Tabakspijpen uit een gedempte gracht in de Bierstraat te ‘s-Gravenhage

Auteur:
Don Duco

Originele titel:
Tabakspijpen uit een gedempte gracht in de Bierstraat te 's-Gravenhage

Jaar van uitgave:
2007

Uitgever:
Stichting Pijpenkabinet

Beschrijving:
Bespreking van zeventiende eeuwse pijpen uit een slootvulling in 1994 in Den Haag gedaan.

Wanneer we historische bronnen over het tabaksgebruik napluizen blijkt dat de grotere steden als Amsterdam, Leiden en Rotterdam voorop lopen in de gewoonte van het roken. Een plaats als ‘s-Gravenhage wordt vóór 1650 niet vermeld, waardoor het misleidende idee bestaat dat het roken er aanvankelijk niet populair is geweest.[1] Betrekkelijk recente archeologische vondsten uit de Haagse binnenstad geven echter een genuanceerder beeld van het tabaksgebruik in de vroege zeventiende eeuw. Aan de Bierstraat in ‘s-Gravenhage is in 1994 in een slootvulling een concentratie pijpen gevonden die nieuw licht werpt op het marktaanbod aan pijpen en de smaak van de roker in de residentie. Het betreft de vondst van 199 pijpenkoppen en een beperkte groep stelen (64 exemplaren).

Opmerkelijk aan de vondstgroep is dat de tijdsspanne loopt vanaf het begin van het tabaksgebruik ofwel de tijd van de eerste generatie rokers uit de tijd van voor 1600 tot circa 1620.[2] Het gaat om de oervorm van de Nederlandse pijp, producten die veelal nog onbekend zijn en die we nog niet exact in de chronologie kunnen plaatsen. Het vondstmateriaal loopt met een behoorlijke intensiteit door tot in de jaren 1640. Twee andere concentraties pijpen van dezelfde locatie stammen uit het tijdvak 1680-1715 en 1780 tot na 1800. Dit rapport begint met een beschrijving van de vondsten, die tamelijk uitgebreid is aangezien nauwelijks duplicaten voorkomen. De conclusie aan het slot geeft een visie op het gevondene en plaatst de Haagse vondst in de West-Nederlandse rookcultuur.

Bespreking vondsten

1600-1620
De put aan de Bierstraat leverde in totaal 47 eerste generatie pijpen op, hetgeen bijna een kwart van het totale aantal gevonden pijpenkoppen is. De vroegste in Nederland gebruikte pijpen kenmerken zich door een ketelvorm die nog betrekkelijk onstabiel is, terwijl er ook nog geen standaardisatie in de afwerking was. Gevolg hiervan is een uiteenlopende variëteit aan modellen en afwerkingen. Bij het geven van een overzicht in het licht van de tijd hebben we als enig houvast de stand van de techniek op het moment van vervaardiging. De gedachte uit de jaren 1970 het formaat hierin te betrekken, is in het verleden al genoegzaam afgeschoten.[3] Bij bestudering van het materiaal zien we primair een verschil in het model, met name in het voorkomen van spoor (afb. 1-3) of hiel (afb. 5-8), in de onderhavige vondst respectievelijk vertegenwoordigd met 19 en 28 exemplaren.

2007-den-haag-bierstraat-F01
Afb. 1.
2007-den-haag-bierstraat-F02
Afb. 2.
2007-den-haag-bierstraat-F03
Afb. 3.
2007-den-haag-bierstraat-F04
Afb. 4.

De vroegste pijpen zijn die exemplaren die het meest primitief zijn. Het gaat om ongeglaasde producten die in een eenvoudige tweedelige persvorm zijn gedrukt. Eenmaal uit de mal verwijderd zijn de vormnaden gladgestreken en is de ketelopening met een zogenaamde botter, een ronde schijf gladgemaakt. Een radering is in de meeste gevallen rond de ketelopening aangebracht. Het lijkt er op dat bij de vroegste exemplaren de spoor het meest geliefd is geweest. Deze spoor transformeert geleidelijk in een hielvorm. Opmerkelijk bij sommige pijpen is dat de spoor langer en slanker is dan in andere Hollandse plaatsen gebruikelijk is en ook uit Engeland is dit kenmerk niet bekend. Het mooiste voorbeeld daarvan is een buitengewoon lange spoor die puntig toeloopt (vgl. afb. 1). Bij de productie moet dit kwetsbare detail behoorlijk lastig zijn geweest. Dergelijke kleipijpen met een uniek eigen kenmerk wekken de indruk lokaal te zijn vervaardigd. Ook van andere Haagse locaties is dit type bekend terwijl deze specifieke pijpen nooit buiten Den Haag aangetroffen zijn.[4] Vooralsnog is het zeer waarschijnlijk dat dit goed in ‘s-Gravenhage zelf is gemaakt, al valt bij gebrek aan archiefbronnen een werkplaats helaas niet aan te wijzen.

2007-den-haag-bierstraat-F05-1
Afb. 5a.
2007-den-haag-bierstraat-F05-2
Afb. 5b.
2007-den-haag-bierstraat-F06-1
Afb. 6a.
2007-den-haag-bierstraat-F06-2
Afb. 6b.

De gevonden pijpen uit de eerste generatie zijn op drie exemplaren na alle verschillend. Dit wijst er op dat er van aanvoer per stuk sprake is geweest waarbij de pijp steeds van een andere maker kwam of op z’n minst in een andere persvorm was gemaakt. Een gegeven daarbij is wel dat de primitieve persvormen uit de eerste periode sneller sleets werden en vaker vervangen moesten worden dan de gangbare messing persvormen uit de latere tijd. Om die reden zijn de oplages per persvorm beduidend kleiner geweest. Onder de vondsten kunnen zich heel goed verschillende modellen uit dezelfde werkplaats bevinden.

Naast de gewone, onversierde pijp zijn ook enkele exemplaren aangetroffen waaraan meer zorg is besteed. Zij zijn voorzien van een merkteken, een decoratie of beide. Een nog vroege pijp is aan de ketel en steel geglaasd en getuigt daarmee van betere kwaliteit te zijn. Op de steel zelf is een zogenaamde zwaartepuntdecoratie aangebracht, bestaande uit ruiten gevuld met een vierbladig bloemmotief (afb. 3). Hier is sprake van de oervorm van een decoratie die zo’n veertig jaar populair zal blijven. Bij een ander exemplaar is een soortgelijke versiering aangebracht maar heel opmerkelijk zijn hier de initialen PM van de maker in de ruitvorm geplaatst (afb. 4). In beide gevallen zijn de pijpen helaas niet aan een specifieke pijpenmakerij noch aan een productieplaats toe te schrijven.

Vanaf circa 1600 komt ook het merken van tabakspijpen in zwang. Deze gewoonte stimuleert de transformatie van het spoortype naar het hielmodel. Bij een nog vroege kop is de spoor naar een bescheiden hielvorm geëvolueerd en is deze voorzien van een tamelijk primitief makersmerk (afb. 5). In dit merk herkennen we een tot geometrisch patroon gestileerd roosje dat met andere geometrisch weergegeven bloemmotieven snel populair wordt.

2007-den-haag-bierstraat-F07-1
Afb. 7a.
2007-den-haag-bierstraat-F07-2
Afb. 7b.
2007-den-haag-bierstraat-F08-1
Afb. 8a.
2007-den-haag-bierstraat-F08-2
Afb. 8b.

Naast de gebotterde tabakspijp ontstaan min of meer gelijktijdig pijpen met een glad afgesneden filtrand. Doorgaans hebben zij een slanke ketel met meer hoogte waardoor hun voorkomen gedistingeerder is. Hoewel eenvoudiger en sneller te maken getuigen veel van deze pijpen van grote zorgvuldigheid in het afwerken. Zo zijn ketel en steel vaak gepolijst en wordt opnieuw met een roosmerkje de aandacht voor de kwaliteit gevraagd (afb. 6). Van dezelfde stijl en uit dezelfde periode stamt een primitief merkteken bestaande uit een radering dwars over de hiel. Vooral dit laatste teken past goed in een nog niet gevestigde traditie van het merken van kleipijpen.

Twee pijpenkoppen zijn niet erg specifiek voor deze vondstgroep. Beide exemplaren zijn vroege modellen, op de hiel voorzien van een initiaalmerk. Dergelijke merken kennen we overwegend uit de grotere centra, waar meerdere makers actief waren en een grotere behoefte bestond om zich met een merk te onderscheiden. Het eerste exemplaar (afb. 7) heeft een fijngevoelig model met een afwerking die overeenkomt met de pijpenkop met de snijfilt. Als hielmerk zijn hier de letters BS gekroond afgedrukt. Helaas is geen maker aan te wijzen al bestaat er gevoelsmatig eerder een neiging aan een Rotterdamse dan aan een Amsterdamse werkplaats te denken. De tweede pijpenkop (afb. 8) is duidelijk zwaarder van uitvoering en heeft ook een totaal andere ketellijn. Hier zijn de initialen IS op de hiel gedrukt. Maker is Jan Scheppert uit Rotterdam.

1620-1630
Het vondstmateriaal uit de eerste generatie gaat naadloos over in pijpen uit het volgende tijdvak. Rond 1620 wordt de productie van kleipijpen meer algemeen, de techniek wordt gestroomlijnder en is in de meeste werkplaatsen identiek. Gelijktijdig wordt de afwerking zorgvuldiger en komen het hielmerk en de zwaartepuntdecoratie op de steel in zwang. In feite is er van een voortgaande productie sprake, zij het dat de standaardisatie in de nijverheid verder doorzet en de pijpen onderling grotere overeenkomst gaan vertonen. Atypische maaksels verdwijnen in deze periode. Gevolg is een sterker uniform model en grote navolging in afwerking en merkteken.

2007-den-haag-bierstraat-F09
Afb. 9.
2007-den-haag-bierstraat-F10-1
Afb. 10a.
2007-den-haag-bierstraat-F10-2
Afb. 10b.

Uit die periode zijn ook in deze Haagse vondst talloze interessante varianten op de gangbare modelijn geborgen, die zich slechts in detail onderscheiden. Zij zijn het bewijs van het zoeken naar een ultieme vormgeving. Specifieke modekenmerken maken ze tijdgebonden waardoor zij na enkele jaren weer voor andere vindingen worden verruild. Het eerste voorbeeld is een pijp met een delicaat dubbelconisch model en duidelijk geprononceerde hiel (afb. 9). De afwerking is optimaal met een rondlopende filtradering en geglaasde ketel en steel. Op de hiel is een vrij primitief merk gedrukt met een ruitvormige contour waarin een soort vierbladige bloem. Vooral dit compacte merkteken wijst op een vroege datering, niet lang na 1620. Opnieuw is sprake van een merk om de kwaliteit van het product in algemene zin te suggereren, niet van een expliciete bedrijfs- of makersadvertentie. De productie van dergelijke delicate modellen vroeg vooral veel vakmanschap van de vormmaker.

Interessant is de vondst van een pijpenkop voorzien van een brede vlakke hiel, die zich tot een heus standvlak heeft ontwikkeld. Dit is een modeverschijnsel dat zich rond 1625 voordoet en slechts enkele jaren in zwang zal blijven (afb. 10-12). Het betreft een uiting die zowel in Gouda als in Rotterdam is geproduceerd. Bij het eerste exemplaar draagt de hiel het merk roos gekroond, voorzien van de initialen van de maker WF (afb. 10). De letters verwijzen naar de Goudse pijpenmaker Willem Flud (werkzaam 1625-1631), die als opvolger van de beroemde pijpenmaker Willem Barends gerechtigd was het merk de gekroonde roos te voeren.[5] Flud individualiseerde zijn merkteken met zijn initialen om zijn producten van die van de concurrent te onderscheiden.

2007-den-haag-bierstraat-F11-1
Afb. 11a.
2007-den-haag-bierstraat-F11-2
Afb. 11b.
2007-den-haag-bierstraat-F12-1
Afb. 12a.
2007-den-haag-bierstraat-F12-2
Afb. 12b.

Van pijpen met de extreem brede hiel zijn in de Bierstraat nog meer exemplaren gevonden. Een soortgelijk model maar duidelijk grover (afb. 11) draagt op de hiel een eenvoudig roosmerk. Het merkhoutje voor dit stempel was qua diameter afgestemd op het normale hielformaat en de afdruk ervan wordt op een brede hiel omlijst door een lelijke, hobbelige onversierde baan. Bovendien is de brede hiel niet volledig vlak, hetgeen het rechtop staan van de pijp niet bevordert. Met andere woorden: de maker kopieert een modekenmerk maar het raffinement en de gebruikswaarde bleven achterwege.

Van hetzelfde type met de brede hiel is de pijp met het initiaalmerk RA gekroond (afb. 12). Hier is sprake van een Rotterdams product gekenmerkt door een iets grovere uitvoering. Helaas is uit die plaats nog geen maker met die initialen bekend. Mogelijk is deze pijp een paar jaar later gemaakt dan die van Flud, maar zeker vóór 1630. De initialen zijn hier in contour geplaatst en het stempel is beduidend groter zodat het een groot deel van de hiel benut. De producten met de brede hiel verdwijnen kort na 1630 van de markt. De zware uitvoering van de ketelbasis en hiel maakt het gewicht van de pijp te groot; zij worden vervangen voor lichtere kleipijpen.

Talloze andere pijpen uit de vondstgroep vertonen de merken roos of roos gekroond (23 exemplaren ofwel ruim 45%). Zij getuigen van de enorme rage van het roosmerk dat toch voornamelijk een algemeen kwaliteitsmerk was. Een gewoonte die in feite vanaf de eerste generatie voorkomt en pas in de loop van de jaren 1630 zal afnemen om tegen 1640 te verdwijnen. Van deze roosmerken is nog een exemplaar afgebeeld waarbij de hiel een slecht uitgewerkte gekroonde roos vertoont (afb. 13). Op de linker ketelzijde is geelgetinte loodglazuur gedrupt, bewijs dat de pijpen samen met loodglazuur aardewerk ter oven gingen.

2007-den-haag-bierstraat-F13-1
Afb. 13a.
2007-den-haag-bierstraat-F13-2
Afb. 13b.
2007-den-haag-bierstraat-F14-1
Afb. 14.

Overigens dient vermeld te worden dat dergelijke rozen gewoontegetrouw werden gestempeld; er ging geen exclusieve advertentiewaarde van uit. Het bestemmen van de productieplaats of maker van dergelijke roosmerken is vrijwel onmogelijk. Verspreid over de provincie Holland waren talloze kleine zelfstandig werkende pijpenmakers die in de vorm van huisnijverheid zich op dit materiaal hebben toegelegd. Deze werkplaatsen zijn niet meer te achterhalen en wanneer dit wel het geval is ontbreekt doorgaans weer de link naar het product dat daar is gemaakt. Een mooi voorbeeld is nog een tamelijk fors uitgevallen dubbelconische pijp (afb. 14) waarvan het hielstempel en de geborduurde steel op de betere kwaliteit wijzen, maar waarbij geheel tegen de regels van de tijd in het glazen van de pijp achterwege is gelaten. Resultaat is een fors, vrij grof product met meer pretentie dan feitelijke kwaliteit.

1630-1650
Kenmerkend voor de tabakspijp uit de periode na 1630 tot het midden van de zeventiende eeuw is de toepassing van een makersmerk. De bedrijfstak is dan inmiddels voldoende ontwikkeld en de concurrentie maakte het noodzakelijk voor een maker om met een gemerkt product op de markt te verschijnen. Na de rage van de niet te individualiseren roosmerken ontstaat de behoefte tot een persoonlijk teken waarmee de pijpenmaker niet de kwaliteit in het algemeen maar zijn product in het bijzonder aan kan prijzen. Het lettermerk met RA gekroond (vgl. afb. 12) is daarvan een mooi voorbeeld. Na 1630 zien we dus beter uitgewerkte merken met een persoonsgebonden advertentiewaarde, doorgaans bestaande uit initialen ontleend aan de eigennaam van de pijpenmaker.

2007-den-haag-bierstraat-F15-1
Afb. 15a.
2007-den-haag-bierstraat-F15-2
Afb. 15b.
2007-den-haag-bierstraat-F16-1
Afb. 16a.
2007-den-haag-bierstraat-F16-2
Afb. 16b.

Een voorbeeld van zo’n initiaalmerk toont een pijp gemerkt met de letters IC met toegevoegd bloempje tussen de letters (afb. 15). Zowel afwerking als merkgravering wijzen op Goudse makelij. Een ander voorbeeld draagt op de hiel de letters TB, de initialen van Thomas Bael, werkzaam in Delft in het begin van de jaren 1630 (afb. 16).[6] Dit product getuigt van de typerende regionale stijl van dat moment: dubbelconisch, een geprononceerde hiel en een gemiddelde afwerking. In een plaats als Gouda was in die tijd al meer concurrentie en de kwaliteit van het product groeide daardoor aanzienlijk. Bovendien zijn de modelkenmerken in Gouda dan al anders.

2007-den-haag-bierstraat-F17-1
Afb. 17a.
2007-den-haag-bierstraat-F16-2
Afb. 17b.
2007-den-haag-bierstraat-F18-2
Afb. 18.
2007-den-haag-bierstraat-F19
Afb. 19.

Naast bekende merken zijn enkele onbekende merktekens teruggevonden, zoals het merk BB (afb. 17), waarvan één letter gewoon en een tweede spiegelbeeldig is weergegeven. De leesbaarheid wordt daarmee niet bevorderd, maar de symmetrische vorm is als hielmerk zeker meer afgewogen. Het ketelmodel en de afwerking wijzen op Delfts fabrikaat. Een nog onbekend merk toont de letters RF (afb. 18). Vermoedelijk gaat het hier om een lokaal product, mogelijk opnieuw uit Delft. Vooralsnog is toeschrijving niet mogelijk. Uit een wat latere tijd stamt een massievere dubbelconische ketel voorzien van het initiaalmerk TS (afb. 19). Hier is weer van een Gouds product sprake en gezien de vorm stamt deze kop uit een iets latere tijd.

Onder de vondsten aan de Bierstraat bevinden zich geen opmerkelijke of gedecoreerde pijpen. Het ultieme beperkt zich tot enkele pijpen met als zwaartepuntdecoratie een groep met lelies in ruiten. Dergelijke zogenaamde geborduurde stelen zijn indertijd toegepast bij de betere soorten, die aan de ketel en steel geglaasd werden en waarbij een hielmerk standaard voorkomt. Bij de gevonden producten (vgl. afb 14) is de ketelvorm tot krachtig dubbelconisch geëvolueerd. Het gaat om Goudse pijpen die met een hoge snelheid zijn gemaakt en van de zogenaamde fijne kwaliteit zijn. Oppervlakkig beschouwd bezitten zij wel de kenmerken van de dure waar al halen zij het feitelijke kwaliteitsniveau niet. In de periode van ontstaan is dit in feite al een ouderwets product, eerder bestemd voor de snob dan voor de roker met zelfrespect.

Na 1645 wordt het vondstmateriaal snel minder in aantal. Een enkele kop stamt nog uit het laatst van de jaren 1650 of begin 1660. De best dateerbare betreft een product uit de fabriek van Thiel Jansz. Proost (werkzaam 1636–1691) uit Gouda. Op de hiel is deze kleipijp met zijn initialen TIP gestempeld met daaraan toegevoegd twee zespuntige sterren.[7]

1650 en later
Twee concentraties pijpvondsten wijzen op materiaal uit een later tijdvak. De eerste betreft 9 pijpenkoppen uit de periode 1680-1715 met een uitloop naar 1735. Hier gaat het voor bijna de helft om grove pijpen, producten die niet geglaasd zijn of op een andere wijze afgewerkt. Twee exemplaren dragen op de zijkant van de hiel het bekende stippelroosje in reliëf dat veel eenvoudige pijpen uit die periode vertonen. De fijne pijpen zijn van basismodel 2 met een trechtervormige ketel (afb. 20). De hielmerken zijn van minder bekende en zeker niet veelgevraagde bedrijven afkomstig, het merk bril gekroond uitgezonderd.

2007-den-haag-bierstraat-F20
Afb. 20.
2007-den-haag-bierstraat-F21
Afb. 21.
2007-den-haag-bierstraat-F22
Afb. 22.

Een tweede groep pijpen stamt uit het vierde kwart van de achttiende eeuw en later. Nu zijn overwegend betere kwaliteiten vertegenwoordigd. Bij deze groep overheerst geheel volgens het patroon in die periode de ovale ketelvorm (basismodel 3) met 22 exemplaren. Getuige de buitenlijn van de ketel krijgen we de indruk niet met de maatpijp maar met kortere pijpen van doen te hebben. In dezelfde groep zijn nog enkele andere pijpen gevonden. Van twee zijmerkpijpen is er één voorzien van het merk wapen van Amsterdam (afb. 21), dat in Den Haag wonderlijk genoeg buitengewoon populair is geweest. De afwerking van de zijmerkpijpen is in de late achttiende eeuw zo ver afgezakt dat zij de uitstraling van de grove, boerenpijp hebben gekregen. Als laatste vondst is nog een schelppijp geborgen. Ook hier betreft het een product van eenvoudige kwaliteit met aan de steelzijde van de ketel een uit stippen opgebouwde kroon (afb. 22). Dergelijke producten werden overwegend in Gorinchem en in Schoonhoven gemaakt. Een losse vondst tenslotte is een bekervormige ketel op de bodem voorzien van het ingedrukte merk fruitben.

Interpretatie en nawoord
De vondst aan de Bierstraat betreft ogenschijnlijk een groep gewone kleipijpen. Het gaat om afval van rokers over een tijdsspanne van een kleine vijftig jaar aangevuld met enige latere tabakspijpen. Toch levert bestudering ervan interessante informatie op over de verkrijgbaarheid van de kleipijp en het beeld van het tabaksgebruik in ’s-Gravenhage in de eerste helft van de zeventiende eeuw. De latere vondsten zijn de dan gebruikelijke kleipijpen die geen aanleiding geven tot nadere interpretatie.

Om te beginnen wijst het materiaal uit de eerste generatie er op dat de gewoonte van het pijproken in ’s-Gravenhage op hetzelfde moment opkomt als in andere West-Nederlandse plaatsen. Qua omvang is het aantal gevonden exemplaren zelfs opmerkelijk groot, waaruit we mogen concluderen dat het pijproken in de eerste twee decennia van de zeventiende eeuw op de vondstlocatie reeds was doorgedrongen. Qua stijl stemmen de kleipijpen overeen met die uit plaatsen als Amsterdam, Gouda en Rotterdam, waar al eerder grotere concentraties vroege tabakspijpen zijn gevonden. In detail levert de Haagse vondst echter veel nieuwe informatie op. Zo was het merendeel van de eerste-generatie pijpmodellen nog niet van andere vondstlocaties bekend. Dit wijst erop dat de pijpen vermoedelijk lokaal zijn gemaakt of anders uit de zeer nabije omgeving zijn betrokken.

Dat er in de periode 1600 tot 1620 al van zich vestigende modekenmerken en reeds uitgewerkte technieken sprake was, is niet nieuw. Wel blijkt nu dat de regionale verschillen weliswaar minimaal maar zo expliciet waarneembaar zijn dat de Haagse pijpen een categorie op zich vormen en alleen oppervlakkig beschouwd een relatie met andere centra vertonen. Aangaande het model, de afwerking en het merk komen we even zoveel variatie tegen als in andere steden. Kenmerkend voor de pijpennijverheid in de periode tot 1620 is dat men kennelijk goed op de hoogte was van de gangbare stijl waaraan de kleipijp diende te voldoen en dat men deze op lokaal niveau navolgde.

Uit de vondstbespreking blijkt ook dat het zeventiende eeuwse materiaal tamelijk egaal door de tijd vertegenwoordigd is. Uit alle decennia zijn kleipijpen aangetroffen, al wisselt de intensiteit. Dat blijkt wanneer we de gemiddelde datering van ieder object in de tijd uitzetten, hetgeen tot het volgende staatje leidt.

         1600-1610       21 exemplaren

         1610-1620       13 exemplaren

         1620-1630       20 exemplaren

         1630-1640       41 exemplaren

         1640-1650       18 exemplaren

Hoewel de bovenstaande cijfers aangeven dat er in de vijf opeenvolgende decennia een duidelijk verschil in aantal is, moeten we hieraan niet te veel waarde hechten. De uitschieters in het eerst en vierde decennium worden vermoedelijk eerder veroorzaakt door een incorrecte periodisering van de kleipijp op zich dan dat zij een wijziging in het verbruikspatroon aangeven. Wellicht is het meer gewenst de dateringen van de hoofdtypen aan een correctie te onderwerpen dan naar een verklaring in de schommelingen van het gevondene te zoeken. Het roken als gewoonte lijkt qua intensiteit niet erg sterk te hebben gewisseld, alhoewel het verbruik van pijpen na 1630 wel wat groter wordt. Voor een gezaghebbende statistische conclusie is het aantal pijpen overigens te gering.

Zoals onduidelijkheid over een exacte datering bestaat, zo blijkt bij het determineren van de vondsten het helaas ook niet mogelijk om de initiaalmerken op de pijpen aan namen van pijpenmakers te koppelen. Opnieuw bewijst zich dat de link met de archiefgegevens nog onvoldoende is, zeker waar het lokaal werkende pijpenmakers betreft. Het is de vraag of dit euvel ooit zal worden opgelost al is het zeker dat in de archieven nog veel informatie sluimert.

De vondsten van de Bierstraat laten overigens wel een specifiek patroon zien ten aanzien van de keuze van de pijp en het marktaanbod. Tot 1650 is de Hollandse pijpennijverheid nog sterk regionaal georiënteerd. Er is nog geen sprake van massaproductie, het gaat vooral om een huisnijverheid waarvan de techniek grote overeenkomst vertoont, doch de invulling per bedrijf in detail verschilt. Dat geeft als resultaat de reeds gemelde verscheidenheid aan modellen en afwerkingen die bij bestudering toeschrijving aan een productieplaats of zelfs een maker mogelijk maken. De vondsten aan de Bierstraat bevestigen dit kleinschalige en regionale karakter van de nijverheid doch dit is sterker dan bij pijpvondsten van andere locaties.

Bij de meeste vondstcomplexen in West-Nederland overheersen per periode één of enkele typen. Ongeacht of het om een stad of een dorp gaat, aan het aanbod ter plekke ligt altijd een reguliere aanvoer ten grondslag, los van het feit of dit bepaald wordt door een lokale maker of door handelaren of fabriekanten van elders. Uiteraard wisselt de samenhang van het rookgerei door de tijd. Op de Bierstraat valt dit distributiepatroon niet te herkennen. De teruggevonden pijpen vertonen geen bewijzen van een regulier aanbod ter plekke, want dan zou het materiaal immers een grotere eenheid moeten vertonen. Hier zijn overwegend eenlingen gevonden, waardoor de gedachte opkomt dat het materiaal eerder ter plekke is gekomen via de roker dan via de tussenhandel of detaillist.

Het is niet eenvoudig de keuze van de tabakspijpen in de Bierstraat te plaatsen. In kwalitatief opzicht blijven de pijpen onder het gemiddelde en wijzen ook op een milieu waar smaak en status van ondergeschikt belang waren. Overigens wortelt dat gegeven lang niet altijd in de bestedingsmogelijkheden van de roker maar overwegend in diens smaakvorming. In de eerste helft van de zeventiende eeuw kenmerkt het handelspatroon zich door twee stromen. Tot circa 1630 worden de pijpen overwegend regionaal gemaakt en is het kwaliteitsverschil nog niet zo groot. De Bierstraat vondst is daarvan een representatief voorbeeld. Daarna wordt het Goudse product een toenemende concurrent op de markt, althans wat betreft de kwaliteitspijp. Tussen 1630 en 1650 groeit de productie van Goudse pijpen aanzienlijk om geleidelijk de Hollandse markt te gaan overheersen. De reden om de kwaliteitspijp uit Gouda aan te voeren en lokaal de eenvoudige producten te maken is economisch van aard. De prijs van de aangevoerde waar wordt met de transportkosten verhoogd doch drukt bij luxe pijpen percentueel minder sterk op de eindprijs. De lokale makers richten zich op het overblijvende marktsegment: de eenvoudige pijp in de laagste prijscategorie.

Zoals opgemerkt is het marktaanbod op de Bierstraat niet kenmerkend. Men importeerde niet de beste soorten en evenmin het massagoed doch veeleer was er belangstelling voor de mindere kwaliteiten uit de kleinere werkplaatsen. Niet het aller goedkoopste dat er grof uitzag, maar weinig beter met een lichte zweem van kwaliteit. De toeleveranciers waren steeds de kleine bedrijven waarover we nog weinig weten en van wie vooral geen handelsbetrekkingen bekend zijn.

Dankzij de determinatie aan de hand van de lokale kenmerken kunnen we de import uit de verschillende centra scheiden. Voor de Bierstraat vond de aanvoer uit drie centra plaats: Gouda, Delft en Rotterdam. Delft overheerst louter omdat deze plaats betrekkelijk dichtbij is gelegen. Rotterdam is minder voor de hand liggend, al werd vanuit die stad ook de tabak aangevoerd. Beide handeltjes werden in de eerste periode dikwijls door dezelfde personen gedreven. Gouda lag handelstechnisch gezien toch een beetje in een uithoek doch veroverde zich geleidelijk een marktpositie. Zeker wanneer na 1630 hun kwaliteit toonaangevend wordt. Merkwaardig genoeg is geen materiaal uit Leiden en andere meer noordelijk gelegen plaatsen aangetroffen.

Wat betreft de gebruiksintensiteit valt weinig opmerkelijks te constateren. Doorgaans komt bij het vroegere materiaal een iets intensiever gebruik voor. Dit is begrijpelijk want het voorwerp pijp is in de eerste periode nog een betrekkelijk schaars artikel waarmee voorzichtig werd omgesprongen. Geleidelijk wordt de kleipijp meer algemeen waardoor concurrentie en massale vervaardiging de prijs omlaag dringen. Bij het Bierstraat materiaal sluit dit zuinigheidspatroon tot 1620 aan bij dat van andere vondstlocaties. Na 1620 start een meer consumptief gebruik van kleipijpen en zeker vanaf 1630 gaat men nonchalanter met de pijp om. De gemiddelde rooksporen nemen dan af. Bij de Bierstraat pijpen gaat dit gegeven niet op, doch nu is daar expliciet sprake van grotere zuinigheid. Interessant genoeg stemt dat patroon met de kwaliteitskeuze van de pijpen overeen.

Concluderend kan worden opgemerkt dat de groep pijpen uit de Bierstraat een beeld geeft van het rookgedrag en de keuze aan tabakspijpen op een Haagse locatie over een periode van bijna vijftig jaar. Opvallend is de grote variatie die wijst op individuele rokers die vermoedelijk ieder hun eigen pijp op een specifiek adres aanschaften. Het materiaal getuigt niet van samenhang in de vorm van een vaste aanbieder of van standaard leveringen, zodat we mogen vaststellen dat er geen sprake was van gestroomlijnde aanvoerkanalen. Vanwege de diversiteit wijzen de vondsten vooral op huisraad van bewoners uit de directe omgeving samen met een incidentele pijp van een passant die verstopt raakte of brak en in de plomp is gegooid. De groep bevat geen uitzonderlijke stukken die getuigen van een zucht naar status of prestige. De schaarse producten van iets betere kwaliteit blijven ruimschoots onder het gemiddelde. De eenvoud van bijvoorbeeld de geborduurde stelen is daarvoor exemplarisch.

Alhoewel het vroege materiaal in de regio moet zijn geproduceerd zijn er geen bewijzen over het bestaan van een lokale nijverheid. Wel is het vermoeden ontstaan dat in Den Haag al zeer vroeg pijpen zijn gemaakt. Een lokale huisnijverheid die maar een beperkt aantal jaren heeft bestaan laat zich vrijwel niet bewijzen. Het moment waarop zo’n werkplaats stopt is vaak de aanvoer van pijpen tegen een concurrerende prijs. Het lokale bedrijf verdwijnt en de sporen worden definitief uitgewist.

 

© Don Duco, Stichting Pijpenkabinet, Amsterdam, 2007.

 

Afbeeldingen

  1. Tabakspijp uit de eerste generatie met extreem lange spoor. ’s-Gravenhage?, 1600-1615
  2. Tabakspijp uit de eerste generatie met gebruikelijke spoor. West-Nederland, 1600-1615
  3. Tabakspijp uit de eerste generatie met spoor, de steel voorzien van een groep gestempelde ruiten met geometrische vulling. West-Nederland, 1600-1615
  4. Steel van een tabakspijp met stempeling van ruiten ieder gevuld met de initialen PM. Randstad, PM-maker, 1600-1615
  5. Tabakspijp met kleine hiel voorzien van een merk met gestileerd geometrisch roosmotief. West-Nederland, 1600-1615
  6. Tabakspijp met hoge slanke ketel met snijfilt, geglaasd. Hielmerk rozetvorm. West-Nederland, 1605-1615
  7. Tabakspijp met ovaalvormige dubbelconische ketel, geprononceerde hiel en rechte steel. Ketel en steel geglaasd. Hielmerk BS gekroond. West-Nederland, 1605-1615
  8. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Ketel en steel geglaasd. Hielmerk IS. Rotterdam, Jan Scheppert, 1610-1620
  9. Tabakspijp met dubbelconische ketel met geprononceerde hiel. Ketel en steel geglaasd. Hielmerk ruit met ingesnoerde zijden gevuld met een soort kruisbloem, West-Nederland, 1615-1625
  10. Tabakspijp met dubbelconisch model met grote vlakke hiel, hielmerk roos gekroond met initialen WF. Gouda, Willem Flud, 1625-1628
  11. Tabakspijp met dubbelconische ketel met grote vlakke hiel, hielmerk roos. Rotterdam, 1625-1628
  12. Tabakspijp met dubbelconische ketel met grote vlakke hiel, hielmerk RA gekroond in contour. Rotterdam, 1625-1632
  13. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Hielmerk roos gekroond. Ketel links vlek geelgetint loodglazuur. Gouda?, 1625-1635
  14. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Hielmerk roos gekroond. Steel zwaartepuntdecoratie lelie in ruit. Gouda, 1635-1645
  15. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Zorgvuldig afgewerkt en geglaasd. Hielmerk IC met plantje. Gouda, 1630-1635
  16. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Slordig geglaasd. Hielmerk TB. Delft, Thomas Bael, 1630-1635
  17. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Matig geglaasd. Hielmerk BB, de linker letter spiegelbeeldig. Delft, 1630-1640
  18. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Geglaasd. Hielmerk RF. Randstad, 1630-1640
  19. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Geglaasd. Hielmerk TS. Gouda, Thomas Schipper?, 1635-1645
  20. Tabakspijp met trechtervormige ketel (basismodel 2), hiel en rechte steel met zwaartepunt raderingen afgezoomd met parelfilet. Hielmerk N gekroond. Gouda, Nanne Pietersz., 1705-1715
  21. Tabakspijp met trechtervormige ketel en spoor. Ketel links in reliëf wapen van Amsterdam. Spoor links bijmerk Gouds wapenschild met letter S. Gouda, Antonie van IJzendoorn/Abraham Passet, 1760-1790
  22. Tabakspijp met gedrongen ovaalvormige ketel, ronde onderzijde zonder hiel en rechte steel. Ketelbasis in reliëf afgeplatte knorren, steelzijde ketel gestileerde kroon opgebouwd uit stippen. Randstand, 1760-1780

 

Noten

[1]       D.H. Duco, De kleipijp in de zeventiende eeuwse Nederlanden, Oxford, 1981, p 199.

[2]       D.H. Duco, De Nederlandse kleipijp, handboek voor dateren en determineren, Leiden, 1987, p 28-31.

[3]       D.H. Duco, ‘Kleipijpen, van datering naar vondstinterpretatie’, Westerheem, 1999.
           ‘Kleipijpen uit de eerste-generatie, mogelijkheden en onmogelijkheden bij het determineren’, Westerheem, 2004.

[4]       Don Duco, Een groep eerste-generatiepijpen uit Den Haag, Amsterdam, 2006.

[5]       D.H. Duco, Merken en merkenrecht van de pijpenmakers in Gouda, Amsterdam, 2003, p 13-14.

[6]       D.H. Duco, Biografische gegevens van pijpenmakers in Nederland, Amsterdam, 1976 e.v. Gegevens Thomas Bael.

[7]       Duco, (Merken), Amsterdam, 2003, p 180, nr. 815.