Book review: Production centers of Dutch clay pipes, An overview of the current situation

Author:
Don Duco

Original Title:
Boekbespreking: Productiecentra van Nederlandse kleipijpen, Een overzicht van de stand van zaken

Publication Year:
2011

Publisher:
Stichting Pijpenkabinet

Description:
Discussion of a new book on the Dutch clay pipe industry based largely on work by other authors.

Qua uitstraling lijkt de bovengemelde publicatie wel op het handboek over de Nederlandse kleipijp dat ik in 1987 schreef (noot 1). Met in blauwtinten centraal een foto van een versierde pijpenkop en een titel in twee delen waarvan de woorden Nederlandse kleipijp elkaar overlappen is dat ook zo. Maar schijn bedriegt. De publicatie van Van Oostveen en Stam heeft een andere opzet. Het is niet een structuur van de nijverheid en geeft geen stapsgewijze ontwikkeling van model, merk en versiering van de kleipijp. Het is bedoeld als een geografisch geordend overzicht van de Nederlandse pijpmakerscentra.

Dat wordt ook in de inleiding duidelijk gemaakt. Om die reden refereren de heren auteurs ook aan een eerdere uitgave van de Pijpelogische Kring Nederland. Model stond volgens hun zeggen een boek met de bespreking van de plaatsen in Nederland waar pijpen zijn gemaakt, dat als jubileumboek voor de PKN in 1988 verscheen. Bij dat initiatief werden twaalf auteurs gevraagd in zestien hoofdstukken de geschiedenis van achttien productiecentra te beschrijven. Het was een gelukkige keuze, want iedere auteur was specialist op zijn gebied. De redactie bracht eenheid in de veelheid aan informatie. Niet verwonderlijk: het boek was snel uitverkocht al bleef de verspreiding beperkt tot de eigen leden.

De nieuw verschenen publicatie behandelt dus de productieplaatsen alfabetisch op plaatsnaam. Voorafgegaan door enkele synthetiserende hoofdstukken met als voornaamste twee de pijpenproductie en een overzicht van de pijpennijverheid in Nederland (resp. 12 en 5 pagina's). Als inleiding wordt nog een beknopte historie van het pijpenonderzoek in Nederland gegeven. Met enige trots wordt aangegeven dat er door voortgaand onderzoek veel aanvullende informatie boven water is gekomen hetgeen deze uitgave legitimeert. Te meer daar deze kennis verspreid gepubliceerd is en soms zelfs nooit in druk verscheen. Nieuwe resultaten die een nieuwe stand van zaken geven, zoals het laatste deel van de boektitel aangeeft. Een helder uitgangspunt dus dat je snel aan het lezen zet, hongerig naar al deze onverwachte vondsten met aanvullende informatie. En die drang wordt nog eens sterker wanneer je beloofd wordt dat het aantal Nederlandse productiecentra van pijpen van 18 naar 52 is vermeerderd.

lit-kaft-stam-van-oostveen-1
1. Kaft Productiecentra.
lit-kaft-stam-van-oostveen -2
3. Kaft Productiecentra.

Helaas, dat blijkt al snel een deceptie. De inleiding is behoorlijk misleidend want de kennis is minder gegroeid dan de auteurs doen vermoeden. De werkelijkheid ligt namelijk iets anders. Dat begint al bij het feit dat het PKN-jubileumboek niet het eerste overzicht is van de pijpennijverheid verspreid over Nederland. Reeds in 1979 studeerde ik op dit onderwerp af met een scriptie die in 1981 als deel in de reeks rapporten van de British Archaeological Reports in Oxford verscheen (noot 2). Onder de titel De kleipijp in de zeventiende eeuwse Nederlanden kwam een Nederlandse handelseditie op de markt waarin de geschiedenis van 32 zeventiende eeuwse productieplaatsen. Je hoeft overigens niet goed te kijken of je ziet dat de heren auteurs dat boek als uitgangspunt hebben genomen en niet zoals zij stellen het latere, door hun eigen kring uitgebrachte deel.

Natuurlijk is de opzet van dit nieuwe boek anders. Waar mijn onderzoek de zeventiende eeuwse Nederlanden betrof, dus met inbegrip van het tegenwoordige België omdat de historische lijnen en patronen voor wat betreft de periode daar doorlopen, is nu voor de huidige Nederlandse landsgrenzen gekozen. Daarentegen is de tijdsspanne uitgebreid tot aan de huidige tijd toe. Denkend vanuit 1981 maken de auteurs zelfs hun excuses dat België niet geïncorporeerd is (p 32). Vanuit de logica zou hier natuurlijk het woord buitenland moeten staan, al zijn beide opmerkingen natuurlijk volstrekt overbodig gezien de geografische beperking neergelegd in de boektitel.

Bij bestudering blijkt het kopieerwerk uit Duco 1981 overmatig. Eigenlijk is de hele inhoud van deze lang uitverkochte bestseller overgenomen. Kijken we bijvoorbeeld naar het hoofdstuk Amsterdam dan zijn de pagina's 51 tot en met 54 letterlijk van Duco 1981 overgenomen (daar pag. 306-314). Alleen waar ik indertijd gegevens over de personen gaf zoals plaats van herkomst, leeftijd en woonadres is die informatie nu weggelaten, terwijl hap snap in wat noten een stukje kennis weer wordt toegevoegd (noten 86-99). Als de informatie van Duco 1981 soms iets de diep ging dan wordt deze ingekort. In Amsterdam onderscheidde ik bijvoorbeeld vier pijpenmakers met de naam Evert Evertsz. actief in de jaren 1640 tot 1655. Zulke gevallen worden nu simpelweg met een enkele naam afgedaan met het excuus dat de andere personen wel knechten geweest zouden zijn. Helaas namen beide auteurs ook geen moeite de bronnen te verifiëren. Ook andere paragrafen werden onveranderd uit Duco 1981 overgenomen. De meest genante is Appingedam (p 168). Daar werd vermoedelijk door slordige aantekeningen de voornaam en het patronymicum van de enige bekende maker verwisseld zodat hier nu een niet bestaande persoon vermeld staat.

Maar er is vaker van klakkeloos kopieergedrag sprake. Steden waar sinds 1981 geen vervolgonderzoek is gedaan, zijn letterlijk in het keurslijf van dit boek geforceerd. Daarbij werd soms eerlijk gerefereerd met een noot naar Duco 1981. In verschillende andere gevallen gebeurde dat niet maar werden de indertijd door mij geplaatste voetnoten overgenomen. Een mooi voorbeeld is het hoofdstuk Schiedam ( p 136-137) dat volledig op de inhoud van mijn onderzoek is gebaseerd. In plaats van hier ook Duco 1981 te noemen lezen wij acht letterlijk gekopieerde voetnoten (Duco, 1981, p 360, noten 463-468 en 471) waarvan de broncitatie inmiddels verouderd is. Een dergelijk hoofdstuk voldoet dus niet aan wat in de inleiding is beloofd en bewijst dat de auteurs Van Oostveen en Stam geen werkelijk onderzoek deden doch hun schrijfwerk eenvoudigweg met plak- en knipwerk samenstelden. Een compilatie dus waarbij het citaatrecht flagrant geschonden wordt (noot 3).

Dat ook het schrijfwerk op gemakzucht terugvoert mag blijken uit het feit dat bij zestien hoofdstukken (sic!) een identieke zin van maarliefst 21 woorden voorkomt over de vondst van pijpenpotten en ander productiemateriaal. Blijkbaar werd de opzet van het boek met een matrix gemaakt, maar is van correctie nadien geen sprake meer geweest. Een andere, buitengewoon storende herhaling is het gebruik van het woord vooralsnog dat nagenoeg op iedere pagina gedrukt staat; de betekenis van dat woord gaat na honderden keren volledig verloren.

Ook uit andere bronnen werd geput, vaak zonder verwijzing en dat blijkt het sterkst uit het in mijn handboek gepubliceerde diagram van de Nederlandse nijverheid (Duco, 1987, p 12). Dit diagram werd letterlijk overgenomen al werd dit wel aangevuld. Negen regels zijn toegevoegd en ook zijn enkele tijdsbalken verlengd (p 23). Uitgerekend onder dit diagram claimde Van Oostveen met een copyrightteken het kopieerwerk. Hoe ver kun je gaan? Daarenboven blijkt dat de auteurs kennelijk een eigen definitie van het begrip kleipijp hebben gehanteerd door hieronder ook de gietpijp te rekenen. Dat is buitengewoon verwarrend aangezien dit nergens in de Nederlandse pijpenliteratuur gebeurt. Een gegoten geglazuurde pijp in een gipsen mal gemaakt is fundamenteel anders dan een gekaste kleipijp uit een metalen persvorm. In de inleidende pagina's zoeken we tevergeefs naar een nadere toelichting hiervoor. Na een technische bespreking van de kleipijp gaat een paragraaf over modellen (4.4) simpelweg over in de vermelding gietpijpen, overigens zonder iets over het model daarvan te zeggen. Deze wonderlijke uitbreiding is zeker geen onderwerp voor dit archeologisch georiënteerde boek maar bovendien is de behandeling van de gietpijp hap snap en op deze basale wijze niet dienstig voor de archeoloog. Door de gietpijp in mijn diagram te incorporeren wordt het gekopieerde schema wel indrukwekkender al blijkt ook dat dus misleiding.

Wie de geschiedenis van de kleipijp kent weet dat in Gouda de laatste kleipijpen in 1982 werden geperst. Vervolgens is nog tot 1987 in Leiden van een beperkte productie van kleipijpen sprake geweest. Daarna is het ambacht nooit meer beroepshalve beoefend. Kleipijpen waren geen handelsartikel meer. Wel is het ambacht intermitterend in stand gehouden ondermeer door de Goudse pottenbakker Adrie Moerings wiens broer het ambacht demonstreerde en souvenirpijpen perste. In de nieuwe publicatie wordt dat nu als een commerciële productie beschouwd. Met een dergelijk vaag uitgangspunt konden de tijdsbalken in de gekopieerde grafiek uit Duco 1987 worden verlengd maar geven de heren auteurs niet aan enig inzicht te hebben in wat bedrijfsmatig produceren eigenlijk betekent. Het lijkt erop dat zij de nijverheid van het pijpenmaken niet als een economische activiteit kunnen beschouwen.

lit-kaft-stam-van-oostveen-3
3. Kaftdetail Productiecentra.

Komen we terug op de vraag wat de toegevoegde kennis in dit boek is. Dat gaat welgeteld om negen steden. Twee ervan zijn laat-twintigste eeuwse plaatsen waar gedurende een paar jaar gietpijpen zijn gemaakt: Nieuw-Buinen en Waddinxveen. Dan zijn er drie plaatsen van twijfelachtige inhoud: Den Briel, Eibergen en Oud-Beyerland. Zij bevatten geen harde bewijzen dat zij een productieplaats laat staan een centrum van pijpen zijn geweest. De vondst van een kleiring mag zeker niet als bewijs dienen, die kan evengoed tijdens het transport van een mand pijpen benut zijn. Bij gebrek aan enige andere indicatie vallen die drie plaatsen voor mij vooralsnog af. Wel nieuw zijn de besprekingen van Dokkum, Oudshoorn, Sneek en Woerden. Meppel tenslotte betreft een wonderlijke secundaire vondst in de aantekeningen van Helbers. Was het niet logisch geweest dit even te verifiëren? Wel een magere oogst dus na de beloftes in het voorwoord!

Iets anders dat ik als vakspecialist een heel ongelukkige keuze vindt is het gebruik van de archeologische dateringsmethodiek (p 5) die in dit boek wordt gehanteerd. De schrijvers geven uitleg dat het gaat om een indeling in halve en kwart eeuwen, respectievelijk met AB en abcd aangegeven. Een wijze van werken die overigens niet specifiek archeologisch is maar uit de wereld van de kunstnijverheid stamt (noot 4). Daarmee zoeken de auteurs blijkbaar aansluiting bij de archeologie maar verloochenen tegelijkertijd ook de unieke mogelijkheden van de kleipijp als dateringsindicator. Ik heb vooral in de laatste jaren in talloze vondstrapporten laten zien hoe modegevoelig de kleipijp kan zijn zodat deze een scherpe mogelijkheid van dateren oplevert. In plaats van deze kwaliteit te benutten en met exacte jaartallen te werken vervlakken de auteurs deze bijzondere mogelijkheid van de kleipijp door deze in een globaal dateringsysteem te forceren. Is het gemakzucht, onkunde of gebrek aan inzicht? Door het hele boek heen worden de periodes van activiteit van de makers genoemd, steeds na vermelding van de exacte archiefdata maar daarmee ontstaat een zinloze en soms zelfs onzinnige toevoeging. Een 22-jarige pijpenmaker die in 1648 huwt is daarmee dus in het tweede kwart van de zeventiende eeuw werkzaam. In 1625 was de jongen nog niet eens geboren en misschien werkte hij wel tot 1680 of zelfs nog later. Is dat geen ongelooflijke misleiding?

Sinds mijn boek uit 1981, het boek waar Van Oostveen en Stam zo zwaar op leunen, is veel over de archeologie van de kleipijp gepubliceerd. Met de verplichting vanuit het Verdrag van Malta om archeologisch onderzoek te publiceren is het aantal vondstrapporten de laatste tien jaar sterk toegenomen. Zelf heb ik aan diverse rapporten gewerkt en alle rapportages over pijpen zijn op de website van het Pijpenkabinet openbaar gemaakt. Het is teleurstellend te moeten constateren dat dit nieuwe PKN-boek niets hiervan gebruikt. De meest recente publicatie van mijn hand die wordt geciteerd is van 2004. Een gemiste kans. Door veel nieuw werk te negeren en het oude te herkauwen is met dit nieuwe boek een laffe compilatie ontstaan, geworteld in verouderde kennis zonder de nieuwe informatie adequaat te incorporeren. Oude wijn in nieuwe zakken. Zelfs het inmiddels archaïsche taalgebruik uit Duco 1981 leeft in dit nieuwe boek voort.

Het gebrek aan consequente definiëring en heldere datering maakt dat het wetenschappelijke veld deze naschrijverei beter links kan laten liggen. In plaats van een brug te slaan tussen amateurs en professionals en de beroepswereld met kwaliteit te verrassen doen de auteurs het tegenovergestelde. Zij laten hun ondergeschikte positie zien ten opzichte van wat anderen presteerden. Zij hergroeperen en herkauwen de kennis. Daarbij laten zij de unieke positie van de kleipijp liggen, vervlakken deze en overtuigen nergens met nieuwe inzichten.

Los van de structuur en opzet van het boek zijn er nog de kleine correcties te maken. Enkele voorbeelden: trimmen (p 11, 109) moet toch echt tremmen zijn. Van der Meulen maakte deze fout in zijn publicaties herhaaldelijk en binnen de PKN vindt dat nu verder opgang. Bij de loonuitbetaling (p 12) is het betaalsysteem tegengesteld aan de werkelijkheid en is zo zelfs geen controlesysteem meer! Trouwens een betaalpenning die wordt afgebeeld (p 89, afb. 154) is zeker geen betaalpenning voor pijpenmakers. Ronduit slordig is het woord encyclopedia, dat Nederlands noch Frans is en gewoon encyclopedie moet zijn terwijl d'Alambert natuurlijk d'Alembert heet. Jammer dat de datering bij deze interessante prenten niet exact gegeven is, 18e eeuw is wel erg ruim. Had anders liever het woord Verlichting gebruikt, de stroming waaruit deze prenten voortkwamen. Een laatste voorbeeld van gebrek aan kennis: de bijzondere geglazuurde Jacobpijp van Hollandia (achterkaft) wordt aangemerkt als een Goedewaagen pijp en is daarmee doorsnee geworden.

Tot slot de stekeligheden van persoonlijke aard. In hoofdstuk 2, historiografie geheten, wordt beknopt een overzicht van de historische literatuur gegeven. Dat de rol van de PKN hierin op de voorgrond komt is begrijpelijk, maar om Duco 1981 hier niet te vermelden is een gotspe. Als dan het Pijpenkabinet, sinds 1989 een museum van nationaal belang (A-status ijkwaarde) consequent zonder hoofdletter wordt gespeld en Duco, anders dan Friederich en Brongers, geen complete voorletters krijgt, dan wordt wel sterk de indruk gewekt van een gevecht onder de gordel. Daarenboven wordt de inventie van de deductieve dateringsmethode - de Koninklijke Academie verleende hem daarvoor een wetenschappelijke prijs - afgedaan met dit systeem verder uitgewerkt in zijn handboek. Suggereert dit dat iemand anders die methode bedacht en plaatste Van Oostveen daarom een copyrightteken bij de door Duco uitgedachte presentatie van de grafiek? Wanneer zal hij dat bij de deductieve dateringsmethode doen?

Met deze publicatie positioneert de Pijpelogische Kring Nederland zich dus precies waar zij kennelijk gezien wil worden: de goedbedoelde amateur die de historie graag eenvoudig gepresenteerd krijgt, zelfs als de werkelijkheid daarmee geweld wordt aangedaan. De kloof tussen de vakwereld en de amateur wordt hiermee alleen maar bevestigd. Voor de wetenschap is het te hopen dat dit overzicht van de stand van zaken in zijn verspreiding beperkt blijft tot de primaire doelgroep, de amateur.


© Don Duco, Stichting Pijpenkabinet, Amsterdam, 2011.

Afbeeldingen

1.       De kaft van de publicatie over de Nederlandse pijp.

  1. De achterflap van de publicatie over Nederlandse kleipijpen.
  2. Van de achterflap: een fout toegeschreven pijpenkop met Jacob-afbeelding.

 

Noten

  1. D.H. Duco, De Nederlandse kleipijp, handboek voor dateren en determineren, Pijpenkabinet Leiden, 1987.
  2. D.H. Duco, The Clay Tobacco Pipe in Seventeenth Century Netherlands, in: Davey, The Archaeology of the Clay Tobacco Pipe, IV, Oxford, 1981.
  3. Als voorbeeld: Duco 1981 wordt 12 keer aangehaald, zijn andere publicaties 20 maal, in werkelijkheid is sprake van 111 rechtstreekse ontleningen ofwel slechts minder dan dertig procent werd correct geciteerd.
  4. O.a. Dr. Anne Berendsen, Antiek in Nederland, Zeist, 1962 (1964).