Boekbespreking: Sanzone, Portaits in a Nutshell

Author:
Don Duco, Benedict Goes

Publication Year:
2025

Publisher:
Amsterdam Pipe Museum

Dit prachtig verzorgde boek is het eerste dat gewijd is aan snuifdoosjes en -flesje gemaakt van coquilla, een Braziliaanse noot. David Badger uit Virginia bracht hiervan een indrukwekkende verzameling van 600 objecten bijeen. De verzamelaar verdient alle lof voor zijn volharding in het najagen en aankopen van zoveel doosjes en aanverwant snijwerk. Niet in de laatste plaats vanwege de amusante en bizarre voorstellingen. Vervolgens vroeg hij twee professoren in de kunstgeschiedenis om zijn collectie te bestuderen, te beschrijven en te duiden. Dat levert een interessante academische publicatie op, zoals dat hoort compleet met verantwoording, literatuurlijst en notenapparaat. Het doorbladeren van het boek is een waar genoegen door het prachtige fotowerk van de vele nijverheidsobjecten van hoge kwaliteit in een smaakvolle rustgevende opmaak (afb. 1).

0001-kaft-1
Afb. 1a.  Boekkaft 
0001-kaft-2
Afb.1b.  Achterkaft

Bij het lezen verbaas je je echter over de hoogst merkwaardige aanpak van dit wetenschappelijk werk: de auteurs gaan uit van het vooringenomen idee dat de doosjes het product zijn van Afro-Braziliaanse of Afrikaanse makers. De onderzoekers zijn namelijk volgelingen van een nieuwe stroming in historisch onderzoek sinds de jaren 1980 rond de Black Atlantic World. Hierin wordt het belang van de Black Brazilian voorop gesteld, in combinatie met een wederkerige invloed van de West-Indische kolonies op de Afrikaanse thuislanden, zoals bijvoorbeeld Ghana, Kongo en Angola. Het tweede dat opvalt, is dat het boek volstaat met herhalingen. Twee auteurs die samen twaalf hoofdstukken maken, zonder dat duidelijk is wie welk deel schrijft en kennelijk niet goed afstemmen wie wat schrijft. Jammer dat de editor de verwarringen en verdubbelingen niet heeft kunnen voorkomen.

Terug naar de inhoud. Feit is dat met de trans-Atlantische slavenhandel onnoemelijk veel Afrikanen naar de West verscheept zijn, alleen al 4,7 miljoen naar Brazilië! Dat deze volksverhuizing invloed gehad heeft op alle facetten van het maatschappelijk leven in Brazilië wekt geen twijfel. Alleen al dit gegeven, in combinatie met de Braziliaanse oorsprong van de coquilla noot, zien de auteurs als bewijs dat deze Afrikanen de makers van deze snijkunst zouden zijn. Die coïncidentie lijkt onvoldoende overtuigend. In de verantwoording schrijft de editor: “Wij hebben inderdaad geen bewijs gevonden voor de oorsprong of makers, maar het is een poging om een nieuw narratief te bieden over de kunst en geschiedenis van deze objecten”. Dat is inderdaad gelukt, maar een dergelijke onderzoekswijze rammelt helaas aan alle kanten.

Terwijl de inlandse bevolking vogelbotjes of schelpen gebruikte om snuiftabak in te bewaren, ontstaan ergens in de 17de eeuw flesjes van de coquillanoot, waarbij de natuurlijke opening aan de top van de noot als strooigat dient. De bloei van de dozenproductie ligt echter in de vroeg-negentiende eeuw. Vanaf 1800 neemt de slavenhandel door Portugezen naar Brazilië sterk toe, precies dan verschuift de productie van eenvoudige snuifflesjes uit een enkele noot naar doosjes samengesteld uit meerdere noten voorzien van een scharnierend deksel. Deze technische innovatie wordt bij gevolg toegeschreven aan de nieuwe Brazilianen, lees slaven. De schrijvers halen één historica aan die stelt dat een zesde tot de helft van het scheepsvolk in de West-Indies uit zwarte slaven of Creolen heeft bestaan, zowel op de Atlantische vaart als tussen Brazilië en de Caraïben. Dat zou dan weer bewijs zijn dat de noten op de schepen gesneden zouden zijn. Steeds worden twee losstaande historische gegevens of ontwikkelingen aan elkaar gekoppeld met een verondersteld oorzakelijk verband, terwijl daar geen enkele aanleiding toe bestaat. Zonder aanvullend bewijs kan je het in elk geval niet als wetenschap brengen.

Voorts wordt ook een ander aspect onterecht als zeer vernieuwend onderzoek gepresenteerd. Zoals bekend zijn alle archieven door de kolonisten, dus door Europeanen geschreven. Zij hadden weinig oog voor de gewone man, laat staan voor de slavenpopulatie. Dit bemoeilijkt het onderzoek, vandaar dat de auteurs de nijverheidsproducten zelf als historische bron nemen. Dit is echter niet zo innovatief als zij claimen. Voor een beter begrip van het dagelijks leven wordt in Europa al sinds de jaren 1960 huisraad uit beerputten van de Middeleeuwse steden bekeken om een  scherper beeld van de wooncultuur te krijgen.

Het duiden van de iconografie op de gesneden noten is op zich zeker een nuttige exercitie en levert soms typisch Braziliaanse elementen op, zoals de coati of witsnuit-neusbeer, die overigens niet zo zuidelijk leeft, de tapeti of Braziliaans konijn, die helaas nauwelijks van een gewoon konijn te onderscheiden is of de tamarin, een klauwaapje uit het Amazonegebied. Al deze dieren zullen in Europa niet snel worden afgebeeld, vooral omdat ze niet heel onderscheidend of opvallend zijn. Opnieuw geen sterk bewijs dat zwarten de makers zijn van deze voorstellingen.

Echt twijfelachtig wordt de toeschrijving aan Brazilië van jachtvoorstellingen met paarden, hazen, eenden enzovoorts. Deze zijn evengoed in Europa populair geweest. Hetzelfde geldt voor bladmuziek en instrumenten als harp en gitaar (afb. 2), die in dit boek worden toegedicht aan de zangtradities die de Jezuïeten in Brazilië introduceerden. Hun vormgeving is echter sterk Europees.

0002-muziek
Afb.2.  Noot met muziekinstrumenten.

Een groot aantal doosjes toont een staand mensfiguur met een scharnierend deksel aan de rugzijde van een figuur. Vaak is die persoon karikaturaal uitgebeeld tot misvormd met een bochel (afb. 3). Dit laatste vormgevingselement stemt overigens sterk overeen met de ruwe vorm van de noot. Een boeiende hypothese is dat dwergen en mensen met rug-kyfose of bochel in West-Afrika een hoge status hebben, met name aan het hof van Benin en Dahomey. Dit levert echter geen bewijs dat deze figuurtjes door Black-Brazilians zijn gemaakt, zoals wordt gesteld. Karikaturen zijn immers met name in de negentiende eeuw in de West-Europese beeldcultuur wijd verbreid.

0003a-bochel-1
Afb.3a.  Mannetje met bochel.
0003b-bochel-2
Afb. 3b. Achterkant met klep.

Een groot deel van de hypotheses lijkt vooral gebaseerd op wishfull-thinking, wat voortkomt uit de vooringenomen focus op de Black Atlantic World. Die visie breiden de auteurs zelfs nog uit richting Azië. Omdat vanuit Europa veel handel wordt gedreven met de Oost, kunnen de noten ook in China bekend zijn. Is een noot zeer gedetailleerd, dan is de gevolgtrekking dat deze in Canton gesneden is, uitgaande van het daar bestaande vakmanschap. Is de voorstelling op en top katholiek, dan komt zelfs de Portugees-Indiase stad Goa als productieplaats in aanmerking. Alsof er in Europa geen streng-katholieke landen zouden zijn, inclusief Portugal zelf.

De meest verregaande en vaak herhaalde gevolgtrekking is wel de bewering dat elke doos met een stukje balein als toegevoegde decoratie op zee gemaakt moet zijn. Ten eerste zou nader bekeken moeten worden of decoratieve details als jasknopen van been, potvis- dan wel walrustand of balein zijn gemaakt. Louter vanwege het aandeel zwarten onder de zeelui zijn ze dús door Black sailors gemaakt; zelfs op de walvisvaart rond de Zuidpool zouden zwarte matrozen deel uitmaken van de bemanning. Zowel de bewering dat productie op zee plaatsvond, als dat het om zwarte makers gaat, trekken wij sterk in twijfel. In Europa is het bekend dat in talloze steden waar walvisvaarders hun thuishaven hebben, maritiem ivoor gebruikt wordt voor snijwerk. Dieppe is wereldwijd bekend om de lange traditie van hoogstaand ivoorsnijwerk, maar ook in steden als Nantes of Bremen is been- en tand-snijwerk gemaakt. Dezelfde ateliers kunnen heel goed in coquilla gesneden hebben, gereedschap en kunde waren immers aanwezig. Geen enkele reden dus om de productie noodzakelijkerwijs op zee te plaatsen. Wie bekend is met scheepsjournalen, weet bovendien dat het onderhoud van de houten zeilschepen alle aandacht en energie van de bemanning vroeg. Voor de productie van particuliere handelswaar als curiosagoed was maar zeer beperkt tijd. Trouwens, een goed functionerend en fraai gedecoreerd coquilladoosje snij je niet na een beetje oefening, zeker niet op een instabiel schip.

Na alle onwaarschijnlijke en soms vergezochte verbanden met de Afro-Brazilianen, lezen we tegen het einde van het boek enkele vernieuwende inzichten. Zo kan je naar de betekenis van dieren kijken vanuit het perspectief van West-Afrikaanse tradities en religies. Dan blijkt dat de mudfish symbool is voor koninklijke macht, de ram verbonden met een Afrikaanse godheid, de hond in Kongo geassocieerd met geesten en de kikker bij de Ashanti een dier is tussen de levenden en de doden. Pas na vergelijking met de uitbeeldingen van deze dieren in de West-Afrikaanse snijkunst – die op nagenoeg alle gebruiksvoorwerpen te vinden is – zou een link met de coquilla-dozen gelegd kunnen worden. Dit pad hebben de auteurs echter niet genomen. Overigens is ook hier de productie door Black Brazilians nog allerminst bewezen. In Westers onderzoek is een dergelijk aspect in studie nemen onontgonnen terrein en alleen daarom al te prijzen.

Tevens is de vondst in deze uitgebreide collectie van enkele uitbeeldingen van herkenbare historische personen een interessant aanknopingspunt. Zo is daar Absalon Jones, de eerste Afro-Amerikaanse priester in de VS (†1818) of Zuster Joanna de Angelica, die in 1822 weigerde de sleutels van haar klooster af te geven aan de Portugese soldaten tijdens de Braziliaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Zij werd prompt gedood en werd vervolgens als heilige een symbool voor het vrijheidsstreven. Bijzonder is ook de uitbeelding van Benjamin Franklin, hoewel meer karikaturaal dan realistisch (p.157, afb. 4).

0004a-franklin
Afb. 4a.  Benjamin Franklin.
0004b-franklin
Afb. 4b.  Zijn portret in een noot.  

Zo biedt de visie van de Black Atlantic World door haar andere perspectief op de geschiedenis zeker interessante gezichtspunten. Helaas wordt in dit boek het idee dat de Black Brazilian samenleving alom vertegenwoordigd is in deze nijverheid wel erg ver doorgedreven. Badger en de auteurs zijn zich wellicht niet bewust dat de coquilla snuifdozen vrij algemeen zijn in de Franse antiekhandel, waardoor de productie in een van de West-Franse kustplaatsen zeker niet afgeschreven mag worden. In de online database van het Amsterdam Pipe Museum die de onderzoekers niet gevonden hebben, worden twintig coquilla-dozen en -pijpen expliciet als West-Europees, doorgaans Frans geïdentificeerd, wat ook de context is waarin zij overgeleverd zijn. Ondanks de vaak rommelige tekst met uiterst hypothetische duiding van de voorstellingen, zijn wij blij dat de indrukwekkende collectie Badger met dit rijk geïllustreerde boek nu wereldwijd bekend en raadpleegbaar is (afb. 5).

0005b-bochels
Afb. 5a. Doosje gemaakt uit twee noten.
0005a-bochels
Afb. 5b.  Verschillende karikaturen en gebochelden.
Donna S. Sanzone (ed.), Matthew Francis Rarey en Gwendolyn DuBois Shaw, Portraits in a Nutshell, The Art and History of Coquilla Nut Snuff Boxes and Bottles, Brandeis University Press, Waltham, Massachusetts, 2025, 234 pagina’s, rijk geïllustreerd.