Rouen as an example of the regional French pipe industry

Auteur:
Don Duco

Original Title:
Rouen als voorbeeld van de regionale Franse pijpennijverheid

Année de publication:
1982

Éditeur:
Pijpenkabinet

Magazine:
Pijpelijntjes

Description :
History of the local pipe industry in Rouen in the seventeenth century, including a list of pipe makers.

Hoewel het verzamelen van pijpen in Frankrijk reeds lang een geliefde hobby is, blijft het onderzoek op dit vlak achter. De oorzaak ligt in het verschil in aanpak tussen de Engelse en Nederlandse verzamelaar en de Franse. In Nederland en Engeland kreeg men vanuit de archeologie belangstelling voor dit onderwerp, terwijl in Frankrijk de pijpen voornamelijk als kunstnijverheidsprodukt verzameld worden. Veel Franse pijpenverzamelingen bevatten een keur aan fraaie figurale pijpen uit de negentiende eeuw, maar het archeologische materiaal krijgt er nauwelijks aandacht. Archeologisch gezien valt er echter nog een interessant stuk onderzoek op het gebied der pijpen te verrichten. De toonaangevende positie van de Franse bedrijven in de negentiende eeuw heeft een lange voorgeschiedenis, want eertijds kenden ook de Franse steden hun regionale pijpmakerijen, waar op kleine schaal geproduceerd werd. In verschillende Franse museumkollekties worden enige produkten uit deze pijpmakerijen bewaard, maar een zorgvuldige bestudering van deze pijpen in combinatie met archiefmateriaal komt niet voor.

In dit artikel wil ik de vroegste historie van de pijpennijverheid in Reuen schetsen, bijeengelezen uit verschillende summiere publicaties hierover. Het zal de lezer opvallen, dat dit stuk zeventiende eeuwse geschiedenis opmerkelijk veel overeenkomst vertoont met de historie in veel Nederlandse steden. Helaas is eveneens opvallend, dat exacte geschiedkundige gegevens ontbreken.

Rouen als grote stad gelegen aan de druk bevaren Seinerivier kenmerkt zich in de zeventiende eeuw door een grote activiteit ondermeer op het gebied van de nijverheid en de handel. Daarnaast had de stad een gastvrij karakter, waardoor we er vreemdelingen vinden, door wier aanwezigheid nieuwe gewoontes hun intrede doen. Onder deze lieden bevinden zich ook Engelsen, die het tabaksgebruik in Rouen bekend gemaakt hebben. Over het tijdstip van de introductie van het roken in Rouen zijn geen exacte gegevens bekend. Hoewel het algemeen aangenomen wordt, dat men in België en Frankrijk via het noorden kennis maakte met het tabaksgebruik, gaat dit voor Rouen dus niet op. Evenals in ons land waren het dus de Engelsen, die de rookgewoonte rechtstreeks vanuit hun vaderland introduceerden.

In 1633 blijkt er reeds een pijpennijverheid gevestigd te zijn. In dat jaar bestaat er in de wijk Saint-Sever een fabriek voor pijpen, opgericht door ene Jacques Véron. Een straat in deze buurt heet nu nog La Pie-aux-Anglais, een verbastering van naar men zegt La Pipe aux Anglais. Van deze Véron zijn twee leerlingcontracten bekend. In het eerste wordt gesproken van een Engels koopman en pijpmaker, die zich verbindt om gedurende een periode van 6 jaar het vak van het pijpmaken te leren aan Jacques Petit, een vijftienjarige weesjongen, die uitbesteed wordt door een timmerman met dezelfde naam. De akte vermeldt dat zijn baas hem moet onderhouden en verzorgen, hem moet voeden en huisvesten, zowel bij gezondheid als bij ziekte. Aan het einde van zijn leer- en werktijd ontvangt de knaap een compleet nieuw pak, een half dozijn overhemden en 20 Louis aan geld.

In hetzelfde jaar 1633 besteedt ene Nicolas Méry aan voornoemde pijpmaker Jacques Véron zijn 23 jaar oude zoon uit. Ook dit contract loopt over een periode van 6 jaar. De eerste 5 jaar is hij leerling, daarna volleert knecht. Tijdens zijn leertijd ontvangt hij een jaarlijkse vergoeding van 10 pond en in het laatste jaar een salaris van 30 pond. Beide akten leveren het bewijs dat de leerjongen na zijn leertijd nog als knecht bij dezelfde baas werkzaam bleef.

De pijpennijverheid in Rouen groeit voorspoedig en wordt al snel van regionaal belang. Het aantal werkplaatsen neemt toe, niet alleen in de wijk Saint-Sever, maar ook op de heuvel van Beauvoisine en in het nog landelijke stuk genaamd Bihorel. De pijpmakers betrekken hun klei uit Saint-Aubin en Bellebeuf (Belboef), twee vindplaatsen ten noorden van Rouen. In beide gebieden ligt de klei in groeven van 13 tot 14 meter diepte, waar zij in dagbouw gewonnen wordt. Voor het einde van de jaren veertig van de zeventiende eeuw wordt de nijverheid op grote schaal uitgeoefend. Schattingen van het aantal makers in Rouen lopen op tot maarliefst 400 personen!

pijpelijntjes-rouen-pijpmodellen
Een drietal pijpekoppen uit  werkplaatsen in Rouen. (naar Jean-Léo, 1971)

Het is niet eenvoudig aan de hand van het geringe aantal modellen een richtlijn te geven voor het type pijp, dat in die periode in Rouen in produktie was. Algemeen ziet men er de dubbelconische kop, die veel weg heeft van de modellen uit Amsterdam. Hun variëteit loopt van gedrongen knopvormig tot een meer slank dubbelconisch model. De hiel is onopvallend en het stempelvlak ervan ligt soms in het verlengde van de steel, maar kan ook zwaarder en sterk uitstekend zijn. De afwerking van de pijpen is goed en vergelijkbaar met de West-Nederlandse produkten, inclusief de radering. Ook geglaasde pijpen komen voor.

Een drietal versierde pijpen uit werkplaatsen in Rouen beeld ik hierbij af. Twee exemplaren hebben een reliëfband rondom de ketel, versierd met een "v"-vormig motief. Dit type komt betrekkelijk vaak uit de bodem van Rouen te voorschijn. Eén pijp is hiervan bekend, met op de steel ingedrukte hartjes. De derde afbeelding vertoont opmerkelijk veel overeenkomst met onze bekende barokpijpjes. Vanuit een knoop rond de steel ontspringen twee rijen van vier bladeren, waarvan de tweede serie rondom de basis van de ketel is geplaatst. Het betreft hier een imitatie van een Nederlands produkt, aangezien de vorm beduidend minder strak en afgewogen is vergeleken bij barokkopjes uit onze streken. De drie pijpen bevinden zich in het stedelijk museum te Rouen.

pijpelijntjes-rouen-merken
Enkele pijpenmerken uit bedrijven in Rouen. (naar Jean-Léo, 1971)

Makersmerken zijn in Rouen algemeen gebruikt vanaf de vroegste periode. Zo is van de reeds genoemde Jacques Véron een merk bekend, bestaande uit een gekroond hart voorzien van zijn initialen. Lettermerken komen het meest voor, vaak voorzien van een bijfiguur als een ster, maan, lelie en dikwijls met een kroon erboven. Van het merk het rad of het wiel wordt beweerd, dat dit door de pijpmakers te Rouen gezet werd als eerbetoon aan de heilige Catharina, patrones van het pijpmakersgilde.

Ook steelversieringen komen geregeld op produkten uit werkplaatsen te Rouen voor. Spiraalmotieven, granaatappeltjes, ruiten en doornen zijn de meest voorkomende en er wordt beweerd dat deze decoraties geïnspireerd zijn op de zuilen van kasteel Blois. Aan deze negentiende eeuwse vergelijking hechten wij tegenwoordig nog maar weinig waarde. Een opmerkelijke versierde pijpekop toont het wapen van Rouen.

Door de toegenomen welvaart in de pijpmakerijen ontstaat er spoedig rivaliteit tussen de makers onderling. Zo verkreeg in 1659 ene Pierre de Montfalcon op bedrieglijke wijze van Lodewijk XIV het alleenrecht voor de fabricage van pijpen. Dankzij het protest van de plaatselijke pijpmakers, kon de toekenning van dit privilege ongedaan worden gemaakt. Een dertigtal jaren later, in 1693, probeerde Jean Cottereau het alleenrecht voor een periode van 20 jaar te verkrijgen. Ook hij had weinig succes hiermee, want een verzoekschrift ondertekend door 29 bazen en knechten zorgde ervoor, dat zijn aanvraag geen doorgang vond. Cottereau moest naar Engeland vluchten, maar keerde spoedig terug naar Rouen waar hij in 1695 werd aangehouden en gearresteerd.

Geduchte concurrentie ondervonden de pijpmakers in Rouen van de Nederlanders en waarschijnlijk wel vooral die uit Gouda. Vanaf 1699 worden er door de Fransen rechten geheven op de invoer van pijpen van maarliefst 5 pond per gros. Dit protectionisme bleef tot in de negentiende eeuw gehandhaafd en heeft de Franse nijverheid zeer gestimuleerd ten koste van de Nederlandse pijpmakers.

Pijpmakers in Rouen

AA ADVIOT, Adrien- (1693-1694) zelfstandig bedrijf
JA ALINE, Jean- (1693-1694) knecht
NA ANCEL, Nicolas- (1693-1694) knecht
EB BARAY, Elie- (1693-1694) knecht
PB BANCE, Paul- (1693-1694) knecht
TB BOUILLET, Thomas- (1693-1694) knecht
AC CONDOR, Ambroise- (1693-1694) knecht
FC CHOULANT, François- (1693-1694) knecht
FC COLBERT, François- (1693-1694) zelfstandig bedrijf
JC COTTEREAU, Jean- (1693)-1695 monopolie verzoek
JC COURCHAY, Jacques- (1693-1694) zelfstandig bedrijf
JC COURCHAY, Jean- (1693-1694) zelfstandig bedrijf
JC CRENECHER, Jean- le helft zeventiende eeuw  
F FABULLET (1693-1694) zelfstandig bedrijf
TG GAYE, Thomas- le helft zeventiende eeuw  
TG GODEFFROY, Thomas- (1693-1694) zelfstandig bedrijf
JH HAUGUAY, Jean- (1693-1694) knecht
LH HUBERT, Louis- (1693-1694) zelfstandig bedrijf
JJ JONQUAY, Jacques- (1693-1694) knecht
AL LEREBOURS, Adrien- (1693-1694) zelfstandig bedrijf
CL LEREBOURS, Claude- (1693-1694) zelfstandig bedrijf
GL LEROY, Guillaume- (1693-1694) zelfstandig bedrijf
JL LETAILLEUR, Jacques-  (1693-1694) knecht
LL LANGLOIS, Louis- (1693-1694) knecht
LL LEREBOURS, Louis- (1693-1694) zelfstandig bedrijf
LL LERIBAUD, Louis­ (1693-1694) knecht
NL LAURENCE, Nicolas­ (1693-1694) knecht
CM MICAULT, Claude- (1693-1694) zelfstandig bedrijf
PM MERCIER, Pierre- (Lemercier) (1693-1694) knecht
PM MONTFALCON, Pierre de- 1659 monopolie toegekend
FO ORSELLE, Françoise- (1690-1700) weduwe van Louis Leroy
EP PICARO, Elie- (1693-1694) knecht
JP PETIT, Jacques- 1633 leerling bij Vèron
MP PARAY, Michel- (1693-1694) knecht
JV VERON, Jacques- 1633 zelfstandig bedrijf

 

© Don Duco, Pijpenkabinet Leiden, 1982.

 

Literatuur

Bulletin de la Commission des Antiquités, V-257 (1880).

L. de Vesly: “Industries Rouennaises Pipe et Pipiers”, Notes Archéologiques, Rouen, 1917, p. 21-26.

Jean-Léo: Les pipes en terre françaises, Bruxelles, 1971, p. 12, 13 en 29.