Boekbespreking: Martiaux, Pipes en terre de Saint-Omer, 2025
Auteur:
Don Duco
Jaar van uitgave:
2025
Uitgever:
Amsterdam Pipe Museum
Beschrijving:
Een analyse van het boek dat de pijpen van Duméril en Fiolet als origineel nijverheidartikel presenteert.
Het Portalproject[1] van het Amsterdam Pipe Museum behelsde ook het fotograferen van enkele verborgen pijpencollecties buiten Nederland. Musée Sandelin, het stedelijk museum van Saint-Omer in Noord-Frankrijk, was daarvan de eerste. Daar is namelijk sinds 1909 een unieke pijpencollectie ondergebracht: de fabriekscollectie van Duméril & Leurs.[2] Bijna tweeduizend kleipijpen zijn in een decoratief patroon aangebracht op panelen die ooit voor een nationale of internationale tentoonstelling zijn gebruikt. Met het fotograferen van de nooit getoonde depotcollectie in het jaar 2022 hebben wij dit unieke bezit wereldkundig gemaakt. Sindsdien is het mogelijk de pijpen op afstand te bekijken en zo de gemelde fabriek beter te leren kennen èn begrijpen.
Vóór ons museum enige studie naar deze pijpen kon doen kwamen we in contact met Olivier Martiaux, een lokale liefhebber die dit onderwerp ook nauw aan het hart ligt. Door enkele pijpvondsten in zijn tuin is hij zich gaan verdiepen in de pijpenmakers van de streek rond Saint-Omer. Met het nu verschenen boek wil hij deze lokale bedrijfstak breder bekend maken. Thema is de pijpennijverheid in de stad Saint-Omer, of ruim genomen de departementen Pas-de-Calais en Nord. De publicatie is een soft-cover editie op A-4 formaat met 147 bedrukte pagina’s. Dat het om een boek voor het plezier gaat, met nadruk op het picturale element blijkt al uit het voorwoord. Het werk roert geen grote vraagstukken aan, daarentegen bevat het zelfs een quiz om pijpen met dieruitbeeldingen te determineren. Het is eerder een nederige presentatie van een volkskunstig object zoals de auteur zelf stelt.
Voordat Martiaux de pijpen behandelt geven enkele zeer beknopte inleidende hoofdstukken een beeld van zowel de origine en het gebruik van de tabak, als de techniek van het maken van kleipijpen. De geschiedenis van het tabaksgebruik wordt geschreven met een typische Franse invalshoek. In een flits worden de Maya’s genoemd (p. 9), die dat gebruik al 8000 jaar voor Christus kenden! Ook de Scythen en Pompeï haalt de auteur aan (p. 19), een gevolg van de Franse gewoonte om in archeologische rapporten te schrijven over de Pipe Gallo-Romaine waarin nog tot aan het eind van de afgelopen eeuw geloofd werd. Buiten Frankrijk weet men beter: de Romeinen hebben niet gerookt.
Bij het bespreken van de techniek wordt geen rekening gehouden met de grote verschillen tussen de fabrieken in Nederland, België en Frankrijk. De Goudse pijpenoven heeft bijvoorbeeld nooit meer dan één enkele verdieping gekend. Aangezien een Belgische publicatie een pottenbakkersoven met drie etages toont, meent de auteur dat dit overal het geval is geweest. Dergelijke aspecten bewijzen dat de Fransen nog altijd sterk geneigd zijn vanuit hun eigen land en taal te denken, kennis wordt vaker herhaald dan geverifieerd. Interessant is wel de vermelding van de naam van de vormmaker bij Fiolet (p. 36), maar enige uitwerking van zijn rol als graveur-ciseleur wordt helaas niet gegeven.
In de anatomie van de pijp (p. 20) worden de hoofdmodellen van de onversierde kleipijp afgebeeld voorzien van hun specifiek Franse naam. De ordinaire en langere guinguette naast de twee croches en de cajotte. Tot slot de Anglaise met een spoor. In dat stuk wordt de Hollandse - lees Goudse - pijp als een licht gebogen pijp gepresenteerd hetgeen absoluut onjuist is (p. 25). De lange Goudse pijp is van origine niet gebogen, zij is hoogstens in haar nadagen gebogen geworden. Over dat onderwerp verscheen overigens een uitgebreid artikel dat de auteur blijkbaar niet heeft geconsulteerd.[3]
De gegevens over de lokale pijpenproductie in de Audomarois, de regio rond Saint-Omer (p 74-75), blijken vrijwel letterlijk overgenomen van Jéan-Léo die het allereerste boek over de Franse kleipijp reeds in 1971 uitbracht.[4] In dit opzicht is dus geen nieuwe informatie te vinden, behoudens door Martiaux verricht onderzoek naar de fabriek van Billiet in Fruges (p. 70). Ooit een omvangrijk bedrijf met tweehonderd werklieden; in het onderhavige boek worden alleen zes houterige schetsen van figurale pijpen afgebeeld plus een ansichtkaart waarop het bedrijfspand in de verte te zien is (p. 71).
De tweede helft van het boek (p. 76 e.v.) bevat een bloemlezing van voorstellingen in de figurale kleipijp, per thema besproken. Hier komt ook de Jacob-pijp ter sprake (p. 61-63) waarvan de inhoud opnieuw terug voert op sterk verouderde kennis. Sinds 2010 weten we dat er niet twaalf maar meer dan honderd smaken hebben bestaan![5] Nog steeds geeft ook de duiding van de Jacobpijp wat tweespalt (p. 63) al kiest Martiaux uiteindelijk voor de Bijbelse patriarch. Tussen de talloze portretten van Napoleon III vinden we een misplaatste portretpijp van een andere, nog onbekende persoon (p. 83).
Al lezende blijkt auteur Martiaux geen roker en dat is jammer want het pijproken wordt volledig verkeerd begrepen en raakt daarmee buiten de waarheid. Als voorbeeld: Duméril vervaardigde een aantal unieke pijpenkoppen met wonderlijke, bijna mystieke portretten met lange baarden (p. 29, 59). Door de auteur wordt de verlengde onderzijde gezien als handvat om te voorkomen dat je je handen aan de pijpenkop zou branden. In werkelijkheid gaat het om een esthetische verlenging van de ketel waarin ruimte om het overtollig vocht kwijt te raken. Ook elders in het boek wordt aan hinderlijke hitte gerefereerd (p. 63), maar iedere toegewijde roker weet dat pijproken een smaakbeleving is waar hete rook verre van blijft. Het gaat om de kunst van het rustig genieten, van je mond branden kan geen sprake zijn (p. 29). Vanwege het zachte baksel boden de pijpen van Duméril een gegarandeerd koel rookgenot, sterker dan bij de concurrenten maar dat gegeven blijft buiten beeld.
Hamvraag is natuurlijk: wat is nieuw aan dit boek? Wie de literatuur kent weet dat het thema kleipijp in het licht van de concurrerende families Duméril en Fiolet al door Georges Coolen is geïntroduceerd. Deze onderzoeker schreef twee degelijke artikelen over de Sintomaarse pijpennijverheid, respectievelijk in 1970 en 1971.[6] Daarna is het onderwerp door Véronique Deloffre in 1991 opnieuw behandeld. Zij stelde een rond verhaal samen dat door Musée Sandelin als een mooi verzorgd boekwerkje werd uitgegeven. Anno 2025 wordt de kennis opnieuw gepresenteerd. Sterker gezegd, het onderzoek wordt niet opgepakt en vervolgd maar eerder herkauwd. Dat geldt voor de inhoud ofwel de basiskennis, maar ook voor de illustraties.
Deloffre beperkte haar keuze aan afbeeldingen tot 56 verschillende gedecoreerde pijpen, tussen de twee en drie procent van het fabrieksassortiment van Duméril. Deze representeren de karakteristieken van het product van Duméril in de meest eigen stijl. Martiaux maakt nu een groter boek waarin hij ruim160 pijpen afbeeldt met sterker verschillende ontwerpkenmerken, zowel van Duméril als Fiolet, aangevuld met enkele kleinere bedrijven. Frappant daarbij is dat zijn keuze wel heel sterk overeenstemt met Deloffre. Van de 56 afbeeldingen van Deloffre neemt Martiaux bijna de helft over in zijn boek.. Dat is bevreemdend want de variatie aan voorstellingen is zo immens, dat je gemakkelijk totaal andere ontwerpen illustratief kunt stellen voor een bepaalde soort of stroming. Jammer is ook het respectloos afsnijden van de steeleinden van de afgebeelde pijpen waardoor het ontwerp uit balans raakt. Overigens krijgen ook andere aspecten uit Deloffre in het nieuwe boek onevenredig veel aandacht.
Als vakman wil je graag dat een nieuwe publicaties fouten uit het verleden niet repeteert. Dat is hier helaas niet gelukt. Nog wat voorbeelden: Willem Barends wordt als eerste Goudse pijpenmaker opgevoerd (p. 19) terwijl inmiddels bewezen is dat de Goudse nijverheid bijna een generatie eerder begon. Uit meer recentere tijd wordt Roustan als voorgestelde in een pijp genoemd en afgebeeld (p. 31-32). Ook dat gegeven werd al jaren geleden in een artikel in nieuw perspectief behandeld.[7] Hoewel veel van dit soort kleine onzuiverheden met een paar simpele muisklikken binnen ieders bereik op het wereldwijde web liggen, blijkt daarvan toch geen gebruik te worden gemaakt. Dan zijn er de foutjes uit onzorgvuldigheid, zoals dobbelstenen voor wat dominostenen zijn (p. 24) of Wigender in plaats van Wingender (p. 61), overigens geen Nederlands bedrijf maar Belgisch. De neger met rugmand (p. 109) is niet door Duméril, maar door Fiolet gemaakt en vertoont ook alle kenmerken van die laatste fabriek. Tenslotte is het wat kort door de bocht om het schilderij van Paul Cézanne met als titel Les joueurs des cartes in het hoofdstuk Estaminet ofwel rokerskroeg, zonder kunstenaarsnaam af te beelden (p. 127). Dit beroemde kunstwerk figureert nota bene in verschillende Franse rokersboeken.[8]
Bij het bestuderen van de literatuurlijst blijkt dat de auteur zich tot Franse publicaties beperkt heeft (p. 141-142). Dat gegeven zien we vaker bij Frans onderzoekswerk, maar zou vandaag de dag niet meer voor mogen komen. Met Google vertalen hoeft een vreemde taal nauwelijks nog een probleem te zijn, zou je denken. In de bronnen ontbreekt vooral mijn publicatie Century of Change, ruim twintig jaar geleden geschreven om ordening in de negentiende eeuwse fabrieksassortimenten te krijgen en de rangorde tussen de verschillend bedrijven te duiden.[9] In die publicatie staan de Franse fabrieken in hoog aanzien en worden om hun artisticiteit geprezen. Die artisticiteit komt in het nieuwe boek zeker te beperkt naar voren.
Conclusie
Wanneer we de aandacht voor de kleipijp willen vasthouden, moet het onderwerp meer diepgang krijgen waarvoor de potentie zeker aanwezig is, al is daarvoor aanvullend (archief-) onderzoek wel een noodzaak. Niet steeds maar herhalen van de reeds gepubliceerde informatie met vaak dubieuze beweringen, maar nieuw onderzoek verrichten om de lezer in spé vernieuwende inzichten te geven.
Helaas is ook voor deze meest recente publicatie weer geen archiefonderzoek gedaan, een gemiste kans voor een Fransman die in de streek zelf woont. Want wat zouden we nu zo graag willen weten? Het economisch functioneren van deze bedrijfstak blijft vooralsnog een raadsel. Hoe konden zowel Duméril als Fiolet in korte tijd de investeringen doen om tot zo’n grote bloei te komen en dat zelfs tegelijkertijd als concurrent? In nog geen vijftig jaar wisten deze pijpenfabrieken een geweldig assortiment aan pijpen tot stand te brengen, zowel qua omvang als ontwerpverdienste. Wie waren de klanten voor deze fantasievolle creaties, die toch in massa geproduceerd zijn? Hopelijk vormt zich door onderzoek automatisch een chronologie in het product en zo kan zelfs een doelgroep in beeld komen. Uiteindelijk is de essentie van de fabriek het maatschappelijke functioneren in zijn tijd, niet louter de verwondering achteraf over de grappige vormgeving.
Tenslotte getuigt de uitvoering van het nieuwe boek het werk van een bevlogen amateur die geen enkele professionele bijsturing heeft gevraagd. De typografie is niet bescheiden. Het onderstrepen van titels of deze laten volgen door een dubbele punt - of sterker nog beide - is inconsequent; een redacteur had wonderen kunnen verrichten. Ook het advies van een ervaren drukker wordt node gemist. Na het lezen valt de magere kwaliteit van het drukwerk op: het kaft krult, de rug recht zich niet meer en het papier golft. Na een uurtje hanteren blijft het boek wat vervormd en verfrommeld op de leestafel achter, zonder de warme gloed van een bijzondere nijverheidstak te hebben achtergelaten.
Noten
[1] Internet portal waarin diverse museale pijpencollecties van overal ter wereld worden verenigd in één doorzoekbare database, zie www.pipeportal.eu, 2022.
[2] Véronique Deloffre, Pipes et Pipiers de Saint-Omer, Saint-Omer, 1991, p 19. Schenking uit 1909 door Madame Veuve Emile Duméril.
[3] Don Duco, Via glazed tips en bouts lacqués naar de 275, Amsterdam, 2022, www.pipemuseum.nl.
[4] Jéan-Léo, Les Pipes en Terre Françaises, du 17me siècle à nos jours, Bruxelles, Le Grenier du Collectionneur, 1971.
[5] Don Duco, De Jacobpijp, een eeuw lang de populairste, Amsterdam, 2010, www.pipemuseum.nl.
[6] Georges Coolen, “Le tabac et les pipes de Saint-Omer”, Bulletin Trimestriel de la Société Academique des Antiquaires de la Morinie, XXI, Nr. 405, decèmbre 1970. Idem, “Les Duméril à Saint-Omer”, Bulletin Trimestriel de la Société Academique des Antiquaires de la Morinie, XXI, Nr. 408, septèmbre 1971, p. 494-497.
[7] Don Duco, De rage rond Abd-El-Kader, Amsterdam, 2011, www.pipemuseum.nl.
[8] Encyclopédie du tabac, Paris, Editions du Temps, 1975, p. 462.
[9] Don Duco, Century of Change, the European clay pipe, its final flourish and ultimate fall, Amsterdam, Stichting Pijpenkabinet, 2004.
Afbeeldingen
- Kaft publicatie van Olivier Martiaux, 2025.
Amsterdam Pipe Museum bibliotheek - Koppel met voetstuk voorstellende een man met beker en vrouw met bloem. Saint-Omer, Firme E. Duméril, H. Leurs et Cie,
Amsterdam Pipe Museum APM 250, APM 21.539 - Portretpijp borstbeeld van Napoleon Bonaparte. Saint-Omer, Firme E. Duméril, H. Leurs et Cie, 1850-1865.
Amsterdam Pipe Museum APM 21.473 - Steelpijp in wervelende stijl met Adam en Eva tijdens de zondeval. Saint-Omer, Firme E. Duméril, H. Leurs et Cie, 1850-1880.
Amsterdam Pipe Museum APM 30.782