en andere factoren zijn die een bedrijf of bedrijfstak succesvol maken. Dit blijkt later ook Stam’s bedoeling, dus waarom dan niet direct de juiste vraagstelling geformuleerd? Daarbij stelt hij dat de schets van de economische ontwikkeling van de pijpennijverheid nièt het doel is (p. 19 ). Later blijkt dat Stam er vervolgens wel ruim 170 pagina’s aan besteedt!

Volstrekt onverwacht is om in de verantwoording van de bronnen te lezen dat de auteur een belangrijk deel van zijn bronnen uitsluit. Economische historie schrijven is dunkt mij primair archiefonderzoek verrichten, data verzamelen om een kennisweb op te bouwen dat vervolgens de motor is voor een wetenschappelijke redenatie. Hier wordt heel expliciet gesteld dat geen nieuw archiefonderzoek is gedaan (p. 24); volgens Stam zou dat te weinig opleveren.

Het besluit geen archiefonderzoek te doen betekent voor mij dat je veel invalshoeken en gezichtspunten mist. Door bijvoorbeeld de reglementen en verordeningen uit publicaties te gebruiken ken je wel de regelgeving, maar wat tot die regelgeving geleidt heeft staat in rekesten van de pijpenmakers en adviezen van gildebestuurders aan de overheid. Door die te lezen leer je de sfeer van de bedrijfstak kennen en begrijp je onderliggende motieven beter. Juist dat inzicht geeft een zekerdere basis voor interpretaties. Dat vormingsproces zorgt voor meer nuance en diepere inzichten.

Daarnaast stelt de onderzoeker dat bij gebrek aan harde cijfers de bepaling van het aantal pijpenmakers en dus de productieomvang - een belangrijk punt in zijn onderzoek - gebaseerd is op inschattingen van eerdere auteurs (p. 22), waaruit gemiddelden worden berekend, waaruit tenslotte conclusies worden getrokken. Hij verontschuldigt zich min of meer dat grote delen van het onderzoek dus speculatief zijn. Dat ziet er verre van wetenschappelijk uit.

Uit de veelvuldig aangehaalde literatuur over kleipijpen weet ik dat deze overwegend door vrijetijdsonderzoekers is gemaakt, maar zonder weging van hun belang in het onderzoek worden betrokken. Soms weet je van een schrijver dat die nog heel jong was toen het artikeltje verscheen. Wat dat betreft zou je een wat meer kritische selectie verwachten. Deze factoren creëren het risico dat het fundament van het onderzoek minder degelijk is dan het lijkt.

Ten slotte meldt Stam dat de archeologische vondsten slechts ten dele bruikbaar zijn, met name omdat de buitenlandse vondsten overwegend in tekening beschikbaar zijn. Daarvan stelt hij terecht dat de determinaties in het buitenland vaak onjuist zijn doordat men niet over de Nederlandse vakliteratuur beschikte of deze niet kon lezen. Om die reden zijn veel vondsten vanaf de tekening opnieuw gedetermineerd en gedateerd. Met deze zogenaamde herdeterminatie (p. 26, 320) komt wel erg veel ruis op de lijn. Pas later in het boek zal blijken dat het aantal vondsten ook nog eens zeer gering is, voor sommige landen gaat het om slechts een handjevol fragmenten. Overigens somt Stam wèl vijf redenen op die de archeologische bronnen ontkrachten (p. 27-28). Ook hier overtuigt de auteur niet dat er een solide basis onder het werk ligt. Herdetermineren is een nieuw woord dat verouderde determinaties moet actualiseren. Bij Stam worden dus nieuwe inzichten afgeleid uit slecht leesbare tekeningen of onduidelijke foto’s. Dat klinkt mooi maar is wetenschappelijk gezien natuurlijk een farce. Stam stelt zelf (p. 26): “Om goed te kunnen determineren moet elke pijp in de hand gehouden kunnen worden”; iets dat iedere expert kan bevestigen. Door herdeterminatie worden de bronnen niet op waarde gewogen maar bijgeschaafd tot bruikbare data. En soms, als het zo uitkomt, worden ze anders geïnterpreteerd door omwille van de uitkomst bijvoorbeeld een deel van het materiaal niet mee te tellen (p. 353, 381).

Hoofdstuk 1 (50 pagina’s) bevat aspecten die voor een beter begrip van wat volgt nodig zijn: de basiskennis als inwijding in de materie. De waardering voor dit proefschrift zit voor mij niet in dit begin. Hier etaleert Stam dat hij over alle mogelijke, ook grijze literatuur beschikt en kennis heeft over alle, zelfs aanpalende gebieden. Het blijkt echter volledig een compilatie van wat eerder geschreven is, waarbij de auteur te veel details aanhaalt die vaak niet relevant zijn voor het onderzoek. Dit doet afbreuk aan de wetenschappelijke intenties.

Als lezer verlies je dus de draad want het schrijfwerk springt van onderwerp naar onderwerp waarbij je soms tevergeefs naar een logica in de indeling zoekt. Veel alinea’s bevatten aan het eind zinnen die met ook beginnen om zo nog wat aanvullende informatie toe te voegen, maar die het geheel niet helderder maken. Een uitgebreide paragraaf gaat bijvoorbeeld over de introductie van de tabak in Europa. Dat is weliswaar een aanloop naar de vraag naar pijpen, maar aangezien het daarna nog zeker veertig jaar duurt voordat de pijpennijverheid enige omvang krijgt (Stam laat deze in 1630 beginnen, hoofdstuk 2), is die introductie nauwelijks van belang. Hetzelfde geldt voor de Engelse pijpenmakers die met veel omhaal worden opgevoerd, maar in het betoog al snel geen rol van betekenis meer spelen.

02-17.532b-diderot-pipes-14
Afb. 2a. APM 17.532b
02-17.532b-diderot-pipes-15
Afb. 2b. Alb. 17.532b

Halverwege hoofdstuk 1, tussen de opsomming van de vakliteratuur en de productiewijze van de kleipijp, is er een plotselinge sprong naar economische theorieën (p. 35-39). Aangezien deze niet worden ingeleid, ontbreekt de relatie met het onderwerp van het hoofdstuk, al creëren zij wel een verwachting.

Verder is vooral in dat eerste hoofdstuk het taalgebruik niet soepel waardoor het lijkt dat de auteur niet volledig boven de stof staat. Een mooie zin als voorbeeld is: “In de lokale en regionale centra werd de vormontwikkeling van de Goudse pijp gevolgd, zij het soms iets later en soms op enige afstand, zoals in Maastricht” (p. 48) roept meer verwarring dan feitelijkheid op. En een tweede: “In Nederland zijn altijd vormen gebruikt voor het vormen van de pijpen, maar vormen met een groef voor het afsnijden zijn in ons land nooit gebruikt” (p. 56). Behalve dat het beweerde onwaar is, is de zin taalkundig natuurlijk een draak.

Mag ik nog een paar punten ter illustratie aanroeren? Technologietransfer (in casu: van Engeland naar ons land) is een prachtig economisch begrip, maar in de pijpennijverheid blijkt er amper sprake van te zijn (p. 56-57). Stam komt met één voorbeeld van een oven naar Engels model op Nederlandse bodem, maar somt met gemak zes, zeven punten op waaruit een onafhankelijke technische ontwikkeling blijkt. Er is dus een negatieve uitkomst op het punt van technologietransfer. Tot je verwondering lees je die conclusie niet. Onduidelijk blijft waarom hier dan een hele paragraaf aan gewijd wordt. Het lijkt erop dat deze titel is overgenomen uit het eerste Duitse proefschrift over kleipijpen waar deze term als hoofdstuktitel gebruikt wordt. Was het hier niet veel informatiever geweest om op de evolutie in de techniek in Gouda te focussen en die af te zetten tegen de wat ik noem de cottage industry in Engeland? Geen transfer maar glashelder de verschillen tussen beide nijverheden. Dan was haarscherp gebleken welke bijzondere verdiensten de Goudse pijpenmakers hadden en hoe het product daar op het hoogst denkbare niveau is gekomen.

Accenten in de techniek worden ook anders gelegd dan je zou verwachten. Zo wordt tot in de details ingegaan op een houten pijpvorm in Londen gevonden (p. 56), de agaatsteen (p. 43) en het pijpenpotdeksel (p. 44-45), terwijl andere meer unieke aspecten voor Gouda vrijwel onvermeld blijven. Bijvoorbeeld hoe het gebruik met de trompet en de schrobbeles (p. 44) nu eigenlijk werkt als het belangrijkste geheim van de Goudse nijverheid (afb. 2). De enige plausibele verklaring voor de uitweidingen die Stam hier maakt, is dat specifieke artikelen waar hij naar kan verwijzen geschreven zijn door hem zelf of door zijn naaste vrienden. Dat etaleren van kennis kan toch niet de bedoeling zijn van een proefschrift.

De modelontwikkeling ofwel typologie van de kleipijp wordt niet echt helder neergezet (p. 47-48). Het woord basismodel, een begrip dat ik in 1987 introduceerde, is afgezworen maar daarvoor komt niets onderscheidends in de plaats. De ontwikkeling van het pijpmodel wordt weliswaar van stap tot stap besproken, maar het is even diffuus als de behandeling van de eerste generatiepijp (dat woord blijft wel gehandhaafd). Ook het ondersteboven afbeelden van de chronologie (p. 47, afb. 1.3.1 en 1.3.3) schept eerder verwarring dan dat het verheldert. Waarom trouwens de vroegste kleipijp (§ 1.1.4.2.) in een latere paragraaf wordt behandeld dan de rest van de modellen (§ 1.1.3.) is mij eveneens een raadsel.

03-21.130-gravure-will-roker-1
Afb. 3a. APM 21.130
03-21.130-gravure-will-roker-43
Afb. 3b. APM 21.130

Mijn eigen stokpaardje, het fenomeen assortiment blijft volledig buiten beeld. Bij verkoop of dat lokaal, regionaal of op exportniveau is, is het van groot belang te signaleren op welke klantengroep de pijpenmakerij zich heeft gericht en vanuit welk assortiment een bepaald segment van de productie is gekozen. Dat zegt veel over het modebeeld in de streek van bestemming. Stam onderscheidt beduidend minder soorten pijpen dan de realiteit bood. Naast de variatie in enkele soorten groffe pijpen waarvan de zijmerkpijp misschien niet terecht de meeste aandacht krijgt, wordt overwegend van lange kwaliteitspijpen gesproken, een begrip te kort door de bocht. Die benaming doet ook geen eer aan de grote verdienste van de Goudse zogenaamde bovenmaatse pijp, de boven lange kwaliteitspijp die in het boek niet voorkomt met uitzondering van een prijzenstaatje (p. 365). Juist deze pijpsoort is vooral een exportartikel geweest: in de achttiende eeuw waren gegoede Poolse vrouwen bijvoorbeeld dol op deze bovenmaters (afb. 3). Niet toevallig dat het gemelde staatje betrekking heeft op de prijzen van de bovenmaatspijpen in Polen. Maar, alles gaat natuurlijk om de hoofdtekst, neergelegd in hoofdstuk 2 tot 4.

Hoofdstuk 2 (176 pagina’s) geeft de uitvoerige economische ontwikkeling van de pijpennijverheid in de Zeven Provinciën met logischerwijs de nadruk op Gouda. Waarom begint het verhaal dan met het roken en de tabakspolemiek (§ 2.2.1.2), typisch aansluitend op het begin van het roken uit hoofdstuk 1 (§ 1.1.4.1). Zelfs het pruimen, snuiftabak en de sigaar (§ 2.2.1.3) inclusief pijpen van andere materialen tot ver in de negentiende eeuw (§ 2.2.1.4) zijn thema’s die mogelijk als basiskennis nuttig kunnen zijn, maar geen bijdrage leveren aan de schets van het produceren van kleipijpen in ons land. Het betoog kabbelt 176 pagina’s door met vele uitweidingen en talloze herhalingen, wat het lezen bepaalt niet stimuleert. Jammer ook dat een goede eindredactie heeft ontbroken, waardoor inconsequenties in de interpunctie, storende herhalingen, tussenzinnen die irrelevant zijn in het betoog, zijn blijven staan.

Echt hinderlijk bij het lezen vind ik het overvloedig gebruik van het woord centrum, waarmee een productieplaats van kleipijpen ofwel gewoon stad c.q. dorp wordt bedoeld. Dit blijkt een keuze van Stam als definitie (p. 141, noot 373) waarbij het woord dorp niet vermeld wordt. Alleen al in § 2.2.5 (over de pijpenproductie buiten Gouda) levert dat 42 maal het woord centrum op.

Merkwaardig dat zo’n uitvoerige verhandeling ook zoveel voor de hand liggende vragen oproept, vragen waarop geen antwoord komt. Zo is het interessant te lezen wat volgens Stam de randvoorwaarden zijn voor een stad om zich succesvol te ontwikkelen tot centrum van pijpenproductie. Dat is a) een serieuze tabaksconsumptie, b) een infrastructuur van waterwegen en c) aanwezige pottenbakkers. Punt a is een kip-ei-discussie. Volgt de pijpenproductie de tabaksconsumptie of is het andersom: wordt het roken gestimuleerd door een ruim aanbod aan pijpen? Je zou in een wetenschappelijk werk een vergelijking verwachten naar steden die ook aan deze voorwaarden voldoen, of waarvan dat te veronderstellen is, waarmee de hypothese geverifieerd kan worden. Amsterdam of Gouda zouden met steden als Hamburg, Keulen, Koblenz of ook Rouen vergeleken kunnen worden.

Andere conclusies zijn zo logisch dat het de vraag is of de onderbouwing van Stam daar veel aan toe te voegen heeft. In § 2.2.4 waar het over de handelsrelaties gaat, stelt hij dat succesvolle handel plaatsvindt op basis van persoonlijke en zelfs familiaire contacten (p. 137). Hij bewijst dit onder meer met vondsten van bekende pijpenmakers, maar geeft geen inzicht in het bedrijf en de persoonlijke levensomstandigheden van deze producenten. Juist die gegevens leveren een beeld op van het belang van het bedrijf binnen het netwerk van sociale contacten, waaruit de handelscontacten kunnen worden verklaard. Louter op basis van vondsten is in dit geval een te dun bewijs.

Een buitengewoon interessant thema wordt behandeld in § 2.2.9: een schatting van de omvang van de pijpenproductie in Gouda (p. 182-203). Stam geeft een uitgebreid en als zodanig nuttig overzicht van alle secundaire bronnen uit twee eeuwen Goudse geschiedschrijving. Al die voorbeelden hebben zo hun bezwaren. Op basis van louter schattingen en aannames maakt hij vervolgens berekeningen van aantallen werknemers in de pijpenmakerij en de veronderstelde productie-aantallen. Ondanks alle waarschuwingen dat het om aannames gaat, rekent hij maar door. Die 20 pagina’s zien er indrukwekkend uit en lijken heel wetenschappelijk, maar de opstapeling van geschatte gegevens maakt dat het eindresultaat volledig op losse schroeven staat. Naast de bedenkingen die Stam zelf al geeft, kan je daarbovenop gemakkelijk nog een aantal redenen bedenken die de cijfers onbetrouwbaar maken. Werken kleine bazen alle dagen in hun bedrijf of staan ze ook een dag op de markt om hun product te verkopen? Dat scheelt een dagproductie per week, dus een flink aantal per jaar. Sterker nog, wanneer pijpenmakersbazen in loondienst bij grote bedrijven werken en dat gebeurde heel vaak, produceren zij niet langer op eigen naam. Hoe kun je zekeren dat hun productie niet dubbel geteld wordt? Aangezien eenduidige gegevens uit de zeventiende en achttiende eeuw ontbreken, kan ook niemand de cijfers die Stam berekent verbeteren, waardoor hij een soort pseudo-waarheid heeft gecreëerd. Wetenschap of interessantdoenerij? Ik weet het niet. Eén ding is zeker, de cijfers kunnen niet kloppen want voor het door hem gestelde productiecijfer is in Gouda fysiek gezien onvoldoende bakcapaciteit beschikbaar. De productie moet derhalve vele tientallen procenten lager gelegen hebben! Op basis van de aantallen pijpenmakers wordt vervolgens de omvang van de nevenberoepen veel te hoog ingeschat. Zo ontstaat een indrukwekkende hoofdnijverheid, maar de waarheid is ernstig geschonden.

Aan het eind van hoofdstuk 2 wordt het nog wonderlijker. Na 11 bladzijden (§ 2.2.12) komt Stam zelf tot de ontluisterende conclusie dat de theoretische modellen van Porter, Levitt en Vernon, zo verwachtingsvol in hoofdstuk 1 geïntroduceerd, niet van toepassing zijn op de pijpennijverheid! Dat betekent dat prachtige modellen, schema’s en pagina’s lang getheoretiseer geen enkele functie hebben, anders dan bladvulling. Humbug!

Hoofdstukken 3 en 4 (respectievelijk 102 en 43 pagina’s) bevatten zeer intrigerende paragrafen waarbij historische data verknoopt worden met archeologische vondsten, al steunt het geheel zwaar op Duco 2003 en Van Oostveen/Stam 2011. In een eerdere boekbespreking is er uitvoerig op gewezen dat dit laatste boek grotendeels is overgenomen van een studie door Duco reeds in 1981 in Oxford gepubliceerd. Met name de buiten-Europese handel en de rol van de VOC en WIC zijn lezenswaardig en vernieuwend, al voert dit stuk gezien de noten terug op onderzoek van Van der Lingen. Dat diens werk kroongetuige is, is niet verwonderlijk, hij deed wèl langdurig archiefonderzoek. Over de export naar Duitsland heeft Stam duidelijk de meeste (gepubliceerde) gegevens kunnen vinden, over België en Frankrijk bijvoorbeeld weer beduidend minder waardoor deze er wat bekaaid vanaf komen. Waarmee nog niet gezegd is dat de export naar het zuiden niet van belang was voor Gouda. Het zegt iets over de gepubliceerde informatie en laat nogmaals zien dat primair bronnenonderzoek een must is. Alleen dat levert de historische juistheid op.

In hoofdstuk 4 gaat het over dezelfde gebieden, maar dan aan de hand van archeologische vondsten en nu wordt het echt twijfelachtig. De gepubliceerde vondsten van kleipijpen uit het buitenland blijken zeer onregelmatig over Europa verdeeld te zijn, laat staan over de rest van de wereld. Het hoofdstuk is grotendeels afhankelijk van archeologisch onderzoek en blijkt het werk van een handje vol amateurarcheologen, veelal bekenden van Stam. Een wens van Stam (§ 4.4.6) is te bepalen welke pijpmakers belangrijk waren in de export. Het niet kunnen traceren van bepaalde merken van in Gouda als vooraanstaand bekende makers, relateert hij vervolgens op het belang van die maker. Zonder echter de binnenlandse handel bij het onderzoek te betrekken, is dit absoluut te voorbarig. Het belang van een pijpenmaker is afhankelijk van zijn totale afzet, binnenlands èn buitenlands.

04-12.985-vorst-wapen-1
Afb. 4a. APM 12.985
04-12.985-vorst-wapen-2
Afb. 4b. APM 12.985

Wanneer de Amsterdamse pijpenmaker Edward Bird ter sprake komt wordt naast de gigantische export naar Nieuw Nederland altijd weer diens export naar Zweden toegevoegd. Na talloze vermeldingen (p. 82, 84, 89, 204, 294, 310, 317, 352, 399) wordt zo’n toevoeging vervelend, gaat het niet eerder om interpreterende zaken? Collega Åkerhagen zette de pijpvondsten uit Zweden op de kaart, daarom is Zweden fijnmaziger gedocumenteerd dan veel andere landen en daaraan dankt Bird nu zijn tweede exportland. Of er niet meer exportgebieden zijn voor Bird’s pijpen wordt niet eens als mogelijkheid geopperd. Vondsten wijze daar wel op (afb. 4). Voor Polen gebeurde de inventarisatie van de pijpvondsten door enkele serieuze verzamelaars en daarom is ook dat land beter vertegenwoordigd. Uit veel andere oorden ontbreken gegevens, maar daarom hoeft de export niet minder te zijn geweest.

Hetzelfde probleem van het selectief gebruiken van bronnen blijkt uit een hoogst merkwaardige interne incongruentie in dit boek. Wie doordringt tot de 45 pagina’s bijlagen, komt op pagina 464 een tabel tegen met exportgegevens uit de achttiende eeuw, reeds in 1915 gepubliceerd. Het gaat om de export van pijpen vanuit Amsterdam, uitgedrukt in guldens. Niet zozeer de waarde als wel de verhoudingen tussen de exportgebieden zijn interessant. Nemen we het jaar 1753 als voorbeeld. Afgerond is de export naar Duitsland dan 2800 plus 1850 voor de Rijnvaart en maar liefst 25.000 naar Hamburg, Bremen en Kleine Oost ofwel totaal 29.650 gulden. Daarbij moeten we bedenken dat Hamburg de overslag- of doorvoerhaven was voor alle handel naar het Oostzeegebied: Pruissen, vooral Polen maar ook de Baltische staten. Voor de Nederlanden was de handel op dit gebied, de zogenaamde Moedernegotie, al eeuwen veruit de grootste in omvang, dus door de vele contacten was het logisch dat er ook pijpen naar toe gingen. Mede gezien het grote aantal pijpvondsten in Pruissen en Polen moet een aanzienlijk deel van de 25.000 gulden aan pijpen voor dit gebied bedoeld zijn, als niet het hele bedrag duidt op de Kleine Oost. Dan blijft voor Duitsland zelf niet meer dan 5.000 tot 15.000 gulden over . Naar Frankrijk wordt in datzelfde jaar voor ruim 7.000 gulden geëxporteerd, weliswaar maximaal de helft van Duitsland maar zeker aanzienlijk. De export over de Rijn en overig Duitsland is bij elkaar 4.650 gulden ofwel 65% van Frankrijk! Hoe is dat te rijmen met de uitspraak van Stam in § 3.3.1.3.2 (p. 267-269): “Dat Frankrijk nooit zo’n belangrijk importland geworden is voor Nederlandse pijpen als bijvoorbeeld Duitsland”. Beschikt de onderzoeker eindelijk over harde cijfers van export uit de tijd zelf en dan negeert hij zonder enige verklaring de cijfers van Frankrijk als exportland. Is dat wellicht omdat het niet van pas komt in zijn betoog, dat immers opgebouwd is uit de gegevens die hij in secundaire literatuur heeft kunnen vinden en die zoals hij stelt vanuit Frankrijk heel mager zijn?

Nog extremer wordt het bij de vermelding achter Denemarken (samen met Zweden en Noorwegen): bijna 20.000 gulden. Kijken we naar Denemarken in de hoofdtekst, dan komt dit land niet eens voor in de inhoudsopgave, maar moet onder overig landen gezocht worden (§ 3.3.1.4, p. 274). Stam noemt naast hoge imposten op importpijpen en zelfs een importverbod als reden om Scandinavië van geen belang te vinden, een éénmalige import van 40 gros pijpen, toevallig in hetzelfde jaar 1753. Dat is echter niet te rijmen met een export van 20.000 gulden, die Stam onder de tafel veegt. Dat het niet om een eenmalig jaar met grote verkoop gaat toont de tabel in 1791: ook toen was de export vanuit Amsterdam nog 17.500 gulden, dus vergelijkbaar met 1753. Duitsland haalde in datzelfde jaar 1791 wederom inclusief de Oostzee 17.800 gulden en was toen dus amper belangrijker. Zonder een noot ter verantwoording meldt Stam in zijn tekst terloops dat in Deense opgravingen 50% van de pijpen Nederlands is (p. 275), wat logisch is gezien de omvang van de export volgens de tabel. Het belang van de Deense export wordt ook bewezen met pijpen specifiek voor dat marktsegement bedacht (afb. 5), door Stam over het hoofd gezien. De zeer summiere tekst van Stam over Denemarken is in elk geval in tegenspraak met de realiteit. Overigens zij terzijde opgemerkt, dat de behandeling van Denemarken heel vreemd na die van Noorwegen komt en vóór die van IJsland, beide Deens grondgebied in de achttiende eeuw.

05-19.521-wapen-denemarken-1
Afb. 5a. APM 19.521
05-19.521-wapen-denemarken-2
Afb. 5b. APM 19.521
05-19.521-wapen-denemarken-3
Afb. 5c. APM 19.521

Veel aandacht gaat uit naar de grote merken, zij worden de basis van het rekenmodel waarmee de elite uit de Goudse nijverheid wordt aangewezen en wordt verknoopt met de verkoop buiten onze toenmalige landsgrenzen. Het onderscheiden van grote en kleine bedrijven en het vaststellen wat de economische dobber van een bepaald bedrijf was, is een interessante uitdaging. Stam stelt daarvoor de criteria, maar weer louter vanuit de toegankelijke secundaire bronnen; hij noemt die heel doeltreffend het toetsingskader (p. 379). Het rekenen en cijfermatig uitzetten in een grafiek of model biedt geen garantie voor een wetenschappelijk juiste uitkomst al is sec de methodiek dat misschien wel. Met te weinig vondsten en povere determinaties kun je slecht uit de voeten. Toch is het een wonder dat al dat gereken een plausibel distributie-patroon laat zien al zullen we nooit weten tot op welk niveau dit in de werkelijkheid wortelt.

Een interessante uitdaging is het markeren van de bloeiperiode van de merken. Dat vergt een puur archivalische studie want de welstand van een merk is primair aan de inzet van de maker gerelateerd, die weer gekoppeld is aan zijn eigen levensfase. Gaat het om een jonge energieke ondernemer of om iemand op leeftijd. Deze zeer persoonlijke situatie beïnvloedt de output en daarmee de afzet, waarheen dan ook. In het licht daarvan kennen alle merken hun eigen bloeiperiode die een spannend samenspel zijn tussen de macro- en de micro-economie. De specifieke kenmerken van de macro-economie ofwel de pijpennijverheid van grote afstand bezien geeft de hoofdlijnen aan. Daarbinnen bewegen zich de diverse bedrijven waarbij het belang van het merk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Het markeren van de bloeiperiode van de individuele merken is een mega puzzel in details, leuk voor verzamelaars maar de wetenschap beperkt zich liever tot de hoofdlijnen, waarbij de extremen niet onvermeld mogen blijven.

Het gegoochel met cijfers die verwerkt zijn tot grafieken ziet er interessant uit en wekt ook de indruk dat er wetenschap wordt bedreven. Zoals reeds aangegeven zijn de cijfers niet zo betrouwbaar als je zou wensen zodat er forse vraagtekens gezet moeten worden bij al die grafieken. Dat doet Stam zelf ook wel, allereerst door in de verantwoording dit al te vermelden en ook in de tekst door alles te doorspekken met vermoedelijk (288x), waarschijnlijk (110x), aangenomen mag worden dat (23x), verondersteld (24x), schatting (35x), aannemelijk (31x) en vooral het woord mogelijk (343x) ofwel tezamen 854 twijfels. Het beperkte aantal contemporaine bronnen waarin aantallen worden genoemd, de marginale buitenlandse vondsten in relatie tot de veronderstelde export, de onbruikbare determinaties in met name buitenlandse publicaties, alle gronden voor twijfel zijn al genoemd. Toch weerhoudt dit Stam er niet van stug door te gaan op de ingeslagen weg.

Zijn er werkelijk geen bronnen te bedenken die meer inzicht zouden kunnen geven? Jazeker. De Goudse archieven bevatten een flink aantal inventarissen van pijpenmakers. Bij overlijden of faillissement wordt vaak een gedetailleerde staat opgemaakt van alle bezit, waarbij vooral de schulden en nog te innen tegoeden interessant zijn. Dan blijken grote pijpmakerijen bijvoorbeeld een “Zeeuws schuldenboek” aan te houden met tegoeden op Zeeuwse handelaren voor geleverde pijpen. Ook simpele lijsten met inschulden kom je tegen. In andere gevallen is er een vermelding van vele tienduizenden pijpen op voorraad in een pakhuis, uitgesplitst naar soort. Maar als de onderzoeker bij voorbaat de gang naar een archief als onderzoeksmethode afwijst, dan blijven deze bronnen liggen.

De grootste zekerheid over de omvang van de pijpenmakerijen is overigens het aantal schroeven, niet de vormen. Zij zijn direct gerelateerd aan het aantal kasters die weer centraal staan in de berekening van de productieaantallen. Uit Gouda zijn hierover behoorlijk veel voorbeelden bekend afkomstig uit boedelinventarissen. Meer specifieke bronnen zijn de afgescheepte ladingen van enkele grote pijpenexporteurs in de Goudse kamerboeken (p. 212) en ook een interessant grootboek van Verzijl (p. 211), sinds 1999 bekend. Deze laatste twee bronnen worden wel genoemd maar niet uitgewerkt. Al met al bevatten deze archiefstukken nog een zee aan valide informatie, die het twijfelachtige beeld dat Stam schetst kunnen verduidelijken.

06-07.883d-kasjotte-16-gekroond-1
Afb. 6a. APM 7.883d
06-07.883d-kasjotte-16-gekroond-3
Afb. 6b. APM 7.883d
06-07.883d-kasjotte-16-gekroond-7
Afb. 6c. APM 7.883d

Hetzelfde zou kunnen gelden voor de recente archeologische literatuur. Na de invoering van het Verdrag van Malta heeft het ADC over heel Nederland een gigantisch aantal vondstrapporten uitgegeven, waarvan er talloze nuttige informatie over kleipijpen bevatten. Die gaan weliswaar over Nederland, maar de pijpenmakers hebben toch echt vanuit hun standplaats naar afzet gezocht en kwamen dus eerst in de Nederlandse gewesten terecht voordat zij hun verkoop op het buitenland richtten. Voor meer buitenlandse vondsten zou gebruik gemaakt kunnen worden van de goed uitgewerkte databases, op internet te vinden, bijvoorbeeld de Canadese archeologische dienst (archeolab.quebec). Over de pijpvondsten in Recife, de hoofdstad van de Hollandse vestiging in Brazilië, is vrij uitvoerig gepubliceerd, maar zie ik niets terug. Dit zijn maar enkele, vrij willekeurige voorbeelden van onbenutte mogelijkheden tot aanvullende archeologische bronnen.

Ander vondstmateriaal is te vinden bij talloze grotere musea die interessante bodemvondstcollecties beheren die inzicht in de vondsten in een bepaalde regio geven. Zo leerde ik in de jaren tachtig ongelofelijk veel over de export van Goudse pijpen van de depotcollectie in het Nationaal Museum in Kopenhagen. Veel andere stedelijke musea en archeologische diensten beheren dergelijk vondstmateriaal. Daarbij geldt dat alles bruikbaar is want het gaat om de frequentie van voorkomen, niet om de samenhang van de vondsten of een bijzondere stratigrafie. Verder bevat de online database van het Amsterdam Pipe Museum ruim 8000 bodemvondstpijpen inclusief vindplaatsen waarvan er 6321 in het bestudeerde tijdvak vallen (afb. 6). Ook daarnaar is niet gekeken. Steelringen met makersnamen zijn een andere belangrijke mogelijkheid om het belang van makers vast te stellen. Ook die kans bleef onbenut.

Tot slot nog iets over de afbeeldingen. Kleipijpen zijn niet zo fotogeniek. De kracht van de Goudse kwaliteitspijp ligt in de afgewogen vorm en het fragiele voorkomen; daardoor wekt de kleipijp bewondering op als je die in de volle glans ziet èn aanraakt. Als bodemvondst-pijpenkop is het echter een saai voorwerp geworden, zeker wanneer dit tweedimensionaal wordt afgebeeld en dat is bij publicaties een gegeven. Was het daarom niet beter geweest om tussen de afbeeldingen van de pijpenkoppen enkele complete pijpen te tonen waardoor de balans in de Goudse kwaliteitspijp tot zijn recht komt, juist die bijzondere productbalans is de reden waarom de succesvolle export is gestart. Zes afbeeldingen van rokers (p. 7, 69, 70, 76, 113 en 180) stellen de gebruiksfunctie van de pijp wel present, maar zijn onvoldoende om het beeld goed neer te zetten. Bovendien zijn zij niet in de tekst verankerd. Afbeeldingen van rokers uit den vreemde zouden bovendien een mooie illustratie van de export zijn geweest, inclusief de vermelding wie rookte uit wat voor pijp (afb. 7-9). Toegegeven, een kunsthistoricus heeft een andere benadering dan sec de historische lijn te presenteren.

Hoofdstuk 5 (25 pagina’s) kondigt de conclusie aan, doch is eerder een samenvatting van het boek, want er komen te veel details terug die in de hoofdtekst thuishoren. Erg jammer dat dit hoofdstuk geen verwijzingen bevat naar de hoofdtekst, zodat je desgewenst terug kunt gaan om een nadere uitleg of een onderbouwing kunt lezen. Op volstrekt willekeurige plekken doet Stam dat toch, maar dan kom je soms totaal verkeerd uit (p. 414). De samenvatting plaatst de lezer voor hetzelfde probleem als bij de hoofdtekst: je krijgt slecht grip op het relaas. Je leest enorm veel weetjes en details, maar tot een samenhangend geheel komt het niet. In de conclusie blijven ook concrete jaartallen en cijfers achterwege, zodat de lezer zich van de ijkpunten in de historie minder bewust wordt dan had kunnen zijn. Er lijkt ook niet een echte conclusie te zijn, het blijft duister wat Stam met zijn langdurig onderzoek heeft ontdekt. Of is dit Stam’s stelling dat er een specifiek hoogtepunt van de Goudse pijpennijverheid is aan te wijzen: het jaar 1737 (p. 406). Dat is nog niet eerder gedaan en hij zet dat ook af tegen de eerdere literatuur. Maar… dan lees je (p. 408) dat hij zijn bewijsvoering daarvoor zelf ontkracht: het hoogtepunt van de vormgeving en kwaliteit ligt in de jaren 1740-1750.

07-21.141-gravure-roker-2
Afb. 7a. APM 21.141
07-21.141-gravure-roker-3
Afb. 7b. APM 21.141
08-17.219-kuyper-pijpaanbieding-1
Afb. 8a. APM 17.219
08-17.219-kuyper-pijpaanbieding-3
Afb. 8b. APM 17.219

Wat in elk geval enigszins vernieuwend is, is dat Stam de stagnatie en neergang van de nijverheid in verband brengt met een veelheid aan grotendeels economische factoren: importheffingen en tollen in het buitenland, concurrentie vanuit het buitenland, de algemene daling van de levensstandaard, imposten op turf. Hoewel Dirk Goedewaagen dat al in de jaren 1940 aangaf, gaat Stam in op hoe dat precies in zijn werk ging. Jammer wel dat in een volgende paragraaf (§ 5.5.6) deze handelsbelemmeringen nogmaals ter sprake komen en tot in detail herhaald worden. Dat is voor in een samenvatting al storend, maar in een conclusie not done. Overigens blijkt dan dat die belemmeringen wel voor Duitse gebieden golden, maar niet voor België, Frankrijk en heel Scandinavië. De waarheid is dus wat gefacetteerder.

Van een conclusie kan je dus niet spreken, waardoor het proefschrift een schets blijft van een Hollandse nijverheid met focus op de export. Uit vele van de hier genoemde voorbeelden van vreemde volgorde, opsplitsing van informatie over verschillende hoofdstukken en tegenstrijdigheden binnen het boek, spreekt dat de onderzoeker niet boven de materie staat. Dat strookt ook wel met de verzuchting van Stam zelf in zijn dankwoord (p. 524): “… ik vond dat er dan ook maar de tucht van een proefschrift overheen moest”. Het is duidelijk dat Stam heel veel werk verzet heeft, met vele medeverzamelaars uitvoerige gesprekken gevoerd heeft, een enorme hoeveelheid vakliteratuur verzameld heeft en vervolgens heeft zitten stoeien met alle gegevens. Uiteraard biedt deze dissertatie wel nieuwe gedachtes, maar zij zitten verstopt in een moeilijk te doorgronden massa tekst met zoals opgemerkt te veel herhalingen. Ondanks al deze noeste arbeid, moet anderzijds geconstateerd worden dat het de nijverheid in talloze gevallen tekort doet. Nogmaals is mijn mening dat de binnenlandse handel voor een product als de kleipijp niet buiten beschouwing kan worden gelaten, dat levert een onvolledig en dus scheef beeld. Het was dus beter geweest in plaats van twee eeuwen, slechts één eeuw te nemen en dat vanuit binnen- en buitenlands perspectief te doen. Als dan de pijpenexport ook nog in logische segmenten verdeeld was gepresenteerd – nabije markten als Frankrijk en Duitsland, en verder het Baltische gebied, de VOC- en WIC-handel – dan was een helder beeld ontstaan. Nu moeten we het doen met tientallen pin pricks van toevallige vondsten in het buitenland die geen volledig overzicht geven.

09-17.261-gravure-coichin-1
Afb. 9a. APM 17.261
09-17.261-gravure-coichin-2
Afb. 9b. APM 17.261

Liever had ik in de conclusie dus louter inzicht in het (economische) veranderingsproces per tijdvak gezien. Dat kan al dan niet vergelijkenderwijs over de verschillende centra of als een rode draad door de tijd heen ten aanzien van de productie en verkoop. Uiteraard dat alles ingebed in de economie van dat moment. Hier was het ook toepasselijk geweest om de economische theorieën op de resultaten los te laten voor een betere inbedding in de Hollandse en buitenlandse economische geschiedenis. Porter die al in hoofdstuk 1 wordt voorgesteld (p. 35-39) heeft uiteindelijk niet veel functie in dit betoog gekregen. Aan de gedachtegang van Levitt zijn wel aardige hypothesen verbonden. Het vliegwiel dat de nijverheid aanjaagt is zo’n mooie vinding (p. 235), maar economische schematisering van het verval roept om een ander illustratief model waarin oorzaak en gevolg zichtbaar worden. Dat ontbreekt. Tenslotte is het stuk over de Jonaspijpen (p. 236-239) voor mij als kunsthistoricus door toepassing van een theorie ontbloot van ieder inzicht in de evolutie van de kleipijp.

Blijft wel de vraag of het boek uitsluitend als proefschrift bedoeld is, als proeve voor de promovendus om te laten zien dat deze op het hoogst denkbare wetenschappelijke niveau kan werken. Eerder lijkt het dat de auteur beoogd heeft een boek te schrijven waarin de totale nijverheid behandeld wordt. Of dat bestaat zonder primaire bronnen te raadplegen trek ik zeer in twijfel. Wanneer je de gemiddelde pijpenonderzoeker wilt boeien - zoals we zagen vaak een geïnteresseerde amateur - is een transparanter werk gewenst. Die heeft behoefte aan een leesbaar boek en dat is dit helaas niet geworden. Het doorlezen van het gehele boek van 420 pagina’s (tot aan de Engelse samenvatting en bijlagen) is al zo’n opgave door de onsamenhangende en weinig geredigeerde tekst. Vervolgens heb je wel een soort van beeld van de nijverheid, maar geen enkele zekerheid over wat je gelezen hebt omdat Stam zelf alles met zoveel misten en maren, waarschijnlijk en vermoedelijk omgeeft. Hopelijk zijn er in de toekomst ijverige studenten die zich willen verdiepen in een specifiek aspect of bepaald exportkanaal waar na studie van betere bronnen met meer gezag nieuwe conclusies uit getrokken kunnen worden.

 

© Don Duco, Amsterdam Pipe Museum, 2019.

 

Afbeeldingen

  1. Kaft proefschrift R.D. Stam
    Amsterdam Pipe Museum, bibliotheek
  2. Uitsnede met de pijpenpot en trompet uit de encyclopedie van Diderot. Parijs, Diderot & D'Alembert, 1771-1785.
    Amsterdam Pipe Museum APM 17.532b
  3. Prent van zittende pijproker met bovenmaats kleipijp. Parijs, Johann Georg Will, 1741.
    Amsterdam Pipe Museum APM 21.130
  4. Tabakspijp voor export met afbeelding van koning Karel II van Spanje en het vorstelijke wapen. Gouda, Adriaan van der Cruis, 1675-1690, hielmerk EB.
    Amsterdam Pipe Museum APM 12.985
  5. Pijpenkop met kromkop ketel waarop het wapen van Denemarken. Gouda, 1735-1750.
    Amsterdam Pipe Museum APM 19.521
  6. Zogenaamde kasjotte, exportpijp. Gouda, Pieter Stomman op naam van Geertruij Stomman, 1780-1820.
    Amsterdam Pipe Museum APM 7.883d
  7. Prent rokende neger met kasjotte pijp. Duitsland, 1750-1810.
    Amsterdam Pipe Museum APM 21.141
  8. Prent met twee Indianen, de vrouw biedt de man een langgesteelde pijp aan. Nederland, Jacques Kuijper, 1802-1807.
    Amsterdam Pipe Museum APM 17.219
  9. Prent met roker met kleipijp met toegevoegd koelreservoir voor de poort van Coichin, India. Amsterdam, A. Meijer, 1690-1695.
    Amsterdam Pipe Museum APM 17.261