Amsterdam Pipe Museum
$('#mast1').cycle({
			delay: 2000,
			speed: 2000
		});
$('#mast4').cycle({
			delay: 0,
			speed: 4000
		});
$('#mast7').cycle({
			delay: 0,
			speed: 4000
		});
$('#mast10').cycle({
			delay: 0,
			speed: 4000
		});
home > object van de maand

Object van de maand

Een stam met eigen tabakspijpen
oktober 2017

In Zuidoost Soedan in het boven-Nijlgebied leven de Dinka, een bevolkingsgroep bekend als de langste mensen ter wereld. De houten tabakspijpen die zij gebruiken zijn pas in de twintigste eeuw ontstaan. Zij zijn geïnspireerd op rookgerei van de Britse missionarissen die met de kolonisering verschenen. De pijpen zijn licht van gewicht en draagbaar, begrijpelijke eisen voor een nomadenvolk. Karakteristiek is verder het voorkomen van een hielvorm onder de pijpenkop. Dat wijst erop dat de vervaardiging reeds aan het begin van de twintigste eeuw moet zijn gestart, aangezien de hiel aan de pijp tijdens de Eerste Wereldoorlog verdwijnt. Interessant is hoe de Dinka het pijpmodel naar eigen smaak hebben aangepast en verfraaid met geometrisch abstracties. De Dinka combineren hardhout met messing, soms is ook schelp ingelegd. Voor die metalen opsmuk worden aanvankelijk Europese patroonhulzen gebruikt. Om de steel zien we banden messing, maar ook om de hiel en rond de ketel. De combinatie van het kenmerkende hardhout met deze plaatmetalen opsmuk werd in de tweede helft van de twintigste eeuw een lokale rage. De metaalglans contrasteert prachtig met het donkere hout en zo werden de pijpen een sierraad voor iedere roker.

Collectienummer APM 22.347


Zorgvuldig gerepareerde tabakspijp
september 2017

Deze meerschuim tabakspijp heeft het model van de populaire pijpen uit de Duitse plaats Ulm, bekend onder de naam Ulmer Kloben. Kenmerk is een cilindervormige pijpenkop omgeven door een rand of rug die van de voorzijde van de ketel doorloopt tot aan de onderzijde van de steel bij de manchet. Al in de achttiende eeuw bedacht is dit model tot aan het eind van de negentiende eeuw populair gebleven. Dergelijke houtmodellen zijn ook in andere materialen nagebootst. Hier zien we zo'n voorbeeld in meerschuim. De zilverkeur in de dekselring verraadt het jaar van ontstaan van deze pijp: 1840. In die periode was de bloei van de Ulmer pijp net voorbij maar de productie ging nog onverminderd door. Eigenaar van deze pijp was Friedrich von Pelser Berensberg die de pijp als 25-jarige kreeg en tot zijn dood behield. Na zijn sterven in 1883 knapten de erven de pijp op. Toen werd een zilveren band om de ketel aangebracht met gravering van het familiewapen en een inscriptie, dat gebeurde dus ruim veertig jaar na de vervaardiging van deze pijp. De zilveren band diende primair om een barst in de ketel te camoufleren maar ook om er een gelegenheidsstuk van te maken. Gelijktijdig werd ook een nieuw roer inclusief een vers borgkoordje toegevoegd. Wie de tweede generatie roker was weten we niet, zijn zoon, een kleinzoon of ander familielid? Het familiewapen wijst er in ieder geval wel op dat de pijp in de familie in gebruik bleef. Curieus aan dit object is dus het gegeven dat de pijp aan een twee generatie werd doorgegeven en dat dit in zilver werd vastgelegd.

Collectienummer APM 22.326


Eeuwenlang ongeopend
augustus 2017

De term brieftabak heeft betrekking op een specifieke verpakking die de vorm heeft van een gesloten enveloppe. Brieftabak werd vermoedelijk al in de zeventiende eeuw geïntroduceerd en bleef tot in de negentiende eeuw in omloop. Zo'n gezegelde enveloppe bevatte een kleine hoeveelheid tabak voor slechts één enkele tabakspijp. Dat het om exclusieve tabak gaat mag duidelijk zijn, alleen al gezien het grote stuk papier vergeleken bij de geringe inhoud. De luxe wordt ook onderstreept door het aantrekkelijk vormgegeven vignet aan de voorzijde. Centraal zien we als merk het spiegelmonogram van de leverancier met een ingenieuze kalligrafie van bijna koninklijke orde. Het cijfer 10 refereert aan de hoogste kwaliteit. De Duitse herkomst blijkt uit het opschrift dat laat weten dat deze kwaliteit in stad en land beproefd en gewaardeerd is. De lijst die het opschrift omgeeft past krap op het papier maar is krachtig vormgegeven. Vooral toepasselijk zijn de beide rokers in de onderhoeken met een prachtig gedetailleerde acanthus onderlangs. De motieven op de bovenhelft zijn minder sprekend. De duidelijke rococo ornamentiek wijst op een datering rond 1750. Aan de achterzijde is deze verpakking gesloten met een drupje zegellak waarop de fabrikant zijn stempel drukte, opnieuw met een spiegelmonogram. Een beter bewijs van echtheid is er niet. Dat een object als dit ongeopend eeuwenlang overleefde mag een wonder worden genoemd.

Collectienummer APM 25.402


Een pijpenkas met bijzonder opschrift
juli 2017

In eerste oogopslag lijkt dit geen bijzondere pijpenkas. Met zijn houten kern opgesmukt met messing decoraties is deze inwisselbaar voor de talloze kassen die in de achttiende eeuw bijna industriematig gemaakt zijn. Toch vallen twee zaken op. De eerste is de geringe lengte ervan. In totaal meet de kas 21 centimeter waardoor een standaard kleipijp er niet in past. Blijkbaar was deze kas bestemd voor iemand die liever pijpen met kortere stelen rookte. Daarnaast is aan deze kas vooral het opschrift interessant want de gravering op de rand langs de klep draagt een aan de tabak gewijd opschrift. Vrij vertaald luidt dit: "Tabak komt uit verre landen, laten we het in een pijp verbranden, zo roken we als een held, maar wie niet rookt is niet in tel". Anders dan ons tegenwoordige anti-rook gevoel sluit dit rijmpje aan bij de grote populariteit van het roken in de achttiende eeuw. Het gegraveerde jaartal 1783 laat aan de datering geen twijfel. Dat jaartal sluit aan bij de periode waarin dergelijke kassen algemeen in omloop waren. De goede conditie van dit object bewijst dat deze kas eerder een vitrinestukje is geweest dan een dagelijks gebruiksvoorwerp. Alleen bij goede sier werd deze in de broekzak gedragen om elders een pijpje te kunnen opsteken. Dat is zo te zien met dit voorwerp niet heel vaak gebeurd.

Collectienummer APM 22.312


Merkwaardige pijp van de Aborigines
juni 2017

Weinig is er bekend over de rookgewoonten van de oorspronkelijke bevolking van Australië, aangeduid met Aborigines. Wanneer het roken daar geïntroduceerd werd en hoe hun pijpen er uit zagen, zijn nog onbeantwoorde vragen. Het hier afgebeelde exemplaar is zo'n zeldzaam voorbeeld van een lokale tabakspijp. De pijp is in gemengde materialen gemaakt met een plantenstengel als steel. De ketel is uit een patroonhuls vervaardigd, het vernauwde stuk vormt de ketelbasis, de pijpenkop zelf is perfect cilindrisch. Messing is als materiaal voor een pijpenketel geschikt omdat doorbranden onmogelijk is, anderzijds wordt de ketel wel snel heet en dat staat koele rook in de weg. De pijpensteel is opgeschilderd in rood, geel en zwart in een aantrekkelijk ritme van concentrische kleurbanden. De dominante donkerrode kleur verwijst naar de streek van Cape York Peninsula op Queensland. Het bijzondere silhouet en het opmerkelijke palet sluiten aan bij het kleurgevoel van de locale bevolking daar. Dat deze pijp qua vorm ook een grote overeenkomst vertoont met de Chinese opiumpijp of de varianten daarvan uit de Indonesische archipel moet op louter toeval berusten.

Collectienummer APM 22.289


Art nouveau in porselein
mei 2017

Deze porseleinen portretpijp stelt een elegant vrouwenhoofd voor met een bijzonder kapsel dat met volume heel charmant het hoofd omsluit. Een haarband met juweel op het voorhoofd loopt rond de ketelopening. De steel is overlangs gecanneleerd. De pijp is van gietklei gemaakt volgens het holwandige principe, tussen de binnenketel en de buitenvorm bevindt zich een ruimte waar de rook circuleert en vocht en teerstoffen kan achterlaten. De porositeit van de ketelwand in deze ruimte stimuleert die functie. Dergelijke ontwerpen waren vanaf de laatste jaren van de negentiende eeuw populair, vooral in Parian ware, de zachte poreuze biscuitporselein gekenmerkt door een mat voorkomen. Dit exemplaar is echter van wat latere datum en van gewoon porselein gemaakt. De witte scherf werd vervolgens ingewassen met kobaltblauw en daarna voorzien van een transparante glazuur. Qua modellering lijkt deze pijp van wat later datum, uit de jaren na de Eerste Wereldoorlog. Je zou verwachten dat van een dergelijk betrekkelijk recent stuk de maker bekend is, maar helaas, dat is niet zo.

Collectienummer APM 22.275


Prijsbeker voor een tijdroker
april 2017

Voor de ware liefhebber betekent het roken van een pijp rust, ontspanning en tijd voor contemplatie. Toch bestaat daarnaast al generaties lang het fenomeen wedstrijdroken, wat in feite diametraal tegenover het rustroken staat. Met vier gram tabak in de ketel is het de bedoeling zo lang mogelijk vuur in de pijp te houden. Bij officiële wedstrijden controleren vuurwaarnemers zelfs of de pijp nog brandt. Diegene die zijn pijp het langst aan houdt, is winnaar. Het wedstrijdelement van dergelijke bijeenkomsten wordt onderstreept door de prijzenbekers voor de beste rokers. Vaak voorzien van een gegraveerde inscriptie van plaats en datum van het evenement, zoals deze van het Drents kampioenschap in 1984. Deze beker is het materiële bewijs dat roken in wedstrijdverband een serieus en geaccepteerd fenomeen is. Dit voorbeeld is er één uit de volle prijzenkast van een roker die er zeker een dozijn gewonnen heeft. Omwille van de traditie van het wedstrijdroken mogen dat soort memorabilia in de collectie van een pijpenmuseum niet ontbreken, hoe lelijk ze ook zijn. Onze boodschap over het pijproken blijft daarentegen, dat het om genieten gaat, het geen competitie element hoort te hebben en zeker geen verslaving mag zijn. En wat het object zelf betreft: prijsbekers kenmerken zich niet door schoonheid en vakmanschap zoals bij de oude Grieken. In de wereld van sport en andere competities gaat het om gedrukte metalen bekers op eenvoudige houten voet. Hun blikkerige voorkomen dient om de overwinning levend te houden, maar enige intrinsieke waarde heeft dit spul niet.

Collectienummer APM 3.207d


Sigarenhouder van kunstdraaiwerk
maart 2017

Vanaf het midden van de negentiende eeuw is de sigaar ongemeen populair. Dat resulteerde in een geweldige stroom aan nieuwe pijpontwerpen om het stompje sigaar op te roken. Meerschuim wordt het favoriete materiaal, niet in de laatste plaats vanwege de hoge absorptie en het aantrekkelijke kleuren tijdens het gebruik. Alternatieve producten blijven in de minderheid. Zij kunnen niet met de positieve eigenschappen van meerschuim concurreren. Deze sigarenpijp hoort tot die categorie alternatieve producten. Het gaat om een tamelijk onverwacht voorbeeld, zowel qua materiaal als vormgeving. Voor deze pijp zijn geen natuurlijke grondstoffen gebruikt zoals in de negentiende eeuw gebruikelijk was, maar kunststof. Dat wijst bovendien op een recentere datering. Qua vorm is deze sigarenhouder uitgewerkt als een Duitse zogenaamde Gesteckpfeife, met een hoge ketel die bijna evenwijdig loopt aan de lange opgaande steel. Het geheel is uit losse onderdelen samengesteld die met schroeftappen tot een pijp worden opgebouwd. Hoofdmateriaal is een prachtige glanzende zwarte kunststof die op twee plaatsen afgewisseld wordt met dezelfde soort kunststof in lichtbruine tint. Als contrast is ivoor gebruikt, die de samenstelling van de pijp uit meerdere onderdelen extra benadrukt. Met ivoor is ook de versiering op de pijp uitgewerkt. Alles wijst erop dat het een serieproduct betreft. Eerder gaat het om een stukje kunstdraaiwerk gemaakt als proefstuk van een amateur-handwerksman of een voorwerp gemaakt op een kunstnijverheidsopleiding. Het construeren van een pijp uit zoveel onderdelen is tijdrovend en dus commercieel niet verantwoord. Bovendien gaat het eerder om een curiositeit dan om een praktisch gebruiksvoorwerp. Enige minpuntje van dit product is de ongelijke plaatsing van de stippen bovenaan op de steel die wijzen op een moment van onachtzaamheid tijdens het edele handwerk.

Collectienummer APM 22.224


Hurkende vrouw in nachtpon
februari 2017

Deze markante houten tabakspijp stelt een vrouw voor, gehurkt weergegeven terwijl zij haar behoefte doet. De pijp is indringend gesneden en vertoont een licht erotische tint met een grote discrepantie tussen de grove vrouw met haar tanige trekken en haar volle borsten met vette spenen die boven een zorgeloos nachthemd bungelen. Opvallende details zijn de muts en de klompen die een lokale volkse dracht veronderstellen. Om tot een volsculptuur te komen, is het hoofd van de voorgestelde heel vernuftig het deksel van de pijpenkop geworden. Al met al heeft deze pijp een bizarre uitstraling gekregen die eerder modern dan historisch aandoet. Technisch gezien sluit het product aan bij de houten pijpen uit de Duitstalige gebieden. Omdat zacht hout werd gebruikt, moest dat tegen inbranden beschermd worden. Het was daarom gangbaar de binnenzijde van de pijpenkop met plaatmetaal te bekleden. Omdat dat metaal condensatie bevorderde, werd vaak een vochtsluis in de ketelbodem gemaakt om het overtollige nicotinesap kwijt te raken. Dat is bij deze pijp op heel markante wijze gebeurd. De stop sluit aan bij de figurale uitbeelding en maakt de voorstelling nog banaler. De kakkende vrouw produceert niet een gewone drol maar poept heel ironisch een halve kip of een ander dier uit. Dit bizarre kenmerk is ongetwijfeld ontleend aan een Midden-Europees volksverhaal of sprookje waarin scatologie parten speelt. Helaas hebben we de ware geschiedenis achter deze merkwaardige voorstelling nog niet kunnen achterhalen, maar dat de uitbeelding ironisch bedoeld is, moet wel het geval zijn.

Collectienummer APM 22.222


Tabakspot van Tichelaar
januari 2017

De liefde voor pronkzucht had de Fries een eeuw geleden nog niet losgelaten. Daarvan getuigt deze magnifieke tabakspot uitgevoerd in Delfts palet, maar gemaakt in Friesland. Deze historiserende pot is afkomstig uit de fabriek van Tichelaar in Makkum, een plateelfabriek reeds in 1699 gesticht. De tabakspot kwam tot stand in een periode dat het ambachtelijke werk naar voorbeelden uit voorbije tijden bij een groeiende groep herenboeren en steedse middenstanders populair werd. Tichelaar hield om die reden het oude ambacht in ere met schilder Jacobus ten Zweege junior als een van de meest getalenteerde arbeiders. Zweege leverde rond 1900 het meest verfijnde plateelschilderwerk. De pot, een getrouwe kopie van een zilveren Lodewijk XIV-pot, is overgedecoreerd met op de vlakke velden landelijke scènes van een hofstede, een herder, jagers en schaapjes in het veld. De ruimtes ertussen zijn met prachtig ornamentwerk opgevuld. Het fijne schilderwerk is eerder Delfts dan Fries van traditie maar het makersmerk met TT-monogram op de bodem van deze pot verraadt onmiskenbaar de herkomst. Ook dit merk is niet kenmerkend Fries, maar is geïnspireerd op het fabrieksmerk van de beroemde Meissen Porzellanwerken. Het is een wonderlijke en onverwachte merknavolging die voor de Friese consument nauwelijks enig belang had. Na de Eerste Wereldoorlog blijft dit model tabakspot bij Tichelaar nog in productie maar het schilderwerk wordt al snel grover terwijl ook kleur in de voorstelling wordt toegevoegd. Het Amsterdam Pipe Museum is enthousiast over deze pot omdat deze qua vorm en schilderwerk het hoogtepunt van het Friese historisme vertegenwoordigt.

Collectienummer APM 22.212


Massim tabakspijp
december 2016

Langs de rivier Sepik in Papoea-Nieuw-Guinea woont een volk dat wordt aangeduid als Massim. Zij zijn van oorsprong koppensnellers en kannibalen, maar tegenwoordig zijn die wrede gewoontes verdwenen. Nu staan zij vooral bekend als houtsnijders, waarvan de grootste voorwerpen als schilden, voorouderbeelden en maskers in het mannenhuis bewaard worden. Uiteraard beïnvloeden deze grote kunstwerken ook de kleinkunst. Daarvan is deze tabakspijp een mooi voorbeeld. Met zijn trechtervormige ketel en verlenging aan de onderzijde is deze qua vorm herkenbaar voor de Massim. Het silhouet heeft een zuivere dolkvorm, waarvan het onderste deel de vorm van het lemmet vertoont. Dit platte gedeelte is aan weerszijden voorzien van geometrisch snijwerk in banen waarbij rijen s-motieven afgewisseld worden met spiralen. De pijpenkop of ketel zelf is meestal onversierd gelaten zoals ook hier het geval is. De scheiding van ketel en steel is gemarkeerd met een bescheiden, vierkantige manchet waarin een kort, uitgehold takje als roer wordt gestoken. Subtiel is dat op deze hoogte aan de andere zijde een gestileerd dierenkopje is uitgesneden, waarvan het oog met een witte glaskraal wordt geaccentueerd. Na het snijwerk wordt de pijp geïmpregneerd, soms ook gekleurd met een rode kleurstof. Tijdens het gebruik verliest het voorwerp geleidelijk zijn kleur en wordt donkerder totdat deze na jarenlang roken bruinzwart is geworden. In die toestand raakte deze pijp in onbruik totdat deze als verzamelaarsobject werd verkocht. Pas een generatie later werd dit object als exoot aan onze collectie toegevoegd.

Collectienummer APM 22.206


Onverwachte Poolse freehand
november 2016

De tabakspijp van bruyère is ook in de eenentwintigste eeuw nog een artikel dat pijpenmakers een uitdaging biedt. Dat wordt ondermeer bewezen door dit ontwerp van de Poolse maker Zbigniew Bednarczyk, om precies te zijn uit de plaats Przemysl. Uitgaande van een traditioneel type tabakspijp schiep hij een nieuw product gekenmerkt door onverwachte geometrische vormen. Dat resultaat kreeg hij door bij een dikwandige tabakspijp inzwenkingen te maken waardoor een totaal nieuw silhouet ontstond dat de pijp vanuit iedere gezichtshoek weer anders maakt. Om een spannend contrast tussen tige en steel te krijgen werd een lichtgetint stukje drijfhout toegevoegd als fixatiepunt tussen de donkerrood gebeitste pijp en het zwarte acryl mondstuk. Op de tige draagt de pijp het merk ZIBI, zoals de pijpenmaker dat voert met als toevoeging freehand om de stijl van de pijp te duiden. Zbigniew was duidelijk trots op zijn schepping. Voordat de pijp verkocht werd zijn verschillende foto's ervan in Poolse bladen voor pijprokers geplaatst. Dat de pijp uiteindelijk in een Nederlandse collectie terecht kwam, had natuurlijk vooral met de prijsstelling te maken. Voor de Poolse pijproker was deze bijzondere schepping veel te duur.

Collectienummer APM 22.200


Tabaksdoos van zwartlak met goud
oktober 2016

Oosters lakwerk was in de zeventiende en achttiende eeuw zeer in de mode. Glanzende voorwerpen voorzien van meerdere lagen lak waren typische statussymbolen voor de rijken, die hun omgeving wilden imponeren. Niet verwonderlijk dat dit uit de Oost aangevoerde luxe goed in Europa werd nagemaakt. Deze tabaksdoos is daarvan een prachtig voorbeeld. De doos heeft de vorm van een traditionele zilveren of koperen doos, maar materiaal en afwerking zijn totaal anders. Het materiaal is eikenhout, bijna zo dun gesneden als het metalen voorbeeld, inclusief het gebombeerde deksel dat de doos perfect en bijna luchtdicht afsluit. Nadat de doos met veel vakmanschap was gesneden, werd deze afgewerkt met een zwarte verf die sterk lijkt op de Japanse lak. Belangrijk verschil is echter de kwaliteit van de lak die in Japan uit vele laagjes was opgebouwd. De Europese variant is dunner geschilderd en verdoezelt nauwelijks de nerfstructuur van het onderliggende hout. Op deze zwarte verf is vervolgens een decoratie in goud aangebracht. Zelfs de binnenzijde van het deksel werd daarbij van een voorstelling voorzien. Die gouddecoratie vertoont kenmerken van de rococostijl, waardoor we de doos in het derde kwart van de achttiende eeuw kunnen dateren. Een raadsel is nog waar dit artikel gemaakt is. Zeker is dat het om een nijverheid gaat, want ook andere houten voorwerpen zijn op soortgelijke wijze versierd. Het aantrekkelijke glanzende oppervlak met de speelse gouddecoratie verdoezelt overigens de buitengewoon knappe werkwijze van de houtbewerker om zo'n dun en lichtgewicht voorwerp te snijden.

Collectienummer APM 22.181


Post-koloniale voorstelling
september 2016

Bij de volkeren van de Graslanden van Kameroen is de tabakspijp een belangrijk statusartikel. In die streek kiest de roker met zorg zijn rookinstrument dat in overeenstemming met het aanzien van de persoon moet zijn. Maar bij de Graslanders gaat de cultuur van de tabakspijp nog verder. Pottenbakkers inspireren zich tot het maken van pronkpijpen, niet direct bedoeld om te roken maar eerder een geschenkartikel voor gewaardeerde personen. Zo'n pijp is hierbij afgebeeld. De voorstelling laat drie naast elkaar staande Europese koloniale strijdkrachten zien, de armen om elkaars schouders geslagen. Dat Europese soldaten worden afgebeeld, is niet verwonderlijk. Kameroen was vanaf het jaar 1901 bezet gebied, aanvankelijk door de Duitsers, vanaf de Eerste Wereldoorlog door de Fransen en Engelsen. Deze soldaten waren vaak onderwerp in gefigureerde geboetseerde keramiek of bronsgietwerk. Jammer natuurlijk dat we aan de uniformen niet kunnen zien wat voor militairen uitgebeeld zijn. Voor dat aspect hadden de lokale pottenbakkers geen oog. Tot slot moet nog vermeld worden dat meerkoppige pijpen in Kameroen voor tweelingen en drielingen bestemd waren. Ook dan gaat het om functionele pijpen. Hier is dat eveneens het geval want aan de achterzijde leiden de rookkanalen naar één manchet, waarbij zelfs het traditionele lekgat aan de basis van de steel is aangebracht. Het is bijna ondenkbaar dat het om een eenmalig stuk gaat, want de pijp is zo knap geconstrueerd. Een tweede exemplaar van deze merkwaardige pronkpijp is echter tot op de dag van vandaag nog niet bekend.

Collectienummer APM 22.157


Een metrostel als tabakspijp
augustus 2016

Voor de stad Parijs was 29 juli 1900 een bijzondere dag. Toen reed de eerste metrolijn ondergronds, door de Parijzenaars aangeduid met Métropolitain. Deze curieuze tabakspijp in de vorm van een treinwagon is gemaakt ter gelegenheid van de feestelijke opening van deze metro. Nog geheel in de lijn van de favoriete negentiende eeuwse figuurpijpen heeft de pijpenkop het model van een treinstel gekregen, inclusief draaiende wieltjes die met messing kopspijkertjes zijn vastgezet. Toch kopieerde de ontwerper niet de realiteit van dat moment maar nam de vrijheid de wagon als een negentiende eeuws tramstel uit te beelden, inclusief een open voor- en achterbalkon. Die oplossing zal ook in het begin van de ondergrondse niet tot de mogelijkheden hebben behoord. Het opschrift met gouden letters langs de bovenzijde memoreert met "METROPOLITAIN PARIS 1900" de gedenkwaardige opening. De montage met een kort bamboe roer met een buffelhoornen beet als versteviging geeft de pijp een strak eigentijds voorkomen. Hoewel van een souvenirachtig karakter, zal de pijp gewoon uit een gevestigde pijpenfabriek zijn gekomen. Daarvan getuigt de strakke professionele vormgeving en de gesoigneerde afwerking. De plaats Saint-Claude is de meest waarschijnlijke productieplaats maar een andere herkomst behoort ook tot de mogelijkheden.

Collectienummer APM 22.152


Reclame voor Peterson's
juli 2016

Artikelen om productreclame te maken zijn vaak getuigenissen van de tijd waarin zij ontstonden. Dat bewijst ook dit pijpenstandaardje. Het is gemaakt van twee kleuren nylon dat in stroken samen gelijmd is tot een steuntje. Het voorwerp stamt uit de jaren rond 1960 toen minimalisme de trend was: transparant, super eenvoudig van constructie, de modernste materialen en optimaal functioneel. Behalve dat dit standaardje steun gaf aan het te verkopen artikel, adverteerde het ook de merknaam op de cirkelvorm die deel uitmaakt van het ontwerp. Daar lezen we het woord Peterson's en het belang van de Ierse pijpenfabriek wordt onderstreept door ook het distributiekantoor in Londen te vermelden. Hoewel met dit standaardje een prachtige aansluiting met de tijd werd gevonden, vormt het een sterk contrast met de traditionele uitstraling van de Peterson's pijpen van dat moment. Sinds het eind van de negentiende eeuw hadden de tabakspijpen van deze firma geen enkele verandering ondergaan zodat zij met hun traditionele voorkomen ouderwets leken bij deze moderne display. Traditioneel en modern kwamen dus op een onverwachte wijze samen en de fabrikant maakte die keuze bewust. Aardig is het te bedenken dat het standaardje na enkele jaren weer voor een nieuwer werd vervangen, maar de uitstraling van de Peterson's pijp veranderde tot op de dag van vandaag niet.

Collectienummer APM 22.114


Rokersreiscassette
juni 2016

De verwende mens draagt zijn bagage niet in een knapzak, maar zoekt naar vormen van luxe die overzicht en praktisch gebruik bieden. Dat dergelijke oplossingen niet geheel vrij zijn van snobisme bewijst deze rokersreiscassette. Met de vorm van een twintigste eeuwse beautycase kon de toegewijde negentiende eeuwse roker zijn vrienden imponeren. Dat spel begon al met het uiterlijk van de cassette. De van een lichtgetinte houtsoort gemaakt buitenzijde heeft als verassing trompe l'oeuil riemen met gespen die soepel juchtleer suggereren, maar natuurgetrouw uit het hout zijn gesneden. Ook de houten handvatten aan de zijkanten lijken van leer te zijn. Na opening met een sleutel is de binnenzijde al even verrassend. Op een blad bovenin zien we een mozaïek van vier pijpen omgeven door kokers voor sigaren en tabak en twee asbakjes. Typisch een koffer voor iemand die niet kan of wil kiezen tussen het roken van sigaren of pijp. De balans lijkt hier overigens ten gunste van de sigaar te worden beslist. Wanneer we het binnenblad uit de koffer nemen verschijnt een zogenaamde sigarenkelder, indertijd cave à cigares genoemd, met aan de voorrand een vierkante houten tabakspot. In die tabakspot is met potlood de datum geschreven en die vermeldt vrij onverwacht het jaar 1874, minstens een kwart eeuw vroeger dan we van het uiterlijk verwachten. De koffer is gemaakt voor de Antwerpse architect Otto Geerling, zijn monogram komt op de deksel voor, evenals op de kokers in de kist zelf. Adembenemend is overigens het vakmanschap waarmee dit voorwerp is gemaakt. Voor een architect, gespind op vorm en verhouding, moet deze koffer een lust voor het oog zijn geweest. Niet alleen om de perfecte verhoudingen, de vernuftige indeling maar ook om het grote vakmanschap waarin deze gemaakt is. Leuk om te weten is dat volgens overlevering de tsjiboek langs de voorrand gerookt is toen Vincent van Gogh de familie Geerling in 1878 bezocht. Dat gegeven voegt de persoonlijke noot aan dit luxe object toe.

Collectienummer APM 22.111


Volkskunst uit Friesland
mei 2016

Niets is meer aandoenlijk dan huisvlijt, voorwerpen van noeste arbeid tot stand gekomen tijdens de avonduren. Deze tabakspijp is daarvan een mooi voorbeeld. Zij is gesneden door een nijvere Fries naar voorbeeld van een luxe houten pijp van Duitse herkomst. Dergelijke zogenaamde Gesteckpfeifen zijn opgebouwd uit in elkaar stekende onderdelen van verschillende materialen. Dat is hier ook het geval, al gaat het om slechts één houtsoort. Onze pijp heeft een cilindrische, zogenaamde Hongaarse ketel met een opgaande steel. Alles aan dit voorwerp maakt deze tabakspijp volkskunstig. De overversierde pijpenkop laat in licht reliëf de symbolen van het leven op het boerenland zien: de veeschaar, landbouwwerktuigen en bovenal de hard werkende boerin met juk. Deze elementen zijn rondom de ketel aangebracht en sluiten als een mozaïek aaneen, zonder ook maar een millimeter van het oppervlak onversierd te laten. Aandoenlijk is het reliëf op het deksel: de boer zelf liggend naast een trouwe hond of is het zijn lievelingskoe? Een staaltje van heus vakmanschap is de gesneden ketting met aaneengeregen houten schakels uit één stuk hout. Dat dat niet geheel lukte wordt bewezen door de laatste schakel van messing waarmee de ketting aan de steel is bevestigd. Heel praktisch kan het houten kwastje tevens als pijpenstopper dienst doen. Dat het maken van deze pijp, voorzien van een metalen binnenketel om doorbranden te voorkomen, de maker de nodige hoofdbrekens opleverde, bewijst ook het scharnierend dekseltje. Dat kan alleen worden geopend wanneer eerst de steel van de pijp wordt genomen. Niet echt praktisch dus. Al met al gaat het om een sympathiek stukje snijwerk dat gezien de geringe gebruikssporen vooral voor de pronk diende.

Collectienummer APM 22.106


Traditionele Zweedse tabakspijp
april 2016

Veel landen of streken kenmerken zich door het gebruik van een specifieke soort pijp, karakteristiek in vorm of materiaal. De Goudse pijp is het beste voorbeeld voor de Nederlandse rookcultuur, de Stummel voor de Beierse. Uit Zweden is ook zo'n kenmerkende lokale pijp bekend, afkomstig uit Jämtland in midden Zweden tegen de grens van Noorwegen. Het gaat om eenvoudige tabakspijpen, Jämtpipor genoemd naar de streek van vervaardiging. Als grondstof wordt plaatmetaal gebruikt, dat met behulp van een malletje in drie stukjes wordt geknipt. Deze drie stukjes worden vervolgens gesoldeerd tot een steel en een pijpenkop compleet met scharnierend dekseltje. Vervolgens worden de pijpen afgewerkt door het metaal te polijsten. De stelen maakt men van rendierbot en hebben een mondstuk met knopen. Vaak is de benen steel dikker dan het metaal van de steel en dat geeft de pijpen een wat primitief, plomp voorkomen. Het ketelformaat is doorgaans kleiner dan een vingerhoed. Het pijpmodel is overigens afgekeken van de uit Engeland geïmporteerde kleipijp met een kromkop ketel, zoals die in de achttiende en vooral negentiende eeuw in omloop waren. De metalen tegenhanger wordt de populaire pijp voor de werkende stand, zowel mannen als vrouwen. De mannen roken uit een pijp met een dekseltje, terwijl de vrouwen dat juist niet verkiezen. De Jämtpijp is dus een specifiek artikel dat over langere periode vervaardigd is, in een techniek die niet veranderde. Kortom een regionale traditie die we nergens anders in deze vorm aantreffen.

Collectienummer APM 00.322b


Sigarenhouder met jachtscene
maart 2016

De tweede helft van de negentiende eeuw is de bloeitijd van de meerschuim sigarenhouder. Als gevolg daarvan verdwijnen binnen enkele jaren de kolossale tabakspijpen en deze worden verruild voor elegante houders waarin de sigaar kan worden opgerookt. De hierbij afgebeelde uitbundige sigarenhouder is een prachtig voorbeeld van een mode die meer dan vijftig jaar bloeide. Op een licht gebogen hoornvormige steel is in hoogreliëf een scene vol actie aangebracht. Een leeuwendoder te paard houdt een leeuwin of panter onder schot. Vastgelegd is dus het ogenblik van het overhalen van de trekker, het cruciale moment van de jacht. De actie wordt nog versterkt door de wapperende Arabische kleding van de schutter. In de periode van ontstaan deden wilde verhalen de ronde, waarin die over Gérard le Tueur des Lions wel het meest heldhaftig waren. Op de vertellingen over die Franse held moet de voorstelling van deze pijp aansluiten. De roker zal met een dergelijke groots uitgewerkte sigarenhouder bij zijn bevriende rokers absoluut indruk gemaakt hebben. Dat deze pijp tot de duurdere, meer artistieke voorbeelden van de mode betreft, bewijst het levensechte snijwerk dat artistiek is uitgevoerd en tot in de details is uitgewerkt. Wie goed naar dit voorwerp kijkt ziet overigens nog twee andere kenmerken van de meerschuim pijp. Door de oogharen gekeken, doemt de oorspronkelijke meerschuim schol op waaruit deze flamboyante pijp gesneden is en zien we hoe de schol ruwe meerschuim maximaal benut werd. Daarnaast is evident hoe vernuftig de snijder de voorstelling heeft uitgewerkt. Omwille van de stevigheid van dit gebruiksvoorwerp moesten namelijk talloze verbindingstukjes tussen de onderdelen van de voorstelling blijven staan. Dat is ongemerkt gebeurd en bewijst de kundigheid van de snijder. De duurzaamheid van deze sigarenhouder heeft zich overigens bewezen, het object is langere tijd gerookt zonder dat zich beschadigingen voordeden.

Collectienummer APM 22.084


Pijpenwroeter in gestoken kastje
februari 2016

Kenmerkend voor onze noordelijke provincies is de uit been gesneden pijpenwroeter. Een typisch stukje huisvlijt, gemaakt in de avonduren op de boerderij of door lieden in de stad. De bloeitijd van dergelijke wroeters ligt in de tweede helft van de negentiende eeuw, al moeten wroeters uit been al veel eerder gebruikt zijn. De hierbij afgebeelde wroeter is wel de meest extreme in zijn soort. De standaard pin om de pijp te pluizen, zoals men in het Noorden zei, wijkt niet af van de gewone wroeter. Bijzonder is echter de bekroning waar de maker veel werk van heeft gemaakt. Hier is een gereedschapsbak uitgesneden, met initialen aan de voorzijde. In die rechthoekige bak draaien rond drie asjes tien stukken oer-Hollands timmermansgereedschap. Op die wijze krijgt de wroeter bij het bewegen bijna de functie van een rammelaar. Wat dit voorwerp, eerder een pronkartikel dan een gebruiksding, werkelijk uniek maakt is de bijbehorende houten cassette. Ook hierop is de huisvlijt lustig losgelaten. Het houten kastje is aan alle zijden met snijwerk versierd, zelfs aan de achterkant. Voor het ophangen in de pronkkamer zijn twee halfronde stukjes messing met ophanggaatjes aangebracht. Aan de voorkant is een glazen venstertje te zien, dat met scharniertjes opent. Zo wordt de daarin geplaatste pijpenwroeter prachtig geëxposeerd. Na het snijden is het wandkastje in de zwartlak gezet en vervolgens nog deels met goud gehoogd. Zo werd een onverwacht pronkstukje verkregen. Naar de achtergrond van dit merkwaardige voorwerp kunnen we slechts gissen. Was het een werkstukje van een vaardige timmerman die zijn avonduren doodde? Of gaat het om een geschenk van de familie aan een jubilerende ambachtsman? In ieder geval wijzen de initialen op een specifieke persoon maar helaas ging zijn naam voor altijd verloren.

Collectienummer APM 22.078


Een exoot met Franse steel
januari 2016

De negentiende eeuwse Franse pijproker was een groot liefhebber van exotisch rookgerei. Naast de gangbare West-Europese pijpen in uiteenlopende modellen zocht hij naar producten met een Oosterse uitstraling, zoals de hierbij afgebeelde pijp. Het gaat om een Ottomaanse pijp waarvan de vormgeving teruggrijpt op Turkse of Noord-Afrikaanse voorbeelden. De basisvorm bestaat uit een cilindrische tienkante ketel geplaatst op een verzwaard onderstuk. Aan de buitenzijde is de pijpenkop gedecoreerd met geometrische motieven met onder zogenaamde stralenogen en boven gestapelde gestileerde bloempjes. Oorspronkelijk werden de kop en steel op de draaischijf gemaakt, in elkaar geplakt en met de hand van stempels voorzien. In de negentiende eeuw gebeurde de productie meer gestroomlijnd. Men perste deze pijpenkoppen in een tweedelige mal waarna de versiering ingedrukt werd. In diezelfde afwerkronde werd ook het makersmerk aangebracht, dat naast een Arabische tekst de naam "B. FUCHEZ CONSTANTINOPLE" te lezen geeft. Fuchez was handelaar in pijpen die op verschillende plaatsen pijpen in licentie liet produceren. De afzet vond zowel in de Levant als in Frankrijk en andere Europese landen plaats. De montage met een contemporaine weichselhouten steel en buffelhoornen mondstuk maakt dat deze pijp in het Westen is verkocht èn daar ook is gerookt. Dat gebeurde aan het eind van de negentiende eeuw. In Turkije werden dergelijke koppen aan een lang recht roer gerookt. De West-Europese roker vond dat na 1880 onpraktisch en koos voor de handzame, korte steel. Het voorwerp is dus een samengaan van de Oosterse uitstraling met de Westerse rookgewoonte.

Collectienummer APM 05.228


Snuifrasp met vogel
december 2015

In de achttiende eeuw bestond er onder de gebruikers van snuiftabak een bijzondere cultuur. Wie verse snuif wilde gebruiken kon deze het beste zelf raspen. Daarvoor waren zak- en handraspen in omloop die zich al gauw tot wonderlijke luxe artikelen ontwikkelen. De afgebeelde rasp bestaat uit een houten rug waarin een metalen rasp is vastgezet. Het raspgedeelte is niet meer dan een dun metalen blad waarin om-en-om rijen gaatjes zijn geslagen. Heel vernuftig zorgen de bramen van het metaal dat de karot verpulvert, terwijl door de naar binnen gerichte gaatjes het tabakspoeder in de rug van het voorwerp valt. Aan de onderzijde verlaat deze vervolgens de rasp door een eenvoudig gaatje. Opmerkelijk is de decoratie van deze rasp, die een vogel laat zien waarvan de kop en nek in vol reliëf zijn uitgevoerd en als handvat dienst doen. Op het vlakke onderstuk is het lijf van de vogel uitgesneden, hier in een meer ingetogen reliëf. Het onderste stuk van de rasprug is glad gelaten voor het eigenaarsmonogram, gegraveerd in zwierige typisch achttiende eeuwse letters. Wanneer niet in gebruik kan de rasp aan een oogje in de kop van de vogel worden weggehangen en wekte zo de indruk van een net geschoten dier. Hangend ergens aan de muur overleefde deze rasp dankzij dit messing oogje zijn tijd.

Collectienumer APM 22.074


Een stenen tomahawk
november 2015

Bij de Indianenstammen van Noord-Amerika is het gebruik van steen voor de vervaardiging van pijpenkoppen wijd verbreid. Meest gebruikt is wat men noemt pipe stone ofwel catliniet uit zuid-west Minnesota, gekenmerkt door een zachte rode kleur. Traditioneel en het meest bekend is de ceremoniële vredespijp of calumet die van deze steensoort is gemaakt. Naast deze vredespijp bestaat er de oorlogsvariant of tomahawk. Die is gevormd als een bijl met tegenover de scherpe kant van de bijl bovenop de steel een pijpenkop. De tomahawk is gesmeed uit ijzer of gegoten van messing en heeft een houten steel met een rookkabaal doorboord. De hier besproken pijp is een interessante en zeldzame variant: een tomahawk qua vorm, maar uitgevoerd in het voor de vredespijp typerende catliniet. Zelfs de steel is van deze steen gemaakt. De pijp bestaat uit twee delen. Het keteldeel met aan de bovenzijde een cilindrische pijpenkop, aan de basis bevindt zich de driehoekige bijlvorm. Deze bijl is aan de randen facet geslepen alsof er echt mee gehakt moest worden. De steel, eveneens van massief steen, is versierd met een paar banden met concentrische ringen. Kop en steel zijn met een stukje hout aan elkaar bevestigd, aan het eind bevindt zich een houten inzetmondstukje. Deze stenen strijdbijl is ten ene male ongeschikt als hak- of werpbijl en dat onderstreept de ceremoniële functie ervan. Meer waarschijnlijk is het echter dat de pijp als handelsartikel is gemaakt, als sierpijp. Zo moet deze pijp in de negentiende eeuw als curiositeit verkocht zijn aan een bezoeker van een inheemse Indianenstam. Als rookpijp heeft deze echter wel dienst gedaan getuige de forse koolstof afzetting in de ketel van de pijp.

Collectienumer APM 22.066


Roker in bladgoud
oktober 2015

De kwaliteit van de porseleinen tabakspijp wordt vooral uitgedrukt in de doorgaans geschilderde decoratie. De bloeitijd daarvan ligt in de eerste helft van de negentiende eeuw. Het prachtigste handschilderwerk wordt dan geleverd in een enorme variatie. Daarnaast ontstaan soms speciale decoraties die afwijken van het gangbare schilderwerk. De hierbij afgebeelde pijpenkop is zo'n variant. Er is geen sprake van een polychrome schildering, maar de kop is voorzien van een decoratie in louter bladgoud waarbij twee technieken zijn toegepast. De hoofdvoorstelling is in polijstgoud aangebracht dat met behulp van kwik werd vastgezet. Na het opbrengen werden de minutieuze details met een agaatpunt getekend. Hoewel de voorstelling vooral herkenbaar is door de contour ervan, zijn er voor wie beter kijkt talloze subtiele nuances in het goud te zien, waardoor de uitbeelding optimale levendigheid krijgt. Naast het hoofdmotief is er nog een filtbies en een steelvergulding aangebracht. Hiervoor is goudamalgaam gebruikt dat ook met kwik is opgelost. Dit resulteerde in een contrasterend hoogglanzend goud, dat overigens minder slijtvast is. Naast de gouddecoratie is ook de vorm van deze pijpenkop bijzonder. Het gaat niet om de gebruikelijke ovaalvormige stummel, maar om een ingesnoerde cilindervorm met een vlakke bodem en opgaande steel met manchet. Dankzij een holwandige binnenketel kon het vocht zich onderin de pijpenkop verzamelen en rookte de pijp betrekkelijk droog. Opmerkelijk detail is verder dat de zilveren steelhouder die bij de houten tegenhangers aan de manchet was gemonteerd, hier onveranderd in porselein werd overgenomen, inclusief het borgoog. Een wonderlijke oplossing. Het pijpmodel is kenmerkend voor de jaren 1820 al kan dit exemplaar van iets later datum zijn.

Collectienummer APM 02.885


Een pijpenstopper met een schoen
september 2015

Het gereedschap van de pijproker kent oneindig veel uitingen. Daarvan is deze pijpenstopper een mooi voorbeeld. Van hout gemaakt toont deze een gestileerde schoen met aan de hielzijde een conisch stopperdeel om de tabak in de pijpenkop aan te drukken. Pijpenstoppers en pijpenwroeters, de eerste om de tabak aan te drukken, de tweede op de pijpenkop leeg te maken, zijn vaak volkskunstig. Veel exemplaren werden als thuiswerk in de avonduren gemaakt, als echte huisvlijt dus. Toch hebben we daarover soms een wat te romantisch gevoel. Wie enige studie maakt van deze voorwerpen, ziet dat naast huisvlijt ook veel professionele serieproducten voorkomen, ook al blijft het honderd procent handwerk. Het raffinement waarmee dit schoentje gesneden is, met zijn bijzondere stilering en accenten van stikwerk, wijst er alleszins op dat hier een vakman aan het werk is geweest, die gebruik maakte van zijn ervaring èn repetitie. Via tabakswinkels of rondtrekkende handelaren bracht hij zijn werk aan de man. Wat helaas onbekend blijft is de herkomst. Dergelijke stoppers met een conisch stopperdeel zijn doorgaans Engels van oorsprong, maar zekerheid daarover is er niet. De datering moet ergens voor het midden van de negentiende eeuw liggen.

Collectienummer APM 22.052


Het fenomeen tabakobon
augustus 2015

Voor de Japanner is aan het roken van een pijp bijna evenveel ceremonie verbonden als het drinken van thee. Niet verwonderlijk dat het rookgerei en de bijbehorende tabakscuriosa met veel zorg is gemaakt. Deze tabakobon ofwel rookset is daarvan een goed voorbeeld. In een rechthoekig kistje met lakdecoratie zijn verschillende, voor de pijproker onontbeerlijke voorwerpen samengebracht. Het meest opvallend is de keramische komfoor met een stevige witte scherf bedoeld voor de kooltjes vuur om de pijp aan te steken. Deze is voorzien van wit glazuur dat een prachtig grijs craquelé vertoont. De tabakspot heeft een opmerkelijk hoge vorm en is van blanke bamboe gemaakt. Zij wordt afgesloten met een gezwart houten dekseltje en staat in een zwarte houder zodat deze bij het verplaatsen van de rookset niet om kan vallen. Ook uit het bijbehorende pijpje leren we de status van deze rookset kennen. Hier zijn roodkoper en messing gecombineerd. Eenvoudige materialen dus, al is het bamboe steelstuk van de pijp op aantrekkelijke wijze gebrand en dat benadrukt juist weer luxe en traditie. Al met al gaat het om een representatief stuk zij het niet van een ultieme kwaliteit. De lakbeschildering bijvoorbeeld vertoont kenmerken van fabriekswerk en heeft niet het raffinement van de individuele lakkunstenaar. Ook draagt de keramische komfoor geen signatuur die wijst op de trots van een bepaalde ceramist. De prachtige staat van het geheel doet vermoeden dat het een recent voorwerp betreft, doch dat is niet zo. Het object dateert zeker uit de Meji-periode ofwel uit de tijd van voor 1915 en heeft daarmee een leeftijd van minimaal een eeuw.

Collectienummer APM 22.049


Origami in een tabakspijp
juli 2015

Deze elegante tabakspijp is om verschillende redenen interessant. Ten eerste is dat om de ketel die de vorm van een stukje Japans papiervouwwerk heeft. De naam daarvoor is origami. Voor een tabakspijp is deze vormgeving tamelijk opmerkelijk en deze sluit aan bij de belangstelling voor de Japanse cultuur in de jaren tussen 1880 en 1900. Deze bruyèrehouten pijp dateert dan ook uit die periode en is daarmee een vroeg voorbeeld van dat materiaal. Hoewel een onopvallend merkteken met de letters HFS in de steel is ingedrukt, is nog onbekend waar de pijp vandaan komt. Dat het om een product uit Saint-Claude gaat, is niet zo zeker. Er zijn in de vroege periode van de bruyère-industrie in veel andere plaatsen fabriekjes voor pijpen geweest, die tot uitzonderlijke resultaten kwamen. Wat het voorkomen van deze pijp extra aantrekkelijk maakt is de montage met een eendenbeen steel, die zo dun is dat de ongebruikelijke elegantie nog eens wordt benadrukt. Het mondstuk van slijtvast buffelhoorn is met een metalen ring aan dit vogelbeen vastgezet. Tenslotte is ook de herkomst van de pijp opmerkelijk. Eigenaar was indertijd de bekende Amsterdamse wethouder Floor Wibaut. Overigens was dit voor Wibaut geen curiosum, maar een echte gebruikspijp. Dat zien we aan de intensieve brandsporen in de ketel, die door veelvuldig roken zelfs eenzijdig dun is geworden. De bijzondere vormgeving zegt zeker iets over de verschijning van deze wethouder. Na zijn overlijden erfde zijn kleindochter de pijp en koesterde deze haar leven lang. Nadat ook zij stierf kwam de pijp in de collectie van het Amsterdam Pipe Museum terecht.

Collectienummer APM 22.045


Ivora-pijp met dominostenen
juni 2015

In de jaren 1910 was in Gouda een bloeiende productie aan gietpijpen ontstaan, vooral onder leiding van Ivon van der Want. Zijn fabriek gevestigd in de Kuipersteeg ging door als de oudste fabriek van tabakspijpen, volgens overlevering daterend uit 1630. Toch wilde Ivon zijn nieuwe productielijn van geglazuurde gietpijpen niet associëren met de respectabele fabrieksgeschiedenis. Hij bracht de gietpijpen op de markt onder de intrigerende merknaam Ivora. Die naam was primair afgeleid van zijn eigen roepnaam, maar benadrukte ook de prachtige ivoorkleur van het product. In die eerste jaren van de gietpijp zijn tal van ontwerpen tot stand gekomen die niet lang op de markt bleven. Zij misten de aansluiting met de klant want de Goudse fabriekanten moesten proefondervindelijk ontdekken wat voor pijpmodellen de burgerlijke klasse begeerde. Veel rokers voelden zich te goed voor een eenvoudige kleipijp, maar waren te weinig joyeus voor een echte bruyère. Een gietpijp vormde dan een goed alternatief. Het hierbij afgebeelde ontwerp is zo'n probeersel dat maar kort geleverd werd. Niet verwonderlijk dus, dat dit tot nu toe het enig bekende exemplaar is. De vierzijdige ketel toont vier dominostenen, waarvan de stippen met verf zijn ingekleurd. Het bleek dat de roker de voorstelling niet altijd begreep en aanzag voor twee dobbelstenen. Origineel is de voorstelling zeker, al bracht de Franse firma Fiolet meer dan een generatie eerder een vergelijkbaar pijpontwerp op de markt, maar toen als gekaste pijp. Zoals opgemerkt is de dominopijp maar kort geproduceerd, in tegenstelling tot de meer eenvoudige dobbelsteenversie die ruim tien jaar lang in het assortiment bleef.

Collectienummer APM 22.041


De pasja van Gambier
mei 2015

In zwart uitgevoerd is deze zogenaamde pipe d'etalage een zeldzaamheid. Oorspronkelijk werd deze grote pijp met een hoogte van bijna zeventien centimeter als een reuzenformaat tabakspijp op de markt gebracht. Dat gebeurde al voor het jaar 1850, toen de pijp bestemd was voor de meest toegewijde Nicotinisten. Het motief van de Turk of pasja is in de tabaksbranche gedurende de hele negentiende eeuw populair gebleven. Nog altijd bestaat de uitdrukking "Hij rookt als een Turk" als aanduiding voor een zware roker. Aardig genoeg beleefde deze pijpenkop in het vierde kwart van de negentiende eeuw een revival. Toen werd zij als reclameartikel of etalagepijp opnieuw geperst, overigens uit dezelfde persvorm die bij de fabriek bewaard was gebleven. Hierdoor is het verschil tussen de vroegste exemplaren en de latere oplage niet te zien is, behalve voor wie op minieme details let. In die latere periode was het mode geworden om pijpen zwart te bakken, een techniek die ook hier is toegepast. Gesmoord in de oven kleurde de witbakkende klei diep zwart, soms zelfs met een prachtige metaalglans. Alsof dat nog niet genoeg was, is het product vervolgens opgeschilderd. Goudverf, in werkelijkheid bronsverf, is toegepast om de pijp een chiquere uitstraling te geven en de expressie te versterken. Dragen de vroege exemplaren altijd een gestempeld makersmerk, dit latere product is merkwaardig genoeg niet gemerkt. Kennelijk was dat toen niet meer nodig. De firma Gambier was in tegen 1900 de enige pijpenfabriek die een dergelijk kwaliteitsproduct nog kon leveren. De andere fabrieken waren inmiddels in financiële moeilijkheden geraakt en de een na de ander moest zijn deuren sluiten. Niet zichtbaar op de foto is overigens de prachtige Saterkop door een wingerdrank omgeven die zich op de onderzijde van de pijpenkop bevindt. Dat portret vervolmaakt het ontwerp.

Collectienummer APM 22.014


Een traditionele Touareg pijp
april 2015

Het nomadenvolk de Touareg uit de Sahara staat bekend om een specifiek soort tabakspijpen. Voor dit volk, dat te paard door de regio trekt, moet de rookpijp klein zijn, licht van gewicht en vooral onbreekbaar. Hun tabakspijpjes zijn daarom van metaal gemaakt en vormgegeven als een zogenaamde tubular, de buisvormige pijp die tussen de ketel en de steel geen duidelijke scheiding heeft. Verder is een lichte buiging van het rookinstrument kenmerkend, waarbij de ketel met een vloeiende lijn vanuit de steel ontstaat. Een andere karakteristiek is de afgeschuinde ketelopening, zodat een soort open bakje ontstaat. Schaarste aan tabak maakte dat met een dergelijke vorm de vaak kruimige tot verkruimde tabak zonder morsen in de pijp kan worden geschoven. Goed dus voor een zuinige gebruiker die niets wenst te verspillen. Het vakmanschap van de pijpenmaker zien we duidelijk terug in de afgebeelde pijp met contrasterende metaalkleuren afgewisseld met stukjes bot en hout. Nadat de verschillende materialen om een ijzeren kern zijn aangebracht, wordt de pijp glad gemaakt en vervolgens gepolijst. Tenslotte zorgt de pijpenmaker voor enkele gegraveerde zones. Zo ontstaat een glad en strak pijpje dat als rookinstrument zeer kenmerkend is en geen relatie vertoont met pijpen uit enige andere streek in de wereld.

Collectienummer APM 22.012


Invloeden van Picasso
maart 2015

De Franse plaats Vallauris, niet ver van Cannes gelegen, is bekend vanwege de vredestempel die daar door kunstenaar Pablo Picasso werd ingericht. Picasso werkte er jarenlang en stimuleerde andere kunstenaars tot een bezoek. Niet verwonderlijk dat hier al vanaf de jaren vijftig 's-zomers keramiekkunstenaars tezamen kwamen. Dankzij en onder leiding van hun grote inspirator Picasso maakten zij uiteenlopende soorten beschilderd aardewerk. Tot die producten behoren ook enkele tabakspijpen. Een voorbeeld daarvan is deze pijp van gietklei, gemaakt door de kunstenaar Marcel Giraud. Dat weten we omdat hij zijn producten op de steel met Gem of Gema signeerde. Duidelijk in de stijl van Picasso schiep Giraud een figurale pijp gevormd als een vis, waarbij de snuit in reliëf aan de voorkant van de pijpenkop te zien is en de staart een soort hielmarkering vormt. Kenmerkend is verder de beschildering in witte email, die na veelvuldig roken prachtig contrasteert tegen de donker kleurende achtergrond. Een montage met een weichselhouten steel en caoutchouc mondstuk completeert het voorwerp. Als zonnig toeristenplaatsje trok Vallauris in de zomer veel bezoekers die er een ruime keuze aan kunstnijverheidsvoorwerpen vonden. Zo werd ook deze pijp verkocht. Anders dan de schotels van Picasso, vertegenwoordigen deze tabakspijpen overigens nog geen torenhoge waarde. Uiteraard houdt dat verband met de onbekendheid van de kunstenaars. Toch straalt ook deze pijp de ceramische intentie van Picasso uit en is daarmee een interessant tijdsfenomeen.

Collectienummer APM 22.010


Stummel met bloemeninitiaal
februari 2015

Deze pijpenkop is afkomstig uit de beroemde porseleinfabriek van Meissen. Aan de binnenzijde van de ketel zijn als bewijs daarvoor twee gekruiste sabels geschilderd. Een dergelijk onderglazuur merk is bij porseleinen pijpen een uitzondering; de meeste koppen zijn ongemerkt. De zichtzijde van de ketel vertoont in meerkleuren een handgeschilderde initiaal vormgegeven door bloeiende bloempjes en bladertakken. Om het voorwerp extra cachet te geven is nog een omgaande tak met blaadjes in bladgoud aangebracht, terwijl ook de hiel bladgoud vertoont. Opgesierde initialen zijn van alle tijden, al beleefden dergelijke letters in de jaren 1820 en 1830 een hernieuwde belangstelling. De onderhavige pijpenkop stamt dan ook uit die tijd. Voor ons doet deze beschildering overigens weinig mannelijk en vooral zoetig aan, maar voor de Biedermeier roker was dat blijkbaar niet het geval. Het schilderen van een dergelijke initiaalversiering gebeurde op bestelling. Jammer dat we niet weten of de geliefde van de roker hiervoor de opdracht gaf, maar dat zou wel toepasselijk zijn. Kenmerkend aan dit voorwerp is verder de chique montage, die bestaat uit een gegoten bronzen klepdeksel voorzien van verguldsel. Centraal op de bovenzijde daarvan is een verdiepte cirkel te zien met vier eikenblaadjes.

Collectienummer APM 21.996


Roken met de koning
januari 2015

Het bekendste rookgenootschap is zonder twijfel dat van koning Frederik I van Pruisen. Reden is dat van zijn collegium door de schilder Paul Carl Leygebe een schilderij gemaakt werd, een groot doek van 130 bij ruim 160 centimeter dat tegenwoordig in het Neues Palast in Potsdam hangt. Op dat schilderij wordt getoond hoe het collegium functioneerde. De koning en zijn gemalin zitten centraal in het vertrek aan een tafel. Zij zijn uitgebeeld op het moment dat de koning van zijn gemalin een vuurtje krijgt aangereikt. Hun gasten vormen een kring om hen heen, maar natuurlijk op gepaste afstand. Tussen de personen door lopen bedienden die helpen met het aansteken van de pijp of het schenken van een drankje. Het geheel ziet er ontspannen en onderhoudend uit. Deze prent in klein bestek is op het bovengenoemde schilderij geïnspireerd. Zij werd gepubliceerd in de Berliner Almanach van het jaar 1822, meer dan een eeuw nadat het schilderij werd gemaakt. Ook en eeuw later was het tabakscollegium nog een begrip. Overigens is op de prent niet het hele schilderij weergegeven, maar slechts de hoofdscene. Duidelijk is dat graveur Bretzing niet de beste was. Wie de gezichten van de gasten bestudeert ziet dat de weergave van de personen wel wat krachtiger had kunnen zijn.

Collectienummer APM 21.974


Boeren hangpijpje
december 2014

De boerenstand gebruikt voor de zondag een luxere pijp dan door de weeks. Vanaf 1850 zijn dat vaak pijpen met een porseleinen pijpenkop gestoken in een zak en verbonden aan een opgaande steel. Wie echter minder status heeft, of minder rust bij het roken, kan als tegenhanger een hangpijpje aanschaffen. Dan gaat het om een eveneens staande ketel maar met een steelaanzet die meer haaks is en gemonteerd wordt aan een kort roer van buffelhoorn, soms zelfs van een flexibel stukje voorzien, de zogenaamde slap. Ter voorkoming van brandgaatjes in de kleding werden deze pijpen met een gevlochten ijzerdraad pijpendopje afgedekt, geborgd met een ringetje rond de steel. Zo'n boerenpijp wordt hierbij afgebeeld, afgewerkt in een donkerbruine effen glazuur. Dergelijke pijpen waren vroeger op het Nederlandse platteland bij duizenden in gebruik, maar het merendeel is op een dag gebroken zodat hiervan betrekkelijk weinig bewaard bleef. Zij zijn een prachtig voorbeeld van semiluxe rookgerei gebruikt in een specifiek milieu dat vrijwel nooit werd bewaard omdat het daarvoor te gewoon was.

Collectienummer APM 21.960


Kleipijp met bladgoud
november 2014

In de jaren tachtig van de negentiende eeuw werd er in Marseille een techniek uitgedacht om bladgoud decoraties op kleipijpen toe te passen. De uitvinding moet gezocht worden in de omgeving van de fabrieken Morelli of misschien Bonnaud. De afgebeelde pijp is daarvan een mooi voorbeeld. Rondom de ketel werd een decoratie van bladgoud geplakt, die behoorlijk duurzaam was. Dat gebeurde vooral op de bruine pijpenkoppen, die luxer waren dan de rode en bovendien een fijnere oppervlaktestructuur hadden want dat was een vereiste voor een goede hechting van het bladgoud. Behalve geometrische of fleurale patronen zoals hier, worden ook speciale opschriften en reclames in deze techniek toegepast. Vooral café's en drankmerken hebben daarvan dikwijls gebruik gemaakt. Met een naampijp werd hun etablissement of product geadverteerd. De montage van dergelijke pijpen gebeurde met een bruin bamboe roer met een lichte knik aan het eind, afgewerkt met een gezwart houten mondstuk. Is er van meer luxe sprake, dan is het mondstuk van buffelhoorn en is de steel soms afgezet met een metalen bandje.

Collectienummer APM 21.952


Japanse tabaksdoos met pijpenhouder
oktober 2014

Twee factoren bepalen dat het Japanse rookgerei volstrekt anders is dan het West-Europese. Ten eerste is dat de pijp, die in Japan van metaal is en een heel kleine ketel heeft waarin zeer fijn gesneden tabak gerookt wordt die in enkele trekjes is verbrand. Ten tweede wordt dit rookgerei niet in een jas- of broekzak opgeborgen, maar hangt te kijk aan de ceintuur en daarvoor zijn een speciale pijpenhouder en tabaksdoos in gebruik, vaak met een duidelijke pronkfunctie. Het hierbij afgebeelde exemplaar is daarvan een goed voorbeeld. Het is gemaakt van gesneden been en zowel de pijpenhouder, de kiseruzutsu als de tabaksdoos, de tonkotsu, zijn gevormd naar menselijke gestaltes. De tabaksdoos toont met zijn lage brede vorm een korte dikke persoon met een mand op het hoofd, afgesloten door een vlak klemdeksel. Dit deksel wordt op zijn plaats gehouden door een schuifkraal of ojime die ook weer versierd is en hier de vorm van een zittend pandabeertje heeft. De pijpenhouder laat met zijn lange slanke vorm een magere figuur zien gekleed in een soort kimono. Om het snijwerk op beide voorwerpen goed tot hun recht te laten komen zijn de diepste delen ingekleurd met een zwarte verfstof of inkt. De twee voorwerpen worden dus aan een zwart gevlochten koordje aan de ceintuur gedragen en dienden dus voor de verpakking en het transport van tabak en tabakspijp.

Collectienummer APM 21.955


Columbus op de pijp
september 2014

Portretpijpen van bestaande personen in meerschuim zijn onder verzamelaars buitengewoon geliefd. Zij bewijzen het vakmanschap van de meerschuimsnijder die tot taak heeft de levensechtheid van een persoon te vatten. Voor de snijder was het een hele opgave om tot een goede gelijkenis te komen, in tegenstelling tot de productie van fantasiefiguren waar de gelaatsuitdrukkingen er niet zo veel toe deden. Dit portret van Christoffel Columbus is een mooi voorbeeld van een goed geslaagd portret, gesneden met behulp van een historieprent, maar op knappe wijze gedriedimensionaliseerd. Dat Columbus in een pijp is vereeuwigd is niet zo verwonderlijk, zijn rol bij de introductie van de tabak in de Europese landen is cruciaal geweest. De montage met een barnstenen roer was voor die tijd gebruikelijk. Later heeft dit roer een zilveren bandje gekregen toen het barnsteen op de aanhechting was gebroken. Dat bandje is van fijn graveerwerk voorzien en benadrukt dat ook bij de reparatie de pijp nog gezien werd als een luxe voorwerp.

Collectienummer APM 21.940


Onverwachte sigarenhouder
augustus 2014

Hoewel er vanaf de introductie van de sigaar in de achttiende eeuw al vrij snel allerlei sigarenhouders werden gemaakt, is er pas na 1850 van een ware hausse aan sigarenpijpen sprake. Niet verwonderlijk, in die periode verburgerlijkt de gewoonte een sigaar te roken en is een veel groter deel van de rokers op zoek naar sigarenpijpen waarmee je indruk op je gasten kunt maken. De hierbij afgebeelde sigarenhouder van glas behoort tot die curiosa die zeker niet voor alledaags gebruik bestemd is, maar die vooral geschikt is om als geschenk aan de sigarenroker cadeau te doen. De pijp is van transparant glas gemaakt en de steel is gewonden in een spiraalvorm, de ketel voor het plaatsen van de sigaar steekt iets uit het silhouet, terwijl het mondstuk haaks is gebogen en aan het eind zelfs geen knopvormig mondstuk heeft. Het glas is overigens niet volledig transparant, heel subtiel heeft de glasblazer een licht draaiende donkerrode lijn in de spiraal meegeblazen. In gebruik geeft deze pijp een onverwacht effect. De sigaren van de zwaardere Havana tabak bevatten meer teer en nicotine en deze slaat al na één keer roken aan tegen de binnenwand van de pijp die daardoor snel verkleurt van geelbruin naar diep donkerbruin. Dankzij de neerslag van zoveel vocht tegen de binnenkant van de pijp krijgt de sigarenrook wel een droge en dus aangename smaak.

Collectienummer APM 21.941


Vorstelijk wapen
juli 2014

In de negentiende eeuw was het bon-ton om een pijp te roken voorzien van je eigen familiewapen of monogram, speciaal op verzoek gesneden. Deze pijpenkop met hoge Hongaarvorm is daarvan een mooi voorbeeld. Centraal op de ketel staat het gekroonde vorstelijke initiaal, omgeven door een cirkelvorm met bladwerk, de achterzijde van de ketel is onversierd gelaten. Eigenlijk is er sprake van een gewone ornamentele decoratie maar de wijze van uitwerken is wel heel specifiek en getuigt van een goed gevoel voor ornamentwerk ofwel is duidelijk werk van een betere snijder. Deze tabakspijp is gemaakt voor Fürst Fugger von Babenhausen uit Augsburg en is uitgevoerd in de toen zo geliefde neostijl. Langs de onderkant is een rand zilver gespijkerd, om de pijpenkop te ruste gezet tegen krassen of andere beschadiging te beschermen. Op de manchet heeft de fabrikant bij wijze van makersmerk de letter N ingedrukt zodat we weten dat deze uit het bedrijf van Noltze, een meerschuimmaker van naam stamt. Als gebruikelijk is de pijpenkop afgewerkt met een trommelvormig gedrukt zilveren deksel en een gewerkte manchetband waaraan een borgoog. Ook die montage getuigt van luxe.

Collectienummer APM 21.939


Gestileerde kop van een bever
juni 2014

In British Columbia, hoog aan de westkust van Canada leeft de Tlingit, een Eskimo stam met een eigen cultuur. Zij zijn als zoveel volkeren fanatieke rokers en niet verwonderlijk hebben zij hun pijpen eigen kenmerken meegegeven. Als grondstof is doorgaans hout gebruikt, cederhout is het meest voorkomend. Omdat deze houtsoort brandbaar is, wordt bij hun pijpen een binnenketel van metaal toegepast. Soms is deze ketel van messing of roodkoper, in andere gevallen is wel ijzer van bijvoorbeeld van geweerlopen herbruikt. Het houtwerk wordt met stameigen snijwerk versierd waarvan deze pijp een mooi voorbeeld is. Qua stijl lijkt de uitbeelding veel op de wat zuidelijker levende Haida, maar de techniek is onmiskenbaar Tlingit. Rond de pijpenkop is de gestileerde kop van een bever weergegeven, sommige details zijn met stukjes paarlemoer geaccentueerd. Enkele musea in Canada bezitten fantastische Tlingit pijpen uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Bij die voorwerpen is een sculptuur bedacht, waarin de pijpenkop een plaats heeft gekregen en waar een gat de mogelijkheid gaf een steel aan de pijp te bevestigen. Bij dit betrekkelijk late stuk is sterker uitgegaan van een standaard model pijp met een gestroomlijnde vorm die comfortabel is vast te houden. Om die reden laat deze pijp zich niet met die vroege stukken vergelijken. Toch is ook deze uiting een formidabel voorbeeld van de verschillende stijlen en decoraties die in de wereld van de tabakspijp kunnen voorkomen.

Collectienummer APM 21.930


Silver plated pijp decoratie
mei 2014

In de jaren zestig werd in Amerika een wonderlijke gedecoreerde pijp gelanceerd. Het gaat om de "MEDICO STERLING", die op de ketel en tige een verzilverde decoratie draagt. Bij het hier afgebeelde exemplaar zijn op de rondlopend fries Balinese dansers te zien, langs de randen afgezoomd met een soort meanderlijst. De montage van deze pijpen gebeurde met een nylon roer dat in die jaren als een nouveauté gold. Kortom, met zijn zilveren decoratie en flexibele roe een vernieuwend product waarmee de roker goede sier kon maken. Belangrijkste verkoper was Sam Frank, die toen een aanzienlijk deel van de pijpenmarkt beheerste en naast winkelverkoop via mailingen catalogi rondstuurde. De decoraties werden gemaakt door een Plating Company gevestigd op Broadway in Manhattan. Het procédé was uitgevonden door ene Joe Marco. Het opbrengen ging als volgt. Bij een bruyèrepijp werd de decoratie met een screenprint aangebracht. Daarna werden de niet bedekte delen met asfalt betreken waarna een zilververf opgelost in aceton op de pijp werd gespoten, die op de niet geasfalteerde delen hecht. Vervolgens werd het asfalt gesmolten en de pijp met de decoratie ongeveer vier uur in een electroplating bad gehouden. Op de markt bleken deze pijpen een daverend succes, maar zoals zo vaak met nieuwigheden ging de belangstelling er even snel van af. De vervaardiging startte aan het begin van de jaren 1960, in de jaren zeventig verminderde de verkoop en toen de zilverprijs vervolgens steeg stopte de productie definitief.

Collectienummer APM 21.926


Balanceren met pijpen
april 2014

De breekbaarheid van de kleipijp maakte dat in de achttiende eeuw circusartiesten optraden die kunstjes deden met de lange Goudse pijp. Op deze wandtegel wordt dat balanceren met pijpen weergegeven. De achttiende eeuwse Rotterdamse Magito-familie had een patent op deze optredens, zij waren beroemd als koorddansers die met pijpen jongleerden. Natuurlijk had de familie Magito niet het alleenrecht. Ook in andere plaatsen bekwaamden circusartiesten zich er in om het publiek met hun balanceerkunsten te verbazen. Bijzonder is wel dat op deze wandtegel zo'n inmiddels vergeten kunstje is vastgelegd. Overigens is het niet verwonderlijk dat op de tegel juist de Magito-familie te zien is. De tegelbakker was namelijk een Rotterdammer en maakte dus een plaatje dat niet geheel vrij van chauvinisme was. Dat de act met kleipijpen inmiddels uit het circus verdwenen is, zal ons niet verbazen. Sinds het begin van de twintigste eeuw zijn kleipijpen duur geworden en is het oefenen daarmee te kostbaar geworden. Zo verdween een wonderlijk stukje folklore.

Collectienummer APM 21.911


Pijpenkas van onverwacht materiaal
maart 2014

Voor de roker is de tabakspijp een dierbaar instrument. Een goed ingerookte pijp is een kostbaar bezit want deze staat garant voor smaakvol roken. Niet verwonderlijk dat de roker met zijn rookgerei behoedzaam omspringt en zich daarvoor een doos of foedraal aanschaft om de pijp veilig te kunnen verplaatsen. Veel van deze luxe pijpenverpakkingen zijn overgeleverd omdat zij door hun snijwerk of onverwachte materiaal al snel verzamelstukjes werden. Dat geldt ook voor deze pijpenkas, gemaakt van coquianoot, een tropische noot. Kenmerk van deze noten is dat deze zacht zijn als ze worden gevonden, maar na een paar dagen uitharden tot een keihard materiaal. Omdat een verse noot zich goed laat snijden, is zij geschikt voor de vervaardiging van allerlei versierde voorwerpen. Een pijpenkas is echter niet voor de hand liggend. De lange steel kan alleen gemaakt worden wanneer verschillende stukken noot aan elkaar bevestigd worden. Welnu, dan blijkt dat de lieden die met dit materiaal werkten een geweldige vaardigheid hadden en er inderdaad in slaagden om losse steelstukken met een schroefdraad aan elkaar te draaien. Zo ontstond een exclusieve pijpenkas die voor de meeste gebruikers bewondering opwekte omdat men het materiaal, dat sterk op hout leek, niet kende en zich verbaasde over het hoge soortelijke gewicht en het gladde oppervlak.

Collectienummer APM 21.908


Inspiratie van de Indianen
februari 2014

Ieder jaar weer starten er in de wereld lieden die hun geluk willen beproeven met het maken van pijpen. Zo'n voorbeeld is ook de pijp van deze afbeelding, gemaakt door de Tsjechische ceramist Bohuslav Husak rond het jaar 2000. Husak noemt zijn bedrijf Kurdejovska Keramika en om die reden merkt hij zijn producten ook met een heus pijpenmakersmerk van het monogram KK in cirkel. Zijn assortiment is behoorlijk verscheiden, maar alle producten zijn te herleiden naar voorbeelden uit de literatuur over pijpen die hem ter beschikking staat. Zo is de hierbij afgebeelde pijp aan een antieke Amerikaanse Indianenpijp ontleend die hij nauwgezet kopieerde. De trechtervormige ketel contrasteert prachtig met de vierkante steel en de steeldecoratie van een geometrisch scherm is kenmerkend voor de Indianen van de Chippewa. Niet verwonderlijk dat Husak in de naamgeving van deze pijp het woord kalumet opnam. Hoewel zijn pijpen in een gipsmal gegoten worden, straalt deze pijp, die oorspronkelijk van natuursteen werd gemaakt, dat niet uit. De randen van het ontwerp zijn zo scherp dat zij uit steen gesneden lijken. Dankzij het reducerend stoken werd met een onverwachte grijszwart nog een extra vervreemdend karakter verkregen.

Collectienummer APM 21.832


Onbekende politiekeling
januari 2014

De pijp hier besproken stelt een liggende Janklaassen figuur voor naar links gekeerd met de blik op de roker gericht. De voorgestelde heeft een opwaarts gebogen neus en draagt een muts met onopvallende rand. Verder is hij gekleed in een kort jak en een gestreepte broek. Hij houdt het rechter been opgetrokken, het linker vormt de steel van de pijp en eindigt in een puntig mondstuk. Op die wijze wordt een houten been gesuggereerd. Het product kwam in een tweedelige drukvorm tot stand en de vormnaden zijn langs de buitenrand nog duidelijk te zien. Na het bakken is de pijp bedekt met meerkleuren verf in blauw, rood, crème en zwart. Maker is James Wyse uit Glasgow, die dergelijke pijpen in het tweede kwart van de negentiende eeuw op de markt bracht. Veel van zijn uitbeeldingen hebben een relatie met de lokale politiek van dat moment, al kunnen wij de betekenis tegenwoordig niet goed meer duiden. Dat geldt ook voor dit exemplaar. Wyse moet een enorm aantal van dergelijke pijpen gemaakt hebben, anders zouden er tegenwoordig in collecties niet nog verschillende exemplaren over zijn.

Collectienummer APM 21.774


Borstbeeld van keizerin Eugénie de Montijo
december 2013

Deze pijp laat een wat stijf maar wel keizerlijk portret zien met veel naakt borstbeeld en een weinig spraakmakend kapsel. Afgebeeld is keizerin Eugénie de Montijo met opgestoken haar waarin een bescheiden diadeem, alleen de oorhangers met een vlucht van bloemknoppen doorbreken de eenvoud van de uitbeelding. Aan de onderzijde had de fabrikant de mogelijkheid het borstbeeld met iets uitbundigs af te werken, maar ook dat gebeurde niet. De basis van het borstbeeld is vlak gebleven, met een onopvallende gecontourneerde rand langs de buitenzijde, die de vorm van het borstbeeld volgt. Blijkbaar was dat de manier waarop de keizerin geportretteerd diende te worden. Op de steel is in reliëf de fabrieksnaam en de verwijzing naar de stad Parijs opgenomen, dat laatste refererend aan het verkoopkantoor van de maker. Daarnaast is traditiegetrouw ook het merkstempel ingedrukt, de initialen JG in parelcirkel. Het gebruik een merkteken te stempelen stamde nog uit de tijd dat verwijzingen naar de volledige fabrieksnaam nog niet werden gemaakt. Maker is de firma J. Gambier uit Givet die dit model onder nummer 844 op de markt bracht. De afwerking in gele lak moest natuurlijk de gerookte meerschuimpijp benaderen, nog versterkt door de iets bruin gebrande ketelopening. Wat storend zijn wel de penseelharen die in de lak van de pijp zijn achtergebleven en zwarte streepjes op het gelaat en borstbeeld geven. De pijp heeft de tijd ongeschonden overleefd omdat deze nooit in gebruik is genomen.

Collectiennummer APM 21.789


Kachel met een lange pijp
november 2013

Nog voordat de pijpenmaker Georges Vincent-Genod maître pipier werd, hield hij zich al met het ontwerpen van tabakspijpen bezig. Deze pijp is daarvan het vroegste voorbeeld. Niet uit bruyère maar uit een onbekende houtsoort sneed hij deze pijp, een merkwaardig ontwerp in de vorm van een kachel of stoof waaraan heel toepasselijk een lange steel met mondstuk die aan de kachelpijp refereren. Een originele vondst waarvan nog geen tweede bekend is. Minpuntje is misschien, dat de pijp niet uit zichzelf blijft staan en om die reden goot de jonge Genod wat lood in de ketel, waardoor de pijp zijn balans herwon. Omdat hij nog niet over een merkstempel beschikte, werd de pijpenkop aan de onderzijde met inkt van zijn initialen voorzien. Dat dit product voor een speciale gelegenheid is gemaakt, staat wel vast maar of deze diende voor een lokale tentoonstelling of als leerlingstukje weten we niet. Dankzij de signatuur en het feit dat de pijp in de fabriekscollectie van Genod bewaard bleef, is toeschrijving met zekerheid te geven en weten we dat deze pijp ongeveer een eeuw geleden werd bedacht.

Collectienummer APM 21.737


Deksel met jachtscene
oktober 2013

De vorm van deze pijpenkop is ontleend aan de zakvormige tabakspijp van meerschuim die vanaf de achttiende eeuw en ook gedurende de hele negentiende eeuw gemaakt is. Hoewel het een typische meerschuimvorm is, werd zij uiteraard ook in andere materialen nagemaakt. Deze houten kop is daarvan het bewijs. De vorm van de zakvormige ketel verandert in de loop van de tijd al is het niet eenvoudig vast te stellen hoe de ontwikkeling precies loopt. Deze vorm, met een wat taps toelopende bovenhelft van de ketel is meer specifiek voor Duitsland dan voor Oostenrijk en de oorsprong van deze pijp zal daar ook liggen. Wat de kop speciaal maakt is echter niet de vorm ervan, maar de montage. Ketel en steel zijn beslagen met een zilveren montuur met op het deksel een sculptuurtje. Daarop is een voorstelling met de jacht als thema te zien: een trotse jager met geweer, voor hem ligt een afgeschoten hert, zijn jachthond zit waakzaam aan zijn zijde. Ook de zilveren manchetplaat is versierd met een staand mannetje, de benen wijd, de armen uitgestrekt. Hoewel het zilverwerk niet heel gedetailleerd is uitgevoerd, zijn dergelijke voorstellingen toch zeldzaam. Voor de roker was het een aantrekkelijk praatstukje om zijn vrienden na de jacht te imponeren maar aan het comfort van de pijp voegde het niets toe.

Collectienummer APM 21.678


Borstbeeld van een negerin
september 2013

Deze prachtige portretpijp laat een populair onderwerp zien: negervrouwen, vaak afgebeeld met een iets geopende mond waarin als proeve van vakbekwaam snijwerk zelfs de tanden te zien zijn. De voorgestelde is hier afgebeeld met oorbellen en een losjes gedrapeerde stoffen muts met een strik aan de voorzijde. Het borstbeeld vertoont eenvoudige kledingplooien waarin een dubbele halsketting hangt met een hanger. Dit deel van de pijp is in zogenaamde double cire uitgevoerd. Met die afwerking verkleurde het meerschuim in twee tinten en dat gaf een extra speels effect. Gezien de kwaliteit van het snijwerk neigen we deze pijp aan Wenen toe te schrijven, maar terzelfder tijd waren ook in andere steden zoals bijvoorbeeld Parijs verdienstelijke snijders werkzaam. Dat maakt determinatie van dergelijke laat negentiende eeuwse pijpen buitengewoon lastig. Veel elegante pijpen hebben in die periode een barnstenen roer, doch hier is nog gekozen voor een wat ouderwetsere manchet waarin een buffelhoornen roer gestoken werd. De pijp heeft nog het oorspronkelijke roer van bruinzwart buffelhoorn met een getordeerde steel bekroond door een meerkantige soort klokvorm. Het feitelijke mondstuk is met een knik gebogen.

Collectienummer APM 21.674


Zwartgebakken maatpijp
augustus 2013

Van alle Goudse pijpen is de maatpijp de meest algemene en ook de meest geliefde geweest. Met zijn lange ragfijne steel en fraaie ovaalvormige ketel was het een wereldwijd handelssucces. Deze pijp is gemaakt door de firma Jan Prince & Cie in Gouda, een van de belangrijkste negentiende eeuwse fabrieken. Als hielmerk is de both aangebracht, overigens niet hun voornaamste merk, dat waren de melkmeid en de leeuw in de Hollandse tuin. Ondanks het wat lagere merk is de pijp optimaal van kwaliteit, met een prachtig afgewogen ketelmodel dat zorgvuldig geglaasd is en een volmaakt rechte steel. Zeldzaam is hier dat de pijp zwartgebakken is, een luxere uitvoering dan de witte omdat de pijpenpotten voor het bakken met zaagsel opgevuld werden, waarna door smoren en smeulen de witte klei zwart kleurde. Vaak wordt beweerd dat zwarte pijpen alleen bestemd waren voor begrafenissen maar dat is niet waar. Deze pijp bijvoorbeeld stond, getuige een handgeschreven naam op de pijpenkop, bij een huisgezin in het pijpenrek. De heer des huizes verwelkomde zo zijn vrienden. De datering ligt ergens in negentiende eeuw, in ieder geval voor het jaar 1897 toen de fabriek van Prince haar deuren sloot.

Collectienummer APM 21.644


Bronswerk met geometrische versieringen
juli 2013

Prachtig van uitwerking en gecompliceerd van vorm zou je deze bronzen pijpenkop kunnen noemen. De ovaalvormige ketel is maarliefst achttien kantig en eindigt aan de onderzijde met een hielvorm die weer overgaat in een vlak rechthoekig plaatje. De ketelopening vertoont een vlakke uitstaande rand. De ketel is rondom versierd met reliëfbanden, de meest karakteristieke vertonen rijen kauri's, het in Afrika alom gebruikte teken voor geld en rijkdom. Maar daar bleef het niet bij. De maker heeft ook nog twee langgerekte vlakke pootjes toegevoegd, die ook weer met geometrisch reliëfwerk versierd zijn. De steel van de pijp is opgaand en eindigt zonder een manchet. Voor goede hechting aan de steel is een borgoog aangebracht. Deze pijp is gemaakt in Nigeria bij de Igbo stam. Voor de wonderlijke combinatie van vorm en spaarzame toepassing van versiering in een fijne uitwerking kunnen we alleszins bewondering hebben.

Collectienummer APM 21.578


Een platte pet als vonkenvanger
juni 2013

Het vlechten van voorwerpen uit draad van ijzer, koper of messing is in de achttiende en negentiende eeuw een geliefd tijdverdrijf geweest. Niet alleen voor mannen maar ook voor vrouwen. Er bestaat zelfs een boekje met instructies voor hobbyisten in het vlechten, speciaal bedoeld voor vrouwen uit de hogere stand. Niet verwonderlijk dus dat er daarom ook voorwerpen gevlochten uit zilverdraad en zelfs gouddraad bestaan. Deze pijpendop is echter gewoon van messingdraad gemaakt al heeft deze wel een originele vorm. Zij is uitgewerkt als een platte pet met klep en zal zeker goed gepast hebben op een figurale pijpenkop, om de weelderige haardos van de voorgestelde van een hoofddeksel te voorzien. In ieder geval is sprake van mooi regelmatig vlechtwerk met als origineel detail twee blauwe glaskraaltjes die zijn ingevlochten bij de aanzet van de klep. Uiteraard ontbreekt een borgketting met oog niet, om te voorkomen dat de pijpendop onderweg van de pijp afviel en verloren ging. Dankzij het steeloogje bleef hij nu aan de pijp bungelen.

Collectienummer APM 21.602


Europese visie op de tsjiboek
mei 2013

In het Turkstalige gebied ontwikkelden zich twee typen pijpenkoppen die oneindig lang gebruikt zijn. Beiden luisteren naar de naam tsjiboek, maar er zit groot verschil in de vormgeving. De schoteltsjiboek is de meest bekende waarbij de pijpenkop op een vlakke schotel is geplaatst. Bij de rondbodem tsjiboek ontbreekt deze schotel en is de ketelbodem afgerond. Op dat laatste type werd deze porseleinen pijpenkop geïnspireerd. De vormgeving is onmiskenbaar Turks, inclusief de meerkante ketel met gekartelde rand rond de ketelopening. Ook de meervoudige schijfvormige manchet is typisch Turks. Wat de pijpenkop echter Europees maakt is naast het porselein als materiaal vooral de beschildering. Aan de buiten zijde is op de kop en op de steel een repetitief ornamentaal patroon aangebracht in de kleuren bruin en oranje, gehoogd met bladgoud. Het patroon doet denken aan exotische stoffen en benadrukt daarmee de exclusieve oriëntaalse mode. Vermoedelijk gaat het om Franse makelij.

Collectienummer APM 21.560


Een figuurpijp als portretbuste
april 2013

Door de firma Duméril Leurs uit Saint-Omer werd kort na 1850 een set pijpenkoppen op de markt gebracht van een drinkende man en een lachende vrouw, onmiskenbaar een paar. Bijzonder aan deze set is dat de koppen aan de onderzijde voorzien zijn van een cirkelvormige sokkel zodat zij als kleine borstbeeldjes kunnen staan. Een vinding die eerder duidt op curiosa dan op praktisch gebruik. De pijpenkop van de man werd al in het jaar 1980 aan onze collectie toegevoegd, de vrouw vinden wilde maar niet lukken. Onlangs is uit de befaamde Franse collectie van Daniel Mazaleyrat de ontbrekende vrouw aangekocht en kunnen we eindelijk de set tonen. In tegenstelling tot de man doet de vrouw, met loshangende haren en grotendeels ontblootte borsten, was volks aan. Misschien was juist die uitdagende uitstraling wel de bedoeling. De koppen zijn voorzien van de modelnummers 1671 en 1673 en daarbij vraagt je je meteen af wat er op modelnummer 1672 voor pijpenkop geplaatst was. Opmerkelijk is dat beide koppen gerookt zijn en dat haalt de gedachte dat het pijpen louter voor de sier zijn onderuit. Als rookgerei gebruikt zijn zij dus wel, al kan de pijp, wanneer deze van een roer is voorzien, door het gewicht niet meer staan zodat het ontwerp niet echt functioneel is.

Collectienummer APM 21.539


Gezondheidspijpen in een zakdoosje
maart 2013

Aan het eind van de negentiende eeuw kwam er onder rokers steeds vaker een discussie over gezond roken. Geleidelijk aan zag men in dat het roken uit vuile pijpen de kans op lipkanker vergrootte en dat ook een te sterke teersmaak het aroma van de rook niet ten goede kwam. Om die reden experimenteerde men met poreuze kleisoorten die teer en nicotine beter opnamen. Daarnaast werd het wisselen van pijpenkoppen gepropageerd, met als beste voorbeeld de cafépijp die verkocht werd in een doos van zes koppen en een steel. Wanneer de klei van teer verzadigd was werd aangeraden een nieuwe kop op de steel te plaatsen. De hierbij afgebeelde zakdoos moeten we in het licht van die beweging zien. Aan de binnenzijde vinden we twee pijpenkoppen en een los schroefroer voorzien van een luxe barnstenen beet. Door de pijpenkoppen bij het roken af te wisselen kan deze drogen en zal zo een betere smaak geven. Onverwacht is dat het luxe barnsteen en het deftige etui niet best rijmen met de goedkope kleikoppen. Etui en mondstuk zijn te duurzaam voor de snelheid waarmee de pijpenkoppen van teer en nicotine verzadigd raken en afgedankt dienen te worden.

Collectienummer APM 21.334


Snuifdoos met paarlemoer deksel
februari 2013

Van deze vergulde messing snuifdoos met gecontourneerde randen is de voorstelling oer Hollands. Op het paarlemoeren deksel is aan de bovenzijde een volkskunstige voorstelling te zien. Op een grondlijn staat centraal een vrouw met een laken om, rechts is een tafel te zien waarop een brandende kaars, links een stoel bij een hemelbed, een po staat ervoor. Het zal niet toevallig zijn dat de kaars fallusvormige is. Onder de afsnede lezen we dat de vrouw niet kan slapen omdat ze door vlooien gestoken wordt. Maar, zegt zij, wanneer zij een man had om plezier te maken, dan zou zij niet meer aan de vlooien denken maar de man haar maagdelijke roosje schenken. Een stoute, wat erotisch getinte snuifdoos dus. Overigens werd deze voorstelling nagesneden naar een prent die al in het midden van de zeventiende eeuw in omloop was en gemaakt werd door Paul Oham de jonge. Behalve snuifdozen zijn ook langwerpige tabaksdozen met hetzelfde tafereel gemaakt.

Collectienummer APM 21.351


Momentopname van de tabaksbouw
januari 2013

Hoe vanzelfsprekend de tabaksbouw op Sumatra ook was toen de Delimaatschappij daar de scepter voerde, de Nederlander kende deze culture nauwelijks. Niet verwonderlijk werden fotoreportages gemaakt waarbij de tabaksbouw van zaad tot tabaksbaal werden vastgelegd. Dat gebeurde zeker vaker toen de fotografie zich goed ontwikkeld had. Met een fotoreportage konden Indiëgangers hun familie en vrienden van de gang op de plantages op de hoogte brengen. Daarnaast dienden dergelijke boeken ook om investeerders voor de goede zaak te winnen. De hierbij afgebeelde foto is er één uit een serie van 78 die de cultuur van de tabak stap voor stap laten zien en die in chronologische volgorde in een album zijn geplakt, voorzien van handgeschreven toelichting. Op de hier afgebeelde foto zien we een inlander die laat zien hoe groot de tabaksplant is op het moment dat deze rijp is voor de oogst. Een beetje een misleidend plaatje want de plantagearbeiders waren minstens een kop kleiner dan de kolonisten. Deze foto zit halverwege de serie want daarna worden ook de fermentatie en de verwerking tot exportbalen in beeld gebracht. Dit fotoalbum werd aangelegd in 1928 en is daarmee een prachtig tijdsdocument van de tabaksbouw in die jaren.

Collectienummer APM 21.323


Portretpijp in steatiet
december 2012

Uit geen land is een grotere variatie aan tabakspijpen bekend als uit Kongo en dat ligt niet alleen aan de omvang van dat land. Het lijkt wel of iedere stam eigen rookgerei had en de variatie daarin is eindeloos. Deze stenen pijp is gemaakt door de Mayombe en is kenmerkend voor die stam. Qua materiaalgebruik behoort de pijp tot de uitersten want de Mayombe gebruikten steatiet voor de ketel en hebben die steensoort tot een gestileerde portretpijp gesneden. Heel toepasselijk is de kin van de voorgestelde de hielvorm van de pijpenkop geworden. Vervolgens is een ketelopening en een steelaanzet van lood toegevoegd. De pijp is daarna gemonteerd aan een eveneens loden steel, die met een houten klosje aan de ketel is vastgezet, wat plantenvezels zorgen voor de luchtdichte hechting van de twee onderdelen. Dat deze pijpen vooral een statusartikel zijn en geen gebruikspijp mag duidelijk zijn. Steen en lood zijn bij uitstek ongeschikte materialen voor een pijp. Zij zijn zwaar en nemen bovendien geen vocht op. Toch zijn dergelijke pijpen wel degelijk gerookt, getuige een intensief gebruikt exemplaar in onze collectie. Aardig van deze pijp is dat ze in Afrika bewaard bleef en pas een eeuw na vervaardiging naar Europa kwam.

Collectienummer APM 21.211


Meerschuim met houtbekleding
november 2012

Interessant zijn de tabakspijpen die gemaakt zijn van zowel meerschuim als bruyère en in feite tussen beide nijverheden balanceren. Dankzij het meerschuim bieden zij het voordeel van de neutrale smaak en de goede vochtabsorptie, terwijl hout voor de stevigheid en duurzaamheid zorgt. De pijp hier afgebeeld is een prachtig product op het grensvlak van beide materialen. Getuige het gestempelde merk GBD gemaakt door Ganneval, Bondier & Donninger, een oorspronkelijk in Parijs gevestigde firma. Daar staat GBD bekend om hun tabakspijpen van wonderlijke luxe en onverwachte vormgeving, aanvankelijk van meerschuim. Dit product laat zien dat zij het beste van twee disciplines bijeen brachten. De lange steel is van hout met een barnstenen mondstuk. De ketel daarentegen is geheel van meerschuim, zij het dat deze in een fragiel netwerk van hout is gevat dat spannend gesneden is en tussen twee horizontale lijnen fijne takken met bladeren en rozen laat zien. Dit ragfijne houtwerk wekt alle bewondering af. Dat het onderwerp niet erg mannelijk van uitstraling is, zien we in die periode vaker bij pijpen en deerde de gebruikers blijkbaar niet. Fabricagetechnisch is er nog sprake van een verborgen hoogstandje. Het zo ragfijn uitsnijden van het hout was natuurlijk een grote kunst. Daarna moest de meerschuim ketel worden gemonteerd en wie goed kijkt werd ziet dat die ketelinzet uit twee delen moest bestaan, waartussen het houtsnijwerk klemde. Gebruikelijk voor luxe pijpen uit die periode is de bijbehorende cassette om de pijp te beschermen. Ook in dit etui staat het merk gestempeld met de vermelding Parijs die wijst op de vroege datering van deze pijp. Een toegevoegd opschrift met "EXPOSITION UNIVERSELLE PARIS 1889" illustreert het belang van de firma als deelnemer aan de wereldtentoonstelling van dat jaar.

Collectienummer APM 21.195


Cire perdue snuiffles
oktober 2012

Naast roken uit een pijp is het tabaksgebruik ook als gewoonte om te snuiven wijd verbreid. Zelfs in landen waar de pijp een dominant rookinstrument is, wordt deze gewoonte afgewisseld met het snuiven van tot poeder gemalen tabak. Dit flesje, precies elf centimeter hoog, is een goed voorbeeld van de gewoonte van snuiftabak. Het is van brons gemaakt in de cire perdue methode. Het oorspronkelijke voorwerp wordt in was geboetseerd. Dat wasmodel wordt in klei verpakt en na het verwarmen wordt de klei hard, terwijl de was smelt en wegloopt. Zo wordt een eenvoudige gietvorm verkregen die volgegoten met brons dit voorwerp als resultaat geeft. Treffend is de geometrische versiering met op de beide cirkelvormige buiken een prachtige spiraal die vanuit een knopje in het midden ontspringt en tot aan de buitrand doorloopt waar zij opgaat in een kabelrand. Om het aroma van de tabak te conserveren wordt het flesje met een houten stopje afgesloten, dat bij dit exemplaar nog aanwezig is. Naast deze flesjes worden in dezelfde cultuur op soortgelijke wijze vervaardigde bronzen tabakspijpen gerookt. Hoewel volgens zeggen het om een typerend voorwerp voor de Graslanden van Kameroen gaat, worden zij ook toegeschreven aan de Vere in oostelijk Nigeria. Wel een bewijs dat voorwerpen bestemd voor een bepaald gebruik door handelaren naar andere gebieden verkocht worden en daar bijna stameigen worden.

Collectienummer APM 21.180


Een vogelklauw in exotische kleuren
september 2012

Hoewel porselein als materiaal niet bijster geschikt is voor tabakspijpen, omdat het geen vochtopnemende werking heeft, is het toch veel gebruikt. Niet verwonderlijk, de uitstraling van porselein is altijd fris en emailkleuren kunnen dit nog versterken. Deze pijp is daarvan een mooi voorbeeld. Qua vormgeving is niet van iets bijzonders sprake. De vogelklauw onderaan de eivormige pijpenkop is een veelgebruikt motief, vermoedelijk bij de kleipijpen ontstaan, al is zij ook in andere materialen uitgewerkt. Een vergelijkbare uitwerking van de klauw zien we bij een pijpmodel van de firma Gambier. Toch is niet van een afgietsel sprake maar van een eigen modellering. Wat betreft het uiterlijk wint deze pijp het echter van de tegenhangers van klei omdat de ketel hier in een oogstrelend turkoois is afgewerkt, die vervolgens met emailstippen is gehoogd en tenslotte nog voorzien is van verguldsel. Dat daarmee een opvallende pijp verkregen is, mag duidelijk zijn. Ook in de montage is sprake van luxe. Een zilveren bandje met graveerwerk vormt de zone tussen ketel en steel. Vervolgens is voor het roer geen steel van caoutchouc of hout gekozen, maar een luxe montage van barnsteen. Zo werd door de porseleinfabrikant een nieuw artikel op de markt gebracht, voor een meer gefortuneerde categorie rokers.

Collectienummer APM 21.048


Pijpenkop als borstbeeld
augustus 2012

Dit opmerkelijke plastiekje van pijpaarde met het borstbeeld van koning Salomon is gemaakt van een pijpenkop, die aan de bovenzijde is dichtgesmeerd en aan de basis een sokkel van pijpaarde heeft gekregen. De voorgestelde is uitgebeeld als een historische figuur met snor en sik, halflang haar en een soort kroon op het hoofd. Het borstbeeld zelf laat een harnas zien waarover een plooikraag. Aan de achterzijde is het voorwerp gestempeld met het merk van de pijpenfabrikant, de firma Duméril Leurs & Cie in Saint-Omer. Om het borstbeeld een chiquer voorkomen te geven is het bedekt met bronskleurige lak in bruinzwart kleuren die is afgedekt met een transparante lak. Zo kreeg een pijpenkop een tweede gebruik als sierobject. Van de firma Duméril is bekend dat zij meer figuren van pijpaarde maakten, die opvallen door hoge kwaliteit en fijne afwerking. Het is de vraag of dergelijke curiosa indertijd in de productie rendabel was maar misschien is dat ook wel de reden dat we die artikelen zo zelden tegen komen.

Collectienummer APM 21.043


Gebroken steel
juli 2012

Behalve dat deze pijp een befaamd pijpontwerp is, gaat het tevens om een visueel grapje. De steel van de pijp lijkt te zijn doorgezaagd en weer aan elkaar gemaakt met een stukje metaaldraad. Een origineel ontwerp dat al in de jaren 1930 voor het eerste werd toegepast door een pijpenmaker uit Saint-Claude. Nu is het ontwerp opnieuw in productie is genomen en wel door Ser Jacopo Dalla Gemma, een bruyèremaker uit Pesaro die bekend staat om zijn prachtige ontwerpen en hoge kwaliteit. Hij brengt dit model onder de naam Inoanus. Op de steel van de pijp lezen we zijn signatuur en tevens dat het een handgemaakt voorwerp betreft "SER JACOPO FATTA A MANO IN ITALIA". De kwaliteit van de pijp zien we in de prachtige straight grain van de ketel en de subtiele wijze waarop de steel gemaakt is, schijnbaar in twee delen maar natuurlijk toch uit één stuk. Om het beeldgrapje te versterken is de aanzet van het rookkanaal in de gebroken steelstukken aangebracht.

Collectienummer APM 21.359


Keizerlijk bezoek aan de stad Rennes
juni 2012

Voor de inwoners van de plaats Rennes was 19 augustus 1858 een bijzondere dag. Het keizerlijke paar, Napoleon III en zijn geliefde ega keizerin Eugénie bezochten samen met hun zoontje de prince impériale de stad Rennes. Voor de pijpenfabrikant Alexis Picard was dat aanleiding tot de productie van een speciale gelegenheidspijp die zelfs in twee formaten werd uitgebracht. Hier is de grote versie te zien, met een hoogte van ruim tien centimeter. De pijp heeft een vaasvorm en kan zelfstandig rechtop staan. De ketel toont aan weerszijden de keizerlijke portretten, aan de steelzijde is de troonopvolger te zien. De voorzijde is pontificaal gesierd met het stadswapen van Rennes. De plaatsen Brest en Cherbourg die de keizerlijke familie op dezelfde reis bezochten, worden en passant genoemd. Aan de basis wordt de pijpenkop gehouden door de keizerlijke adelaar met gespreide vleugels, met op de sokkel de signatuur "A. PICARD 19 AOUT 1858 A RENNES". Prachtig is de overgang van de ketel naar de steel, waar een speels lofwerk te zien is van motieven die het midden houden tussen bladwerk en schelpvormen. Wat deze forse pijpenkop extra bijzonder maakt is de afwerking. De witbakkende klei heeft een elektrolysebad gekregen waardoor zij het voorkomen van een stukje bronsgietwerk heeft. Overigens, een techniek die in die dagen vaker werd toegepast maar dit werd zeker niet in de pijpenmakerij werd gedaan, maar door een bedrijf die de techniek van het verbronzen beheerste. De luxe afwerking van deze pijp roept de speculatie op of dit specifieke object wellicht aan het keizerlijke paar is aangeboden.

Collectienummer APM 21.027


Zakvorm met rocailles
mei 2012

De droom van de verzamelaar van meerschuim pijpen is een vroeg stuk te vinden, een pijp daterend uit de achttiende eeuw of zelfs eerder die de evolutie van de meerschuim pijp bevestigt. Deze pijpenkop heeft die uitstraling vanwege de kenmerkende rococostijl, maar wie goed naar de uitvoering kijkt ziet dat het om een neostijl gaat. De pijpenkop is een conisch verhoogde zakvorm met de gebruikelijke licht opgaande steel eindigend in een manchet. Aan de voorzijde van de ketel, doorlopend op de onderzijde is een prachtig gevormd motief van veervormige bladeren aangebracht die het meest lijken op een vrije en vooral zwierige interpretatie van de acanthus. De ornamentatie wordt aan de linker zijde afgesloten met een C-voluut waaraan een schuimkop die kenmerkend is voor de rococo. Een opengewerkte C-voluut verbindt de manchet met de ketelwand. Let ook op de deksel die een inzet van meerschuim heeft en met een knop eindigt. Hoewel alles in achttiende eeuwse stijl is uitgevoerd, gaat het om een negentiende eeuwse uitwerking en dat verraden de details. De ketel is niet bol genoeg, de bovenzijde te langgerekt, de c-voluut tussen ketel en steel de star. Nee, de rococostijl was heel wat flamboyanter dan deze pijpenkop poogt uit te stralen. Bovendien, de latere datering wordt ook bevestigd door de ingeslagen zilvermerken, die getuigen van een datering na 1870. Toch is het een fijn stuk op een vakbekwame wijze gemaakt in een toonaangevende Weense werkplaats.

Collectienummer APM 21.017


Pijpenkop uit de Dogoncultuur
april 2012

Van veel Afrikaanse culturen is nog geen geschiedenis geschreven over hun rookcultuur en de pijpen die zij daarbij gebruikten. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Dogon in Mali. Weliswaar zijn er de laatste decennia talloze opgravingen in dat gebied gedaan, maar weinig materiaal is daarvan gepubliceerd. Vondsten wijzen in ieder geval op pijpenkoppen die prachtig zijn vormgegeven, zoals het voorbeeld hier afgebeeld. De zacht gebakken ceramiek laat geen gesteelde pijpen toe, zodat alle voorbeelden een afgeknotte steel hebben, vaak is die vierkant aan het eind zonder manchet en dat is het meest kenmerkende van de pijpen van de Dogon. De pijpenkop zelf heeft een prachtig model, dubbelconisch met halverwege een schuinse rand. De opening wordt verstevigd met een uitstaande filtrand. Na het vormen op de draaischijf wordt de handgevormde steel aan de pijp geplakt. Als versiering worden lijnen ingekrast om tenslotte het geheel in een bad met ijzerengobe te dopen om een fijne glans te krijgen. Al die handelingen wijzen op een goed ontwikkelde pottenbakkersnijverheid. Hoewel talloze pijpen inmiddels te herkennen zijn, is het met de vaststelling van de chronologie nog maar bar gesteld. Daarnaar zou de komende jaren nog eens wat onderzoek gedaan moeten worden.

Collectienummer APM 20.987


Een Eskimo pijp met cirkelgaatjes
maart 2012

In het hoge noorden hebben de Eskimo's gebrek aan alles. Rokers kunnen maar beperkt over tabak beschikken en consumeren die bij minimale hoeveelheden. Ook materialen zijn schaars, al is bot bijna altijd voorhanden. Niet verwonderlijk dus dat veel pijpen van bot gemaakt worden en daarvan is deze pijp een mooi voorbeeld. Qua vorm is het een echte Eskimopijp met z'n opgaande steel en ketel met brede rand om te voorkomen dat tabakskruim niet in de pijpenkop terecht komt. Ook de kleine ketelinhoud sluit aan bij een gebied waar alles schaars is. Gebruikelijk is het dit botwerk te versieren, waarbij ingekraste voorstellingen het meest bekend zijn. Deze pijp is echter versierd met een repeterend patroon van cirkelgaatjes, die met een eenvoudige boor zijn aangebracht. Vervolgens zijn zij om beter op te vallen met zwarte kleurstof ingekleurd. Met zijn vijftien centimeter lengte is behoort deze pijp tot de kleinere rookinstrumenten van de Eskimo.

Collectienummer APM 20.961


Plateel pijpenstandaardje
februari 2012

Op het grensvlak van de kleipijp en het aardewerk ontstaan in de jaren 1920 rekjes en standaardjes voor miniatuurpijpen. Zij slaan een brug tussen de oude, traditionele kleipijp en het nieuwe product, het Gouda plateel. Van dergelijke ontwerpen worden de wandrekjes ongemeen populair, terwijl de standaardje, zoals de hier afgebeelde, snel weer van de markt verdwijnen. Niet verwonderlijk overigens, wand de rekjes hangen ongestoord aan de muur, terwijl de standaardjes vrij staan, gemakkelijk omgegooid worden en de pijpjes daardoor snel breken. Ook bij het afstoffen loert het risico van breuk. Het hier afgebeelde exemplaar is zo'n zeldzaam voorwerp, in Gouda mat plateel uitgevoerd met een subtiele art-nouveau schildering van fijngevoelige lijnen waarin een soort paradijsvogel vogel te zien is en wat bladmotieven. Let vooral op de randfilet op de schotel, waar heel onverwacht enkele zigzags in de doorgaande lijn zijn aangebracht, het summum van de nieuwe kunst. Aan de onderzijde is het voorwerp van een intaglio modelnummer voorzien, terwijl de fabrieksnaam "IVORA GOUDA" in bruine letters is geschilderd.

Collectienummer APM 20.909


Ontwerptekening voor een presentatiepijp
januari 2012

In het derde kwart van de negentiende eeuw werd door de firma Félix Wingender in Chokier bij Luik een serie van drie tekeningen gemaakt voor een etalagepijp. De pijp stelt het hoofd van een Indiaan voor met verentooi en aardig genoeg is de pijp voorzien van een deksel met knop. Het feit dat de tekening in kleur is uitgevoerd betekent dat de pijp bedoeld was om te polychromeren. Dat de tekening in realiteit is omgezet wordt bewezen omdat een exemplaar van deze pijp al jarenlang in een verzameling in Kortrijk voorkomt. Hoewel zonder deksel gaat het om de pijp van de ontwerptekeningen en aardig genoeg is het stempel op de tekening ook op de onderzijde van de pijp aan gebracht. Toch is er een verschil in detail. Ten eerste is bij de tekening de verhouding tussen de Indiaan en zijn verentooi fraaier. Daarnaast is er nog een ander onderscheid: de snor en sik van de tekening komen op de pijp niet voor. Is dit achterwege gelaten om het gezicht ter verstrakken of bestaat er nog een tweede versie? Overigens is de pijp van de tekening ook minder indringend dan de driedimensionale uitvoering die iets primitiefs heeft.

Collectienummer APM 20.891c


Royal Copenhagen
december 2011

Porselein is geen geschikt materiaal om uit te roken. Toch zijn vanaf het moment dat porselein in Europa gemaakt werd pijpen in dat materiaal uitgevoerd. Door de pijp holwandig te maken, werd een deel van het nadeel, de ontwikkeling van condens gecompenseerd. De fabriek van Royal Copenhagen Porcelain Co. Ltd. heeft in de jaren zeventig van de vorige eeuw een serie pijpen uitgebracht. Daarvoor werden modellen van houten pijpen gekopieerd, voorzien van een caoutchouc roer. Kenmerkend voor die serie is de blauwe beschildering in een handgeschilderde geometrisch-ornamentale stijl waaraan gestileerd bladwerk ten grondslag ligt. Het fabrieksmerk van drie golflijnen is aan de onderzijde van de steel geschilderd, daar waar het porselein in het roer over gaat. Een succes zijn de pijpen niet geworden. Zij werden aangeboden in luxe ceramiekwinkels maar ook bij de betere tabakswinkel, bijna wereldwijd overigens. De verkoopprijs was echter zo hoog, dat de meeste rokers het experiment niet aandurfden en niet verwonderlijk bleven sommige modellen tientallen jaren in de verkoop staan. Komen we deze pijpen vandaag de dag nog in de handel tegen, dan zijn zij ongerookt of maximaal een paar maal gebruikt. Ook dat is geen indicatie voor het rookgenoegen dat de consument ervoer.

Collectienummer APM 20.883


Twee rokers vereeuwigd
november 2011

Toen deze opvallende wandschotel in de jaren 1920 geschilderd werd, was de gewoonte van het roken drastisch veranderd. In de negentiende eeuw maakte de sigaar zijn opmars en de mondaine roker was van de tabakspijp daarop overgestapt. Die verandering drukt deze voorstelling uit: een jongere man met sigaar, een oudere met tabakspijp, ieder lustig kringetjes rook blazend. Alleen de spreuk "HET IS GEEN MAN DIE NIET ROOKEN KAN" is onveranderd gebleven. Toch is de voorstelling ook traditioneel want de sigaret, de rookgewoonte van de twintigste eeuw, blijft bij deze schotel nog buiten beeld. De twee rokers zijn omlijst door ijl en vernieuwend ornamentwerk in de stijl van de art-nouveau. Bijzonder aan deze schotel is dat de kunstenaar bekend is. Het gaat om Jan Guérain, die jarenlang plateelschilder bij de Ivora was, de plateelfabriek voortgekomen uit Gouda's oudste pijpenfabriek, de fabriek van de WS. Guérain werkte daar maarliefst 24 jaar en heeft een breed oeuvre nagelaten. Naast duizenden doorrokerplaatjes en talloze kleine voorwerpen is dit een van zijn majestueuze voorwerpen. De schotel kan bestemd zijn geweest voor een tabakswinkel waar deze als decoratie aan de muur hing.

Collectienummer APM 20.856


Snuifdoos in Meissentrant
oktober 2011

Het nemen van een snuifje is een cultuur die met grotere luxe is omringd dan het pijproken. Vooral in de achttiende eeuw ontstonden onwerkelijk chique voorwerpen voor dit gebruik. De talloze gouden dozen, al dan niet ingelegd met edelstenen zijn daarvan het beste voorbeeld. Deze doos behoort tot de categorie porseleindozen, die in de beste fabrieken in steeds veranderende stijlen werden gemaakt. Het porselein van deze vierkante doos vertoont een subtiel reliëfwerk waarin cartouches van veervormige bladeren een geruwd oppervlak scheiden van het gladde deel dat beschilderd moest worden. Gedeeltelijk is dit subtiele reliëf het schildervoorbeeld voor de decorateurs die de doos later kleur gaven. Langs de randen van de montage, die een scharnierend deksel mogelijk maken, zijn in paarse modekleur geschubde blaadjes aangegeven. De hoofdvoorstelling staat in de cartouche op het deksel en toont een man en een vrouw op een grondje. Wie goed naar deze doos kijkt, ziet al snel dat van de fijnheid van Meissen geen sprake kan zijn. Het schilderwerk mist de detaillering en is wat klodderig uitgevoerd. Ook het licht veranderde onderglazuur merkteken is niet kenmerkend Meissen waar ieder zwaardje uit het merk zijn eigen streepje heeft. Hier moeten de twee zwaarden hetzelfde gevest delen. Tenslotte is ook het porselein iets zwaarder van uitvoering en slordiger in het reliëfwerk. Neemt niet weg dat dit voorwerp een interessant voorbeeld is van een snuifdoos die overigens vooral voor de pronk dienst zal hebben gedaan.

Collectienummer APM 20.870


Studentenportret met tabakspijp
september 2011

Onder Duitse studenten was het pijproken ongemeen populair. In de negentiende eeuw zijn duizenden portretten geschilderd waarop studenten met hun favoriete pijp staan afgebeeld. Deze schildering is er zo een. Te zien is een silhouetportret van een roker met kenmerkende kalot genietend van een tabakspijp waarvan de porseleinen kop versierd is met een wapen. Vaak waren dat pijpen die men van studentenvrienden cadeau had gekregen want er was een enorme cultuur in het schenken van pijpen met speciale schilderingen zoals portretten, familiewapens of monogrammen. Veel van die koppen getuigen daar bovendien van doordat aan de keerzijde de namen van de schenker en de ontvanger staan geschreven. Het is overigens nooit verklaard waarom de Duitse studenten zo'n grote voorkeur voor porseleinen pijpen hadden, terwijl in veel andere milieus juist het meer comfortabele meerschuim geprefereerd werd. Alleen het gegeven dat toepasselijke decoraties eenvoudig konden worden uitgevoerd zou de stimulans geweest kunnen zijn.

Collectienummer APM 20.860


Tsjiboek met mansportret
augustus 2011

Veel pijpen lijken goed te duiden maar blijken bij nader inzien vol raadsels. Dat geldt voor deze bijzondere porseleinen pijpenkop in de vorm van een schoteltsjiboek. In eerste instantie zien we dat het om een oriëntaliserend stukje porselein gaat maar onmiskenbaar uit een Europese fabriek. Dankzij de vorm met de achtkante schotel en de conische ketel lijkt hier van een navolging van een vroeg negentiende eeuwse Turkse tsjiboek sprake te zijn. Omdat het porselein qua substantie ons niet verder kan helpen is de hoop op de decoratie gericht. Dat geldt zowel voor de stijl van de ornamenten als voor de invulling van het portretovaal. Helaas blijkt ook hier geen aanknopingspunt voor een preciezere determinatie, behalve dat van een stuk van voor 1850 sprake moet zijn. Het is zelfs onduidelijk of het om Franse of Duits porselein gaat. Ondanks de raadsels blijft dat het om een exclusief stukje porselein gaat, in kleine oplage gemaakt of als speciale opdracht uitgevoerd. Een tweede exemplaar in deze vormgeving en schildertrant is nog niet bekend.

Collectienummer APM 20.577


Showstuk uit een pijpenwinkel
juli 2011

Aan de Pepergracht in Gouda was jarenlang de pijpenfabriek van Martinus Nicolaas van Duijn gevestigd, een klein bedrijf zoals er in Gouda eeuwenlang fabriekjes waren. In 1885 had Martinus het bedrijf uit de erfenis van zijn vader overgenomen en vervolgde de voorouderlijke stiel maarliefst veertig jaar. Bij dergelijke kleine werkplaatsen liepen winkel, werkplaats en woning in elkaar over. Die winkel was aan de straat gevestigd met twee etalagevensters aan weerszijden van de voordeur. De etalage adverteerde de verkoop van pijpen voor passanten, rokers zowel als toeristen. In de winkel stond een kleine toonbank met erachter een schappenkast met voorraden. Deze driekoppige tabakspijp is uit de winkeletalage van Van Duijn afkomstig, waar naast gangbare pijpmodellen ook enkele curiositeiten, showstukken lagen om de nering beter te adverteren. Deze driekoppige pijp was zo'n blikvanger waarvan wij overigens niet weten of zij ook in de reguliere verkoop was of eenmalig gemaakt was voor de pronk. Toen het bedrijf in 1925 werd opgeheven, bleef deze pijp als souvenir achter bij de familie, samen met enig pijpmakersgereedschap. Pas een generatie later wisselde deze van eigenaar en kwam in een verzameling terecht. Zo bleef dit voorwerp bewaard en wonderlijk genoeg is het de enige pronkpijp die nog over is van alle showstukken die winkels van pijpenmakerijen ooit sierden. Uiteraard heeft dit alles te maken met de grote breekbaarheid van dit soort curiosa.

Collectienummer APM 20.543


Versteende roker uit Costa Rica
juni 2011

Magisch is de afbeelding van vroege rokers uit de tijd dat afbeeldingen nog niet vanzelfsprekend waren. Tot die categorie behoort dit beeldje van vulkaansteen uit de Linea Vieja cultuur in Costa Rica, gemaakt tussen 900 en 1100. Voorgesteld is een medicijnman of sukia die uit een buisvormige pijp rookt al kan ook een primitieve sigaar uitgebeeld zijn. De voorstelling onderstreept het belang bij de Indianen om een roes op te wekken en met rook een aangename verdoving te krijgen. Daarnaast kan men met tabaksrook boze geesten bezweren. Het beeldje meet ruim elf centimeter en is compact van uitvoering. Duidelijk is te zien hoe de beeldhouwer de zittende persoon als het ware uit het steen bevrijd heeft. Van een echt driedimensionale uitbeelding is daarom geen sprake. Een goede sculptuur is, wanneer deze wordt rondgedraaid, aan alle kanten even aantrekkelijk. Hier zijn duidelijk twee zeer treffende zijkanten te zien, maar de zones naar frontaal en de achterzijde zijn weinig sprekend.

Collectienummer APM 20.501


Naakte vrouw met plantenpot
mei 2011

Tegen het eind van de negentiende eeuw herwint de buisvormige sigarenpijp weer populariteit. Dat gebeurt vooral in het licht van strakke pijpen die in gebruik komen bij rokers die genoeg hebben van al die overvloedige decoraties. Die specifieke strakke producten inspireren de meerschuimsnijders weer snel tot nieuwe figuraties. Zij bedenken pijpen met een voorstelling die qua silhouet de buisvorm volgt maar de decoratie weer toevoegt. Daarvan is deze pijp een voorbeeld, die met zijn strakke recht toe recht aan vorm een toepasselijke decoratie heeft gekregen van een staande naakte vrouw die een teil met bloemen boven haar hoofd houdt. Tussen die bloemen is de trompetvormige sigarenhouder gestoken. Overigens is een dergelijke voorstelling voor de Victoriaanse periode behoorlijk gewaagd en vermoedelijk kwam deze pijp pas in de herenkamer tevoorschijn om met gepaste trots aan collega-rokers getoond te worden. Maker van dit product is Ludwig Hartmann uit Wenen, een gevestigd bedrijf reeds in 1828 opgericht. De firma Hartmann ontwikkelde zich tot befaamde meerschuimmakers maar waren tevens handelaar die talloze opdrachten elders lieten maken. Dat kan natuurlijk voor dit product gelden, zodat we niet zeker zijn van de herkomst.

Collectienummer APM 20.452


Klomppijp met souvenirbeschildering
april 2011

Wanneer rond 1910 in Gouda de doorroker ontwikkeld wordt, zorgt deze luxere pijp voor een nieuwe ontwerpgedachte sterker geworteld in pijpen van bruyère en meerschuim. Zo komen pijpmodellen in productie die nooit eerder werden uitgevoerd. Uit die periode stamt deze wonderlijke souvenirpijp die de oer-Hollandse vorm van een klomp heeft. Een opmerkelijke schepping vooral omdat de binnenketel een achterhoekse plek heeft en daarom nooit lekker leeg te roken is. Dat een dergelijke klomp in het silhouet van de roker tamelijk bizar staat was blijkbaar geen probleem of misschien zelfs wel een extra verkoopargument. Over de top is tenslotte de decoratie van deze pijp in een Delfts blauw palet. Rondom de klomp zijn typische Delftsblauwe bloemetjes te zien, terwijl op de wreef van de klomp in een simpele cartouche zelfs een molen staat afgebeeld. Maker is de plateelbakkerij Ivora, eerder bekend als de firma P. van der Want Gzn. uit de Kuipersteeg in Gouda. Dankzij een ingeslagen merk op het steelbusje is die toeschrijving mogelijk.

Collectienummer APM 20.433


Een pijpenkop in basaltware
maart 2011

Deze cilindrische pijpenkop met ingesnoerde ketel is gemaakt van basaltware, steengoed met een matzwarte scherf. Dit materiaal wordt algemeen toegeschreven aan Wegdwood, maar is ook in andere Engelse fabrieken gemaakt. Het is zelfs onduidelijk hoe groot het aandeel van de Wegdwood fabriek op de hele productie is geweest. Kenmerkend voor het genre Wedgwood is het werken met appliques, opgeplakte reliëfs in contrasterende kleikleur, doorgaans in wit. Op deze pijpenkop zien we boven een omgaande rand van eikenloof het oordeel van Paris afgebeeld waarbij drie staande gratiën voor een zittende Paris poseren. Het feit dat geen fabrieksmerk geplaatst is, wekt de indruk dat de pijpen kop wel in de stijl van Wedgwood gemaakt is, maar niet door de fabriek zelf. In de streek van Barlaston waren in de negentiende eeuw meer fabrieken te vinden die deze ceramiek maakten. Wegdwood was weliswaar de uitvinder, maar had niet het alleenrecht. Jammer natuurlijk dat deze onbekende fabrikant zijn naam niet op het product achter liet, maar uiteraard gebeurde dit bewust. Om te profiteren van het renommee van de oorspronkelijke uitvinder, moest het product zonder merk blijven.

Collectienummer APM 20.396


Een Engelse parlementarier
februari 2011

De firma Duméril Leurs & Cie in Saint-Omer is de maker van deze portretpijp die bestemd was voor de Engelse markt. Niet verwonderlijk, want de afgebeelde persoon, sir Robert Peel, was daar bekend als parlementariër en werd zelfs tweemaal tot premier gekozen. De pijp past in een serie modellen waarin politici zijn afgebeeld van Robespierre en Danton tot figuren uit de jaren 1840. Kenmerkend voor de serie is dat alle portretten aan de onderzijde van het borstbeeld een tekst in reliëf dragen waarop de naam van de voorgestelde. Dat maakt het identificeren van de pijpen gemakkelijk. Onduidelijk blijft waarop die opschriften niet, zoals bij andere fabrieken gebruikelijk was, op de steel werden geplaatst. Mogelijk is deze pijp niet contemporain, maar uit een iets latere tijd en past deze in een serie verzamelwaardige pijpen die telkens met een exemplaar werden uitgebreid. Op die wijze bond de firma Duméril de politiek geëngageerde rokers aan zich, steeds weer uitkijkend naar een nieuw exemplaar. Wat deze uitbeelding vroeg qua datering maakt is dat het mondstuk nog afgeplat is en zonder knoop eindigt. Na 1850 verdwijnt dat om definitief plaats te maken voor de standaard knoop aan het eind van de steel. Overigens werd in die tijd ook de steel met ruim een centimeter ingekort

Collectienummer APM 20.403


Vrouw met cornucopia
januari 2011

Deze vroege figuurpijp laat langs de steel een naakte vrouw zien die een geribde cornucopia omarmt. Het is een opmerkelijke voorstelling omdat de modellering buitengewoon primitief is, maar daardoor ook iets aandoenlijks heeft gekregen. De vrouw is tot de knieën weergegeven, zij rijst als het ware op uit vier lange gepunte bladeren die als steeldecoratie zijn aangebracht. Het steeleind zelf is afgeplat en zonder knoop en dat kenmerk wijst op een zeer vroege datering voor deze figuurpijp, misschien zelfs wel in de jaren 1820 of 1830. De hoge ouderdom wordt ook bevestigd omdat het om een tweedelige persvorm gaat. Later zou een dergelijke gecompliceerde voorstelling met een meerdelige pijpvorm gemaakt zijn, waardoor de details beter konden worden uitgewerkt. Overeenkomstig het gebruik bij de Belgische en Franse pijpenfabrieken werd de voorstelling met accenten emailverf aangezet. Hier is dat ook gebeurd, zij het tamelijk primitief: de witte email is zo dik en stroperig dat de details van de voorstelling volledig verdwenen zijn en voor de toefjes zwart geldt hetzelfde. Eigenlijk verbergt het glazuur het pikante van de naakte vrouw, dat de roker juist graag zou willen zien.

Collectienummer APM 20.411


Een sigarenhouder van hardrubber
december 2010

In de tweede helft van de negentiende eeuw wordt caoutchouc ofwel hardrubber in de pijpenindustrie populair. Behalve voor mondstukken wordt het ook voor complete sigarenhouders gebruikt. Dat kan gebeuren omdat het laatste stukje van de sigarenpeuk zo verzadigd is van teer en nicotine dat dit toch nooit volledig wordt opgerookt. Hierdoor komt de sigarenhouder zelf niet met vuur in aanraking en dat mag ook niet want pararubber is brandbaar. Vat het vlam dan geeft het een hele vieze vettige rook af. Het ontwerp van deze houder is ontleend aan de populaire meerschuim sigarenhouder, de hoornvormige pijp waarin de sigaar wordt gestoken, op de steel in hoogreliëf versierd met een galopperend paard. Voor dit artikel werd dus niet gekozen voor iets origineels, maar juist het meest clichématige. Paarden in draf zijn nu eenmaal het meest gemaakt. De productie van pararubber pijpen vond zowel in Frankrijk plaats met Saint-Claude als voornaamste stad, als in Duitsland, waar Ruhla de belangrijkste plaats is. Het toeschrijven van deze pijpen aan een specifieke maker is buitengewoon lastig.

Collectienummer APM 20.378


Exclusief steen met een gecompliceerd roer
november 2010

Met zijn aantrekkelijke stenen pijpenkop straalt deze bijzondere tabakspijp alleszins luxe uit, behalve voor wie louter oog heeft voor rookcomfort. Natuursteen is namelijk niet het beste materiaal om rookpijpen van te maken. Het neemt de warmte slecht op en van vochtabsorptie is al helemaal geen sprake. Daarnaast heeft steen een groot gewicht zodat het tussen de tanden roken van een pijp van steen er niet bij is. Gelukkig compenseert de uitvoering van deze pijp deze gebruiksonvriendelijke eigenschappen. Het steen is prachtig gepolijst en de ketelopening is van een sierlijk klepdekseltje voorzien. Vooral bijzonder is het roer dat begint met een bolvormige zilveren vochtsluis, die als lekbakje fungeert en het nicotinesap en condens opneemt. Vervolgens is de steel zelf van dierenbot gemaakt dat wel enige porositeit heeft zodat het laatste vocht daarin wordt opgenomen. Adembenemend is de montage van het roer dat op een aantrekkelijke wijze in zilver gevat is, waarbij langs de steel nog een pijpenwroeter in de vorm van een zwaard is toegevoegd. Het korte mondstukje is van donkere buffelhoorn. De vorm van de pijpenkop is natuurlijk ontleend aan de Duitse stummel die weer teruggrijpt op de Goudse kleipijp. Zo werd een vertrouwde vorm gekozen voor een product met een uitzonderlijk chique uitstraling.

Collectienummer APM 20.368


Kunststof met meerschuim binnenketel
oktober 2010

In de jaren 1960 ontwikkelde de firma Hilson uit Brée in België de Hilson Fantasia, een pijp met een flitsend uiterlijk. De buitenzijde van ketel en tige waren van gegoten plastic, in veel gevallen in prachtige marmerkleuren, in andere gevallen effen. Omdat kunststof niet poreus is en bovendien brandbaar kan een tabakspijp van dat materiaal alleen functioneel zijn met een onbrandbare binnenketel. Die werd gevonden door een van meerschuimgruis geperste binnenkeel aan te brengen. Het roer van de pijp is van het gebruikelijke zwarte hardrubber gemaakt. Hoe vernieuwend deze pijp ook was, hij sluit aan bij andere kunststof pijpen uit die periode, zoals The Pipe, een Engels initiatief door Falcon voor een gegoten pijp. De roker was echter niet razend enthousiast over de Fantasia. Een beetje begrijpelijk wel want het rubberen mondstuk bleek breekbaarder dan doorgaans, terwijl de absorptie van de semimeerschuim binnenketel onder maat was. Zo werd de fantasia een kortstondige mode en geen blijvertje.

Collectienummer APM 20.336


Tabakspijp met kubieke vormen
september 2010

Kongo is het land met de meest uiteenlopende uitingen aan tabakspijpen. Het hierbij afgebeelde stuk is een mooi voorbeeld van een houten pijp met zo'n onverwachte ontwerp. De ketel heeft een perfecte geometrische vorm die we gerust kubistisch avant la lettre zouden kunnen noemen. De ketel is vierkant en rust op een vlak rechthoekig platvorm, dat langs de zijkanten ingesnoerde lijnen vertoont. Langs de randen van de ketel en steel zijn eenvoudige lijnen ingekerfd, soms parallel aan de hoofdvorm, soms als arceringen in een bepaalde hoek daarop staande. De steel tenslotte gaat halverwege na enkele geometrische insnoeringen zoals een kegel, bal en cilinder over in een ijzeren roer waardoor de pijproker zijn rook aanzuigt. Ondanks de ongewone vorm laat deze pijp zich niet plaatsen in een bepaalde cultuur of stam, daarvoor vertoont het te weinig specifieke kenmerken. Wel is sprake van een prachtig stuk met een aantrekkelijke leeftijd en een zeer verzorgde afwerking.

Collectienummer APM 20.306


Tafelpijp in de vorm van een vogelkop
augustus 2010

Prachtig is deze pijpenkop die de vorm heeft van een adelaarskop en die is uitgevoerd in drie materialen. De basis of sokkel is de kroon van een hertengewei, waarvan het korrelige oppervlak naast een exotische zweem ook een voetstuk aan het voorwerp geeft. De eigenlijke pijpenkop is van een harde donkerbruine tropische houtsoort gemaakt. Het snijwerk vertoont kenmerken van de art deco. Prachtig is de toevoeging van een ivoren snavel, die samen met de glazen ogen een levensecht accent aan dit voorwerp geeft. De pijp kan gerookt worden door deze op een tafel neer te zetten en het mondstuk aan de flexibele slang tussen de lippen te plaatsen. Onbekend is waar dit artistieke voorwerp tot stand is gekomen, dat kan overal zijn maar in ieder geval wel op een plaats waar men over een grote handvaardigheid beschikte.

Collectienummer APM 20.327


Snobbish smoke set
juli 2010

De Japanse roker drukt met zijn rookgerei zijn status uit, dat is geen onverwacht gegeven. Deze rookset bekleedt daarin een heel specifieke rol. Zij bestaat uit een leren pijpenfoedraal en een leren tabakstas zij het van een geweldig groot formaat. Op de tabakstas is vooral de slotplaat opvallend, waar op een zilveren plaat een zilveren karakter gemonteerd is, de buitenrand is in messing uitgevoerd. Beide voorwerpen worden met zilveren kettingen verbonden aan een grote ivoren gordelknoop in twee delen, die tussen de ceintuur wordt geklemd. Qua status straalt dit voorwerp dat van een patserige koeienverkoper uit, een artikel zonder enige verfijning dat eigenlijk alleen maar opvallend is. Toch is juist dat gegeven bijzonder in de Japanse cultuur waarin verfijning zo'n hoog aanzien heeft. Voor de bijbehorende pijp geldt eigenlijk hetzelfde. Ook die is groot en grof en heeft een krachtige recht toe recht aan vorm. Wel is deze voorzien van een zilveren pijpenkop die qua tint mooi contrasteert met het ijzer van de rest van de pijp. Het bamboe tussenstuk laat bij de ketel zien hoe de knoesten hiervan werden verwijderd om een mooie rechte steel te krijgen. Of die gekapte zone bewust zo zichtbaar is gehouden of niet, is onduidelijk.

Collectienummer APM 20.219


Een primitieve elleboogpijp
juni 2010

Naast gekunstelde tabakspijpen met een bijzondere vormgeving of artistiek snijwerk bestaat er rookgerei dat strak en eenvoudig is. Van dit laatste is deze pijp een prachtig voorbeeld. Aan een wijde steel van bamboe is met behulp van een lapje leer een eenvoudige aardewerken pijpenkop bevestigd. Zo is een grote, robuuste pijp verkregen met een silhouet vergelijkbaar met de vroege elleboogpijpen maar dan veel explicieter. De enige decoratie aan de pijp is een van tenen gevlochten bandje dat bij het mondstuk is aangebracht. Goed strak gevlochten kan dat het splijten van het bamboe voorkomen. Het mondstuk met een grote diameter was overigens bedoeld om tegen de lippen te houden, dit in tegenstelling tot dat van de Europese pijpen waar het mondstuk tussen de tanden geplaatst wordt. Deze tabakspijp is geen product van grote schoonheid, maar wel een functioneel rookinstrument ontstaan in een cultuur waar show of geen groot belang genoot.

Collectienummer APM 20.217


Vroege pijp met extreme gebruikssporen
mei 2010

Om twee redenen is deze Japanse kiseru interessant. Ten eerste getuigt het model van een vroeg voorbeeld. Er is sprake van een all metal pijp, waarbij de steel van messing is en een forse diameter heeft, aan weerzijden zijn daar de pijpenkop en het mondstuk, beide in koper uitgevoerd. De komvormige ketel en de specifieke aanzet aan de steel, maar ook het verdunde cilindrische mondstuk zijn kenmerkend voor de vroege kiseru. Een ander opmerkelijk kenmerk is dat de pijp lange tijd intensief is gebruikt en bij Japanse pijpen betekent dat gebruiksslijtage. De pijpen worden na het roken namelijk uitgeslagen op de rand van een metalen komfoor of asbak. Door dit jarenlang te doen vervormt de steel door de honderden minimale deukjes en dat heeft hier een wonderlijke silhouet aan de pijp gegeven. Hier is dus geen sprake van een luxe show-off kiseru, maar een eerlijk gebruiksvoorwerp dat door intensief roken zo zijn sporen heeft gekregen. Het zijn de kiseru's waarnaar de collectioneur doorgaans niet op zoek is, maar die wel een goed beeld geven van het gebruik van deze pijpen in de Japanse cultuur.

Collectienummer APM 20.227


Een duivelskop uit coquianoot
april 2010

Deze opmerkelijke pijpenkop is gemaakt van de exotische noot van de coquia. Het is een knap stukje vakmanschap dat is opgebouwd uit verschillende onderdelen. Het meest in het oog springend is de pijpenkop, gesneden in de vorm van een gefantaseerde duivelskop. Vooral opvallend zijn de grote duivelsoren, maar ook de verfijnde trekken in het gelaat, de snor en lange sik en zelfs het haar in een scheiding midden op het hoofd past in die sfeer. Aan de onderzijde is een soort hielvorm gemaakt met een geometrische versiering, de bovenzijde wordt afgesloten met een dekseltje, bekroond door een knopje dat gefigureerde is met een zittende beer. De steelaanzet vertoont bladmotieven. Snijders van cocuianoot kennen we als zeer vakbekwame lieden die naast een grote fantasie ook een goed ontwikkeld gevoel voor vorm, verhouding en decor hadden. Daarvan is deze originele pijpenkop een mooi voorbeeld. Over de productieplaatsen van deze pijpen tasten we nog in het duister. Het lijkt het meest waarschijnlijk dat de verse noten mee naar Frankrijk kwamen en daar tot voorwerpen verwerkt zijn. De grote variatie in soorten objecten, motieven en de verfijnde uitwerking maakt het bijna onmogelijk dat van een productie in den vreemde sprake was.

Collectienummer APM 20.210


Pijp en toebehoren van Bjarne
maart 2010

In 1973 stichtte Bjarne Nielsen, die tot dat moment op het Deense ministerie van buitenlandse zaken werkte, een eigen pijpenmakerij. Bjarne was al vanaf zijn zestiende pijproker en wilde zich liever aan het edele ambacht wijden dan zijn kantoorbaan te vervolgen. Hij richtte zich op pijpmodellen die in de Verenigde Staten populair waren, zoals freehands en grote modellen. Deze pijp is een voorbeeld van zo'n freehand met een prachtige straight grain nervatuur. Het model is licht van gewicht en buitengewoon handzaam. De luxe van dit product wordt onderstreept doordat de maker bij deze pijp een eveneens handgemaakte pijpenstandaard leverde waarin ook plaats is voor een bruyèrehouten pijpenstopper. In die standaard komt zowel de fleuron van de bruyère als de bijzonderheid van de langse nervatuur tot uiting en om de set te vervolmaken is aan de onderzijde een chique plint van caoutchouc aangebracht, een herhaling van het caoutchouc pijpenroer dat zo expliciet uitsteekt. Voorwerpen als deze waren op de Nederlandse markt nauwelijks te krijgen. De Hollandse roker heeft te weinig gevoel voor pijpontwerpen en wil bovendien vooral niet te veel geld aan zijn pijp besteden. Niet verwonderlijk dat dit exemplaar, afkomstig van een Nederlandse roker, in Interlaken werd aangeschaft. Een serieuze aankoop, want indertijd werd daarvoor nog net geen vijfhonderd gulden betaald.

Collectienummer APM 20.132


Een vroege gezichtpijp
februari 2010

Bij de Graslanders van Kameroen is het tabakroken nog niet zo lang bekend. Vermoedelijk werd het er pas aan het begin van de negentiende eeuw geïntroduceerd. Pijpen uit die streek zijn dus zelden meer dan twee eeuwen oud. Toch ziet deze gezichtpijpenkop er eeuwenoud uit en dat komt doordat het een opgegraven stuk betreft. Dat de tand des tijds vrij spel had is vooral te wijten aan de zachtgebakken keramiek waarvan deze pijpenkoppen gemaakt zijn. In de grond raakt het oppervlak snel aangetast en wekt daardoor de indruk van een veel grotere ouderdom te zijn. Dat is misleidend want voor de productie van dergelijke portretpijpen met volwassen stijlkenmerken moest een nijverheid zeker een generatie bestaan. Hoe dan ook, deze kop is een prachtig vroeg stuk met volwassen stijlkenmerken die aansluit bij de Bamum. Karakteristiek zijn de ronde ogen met de cirkelvormige pupillen, het reliëfwerk in het gelaat, de kleine maansikkelvormige oren en de specifieke mond. Tussen de ketel en het steeleind is een bandje van ceramiek aangebracht, dat doorboord is en dient om met een bordkoordje aan het pijpenroer te bevestigen. Vanwege de zachte ceramiek zijn weinig van dergelijke vroege stukken bewaard gebleven maar dankzij de sterke traditie in het pijpenmaken zijn veel stijlen later nog eindeloos herhaald. Deze pijp is het bewijs van de oervorm van veel van deze koppen.

Collectienummer APM 20.124


Pijpenhouder uit een serie
januari 2010

In Japan wordt de tabakspijp, de kiseru opgeborgen in een etui, de zogenaamde kiseruzutsu. Daarvoor worden naast hout vaak been of hertshoorn gebruikt. Dit exemplaar is van been gemaakt en bestaat uit twee in elkaar schuivende hulzen, waarvan de buitenzijde uitgebreid versierd is. De voorstelling toont een strijder in historische dracht met voor hem, in het water een tweede figuur, een vis op het hoofd. Verder zien we rotsen, bloeiende bloemen en een boomstam. In het dekseldeel komt een deel van de hoofdvoorstelling terug. Helaas ontgaat ons de boodschap die in deze uitbeelding besloten ligt. Het snijwerk is wat krasserig uitgevoerd en is vervolgens met zwarte verfstof ingewreven. Van artistiek werk is geen sprake, het is meer de curiositeit die opvalt. Interessant is echter dat van deze pijpenhouder een serie van zes exemplaren bestaat die sterk vergelijkbaar zijn maar alle verschillend. De set werd in 1888 door het Rijksmuseum voor Volkenkunde van een Leidse handelaar gekocht. Het gegeven dat de aankoop toen reeds plaatsvond is buitengewoon onverwacht. De kiseruzutsu kreeg in Japan een grote verfijning en deze stukken zou je op het eerste gezicht als twintigste eeuwse souvenirstukken bestempelen. Zij bewijzen echter dat dat dus anders ligt. De reden voor het Rijksmuseum voor Volkenkunde deze objecten kortgeleden te ontzamelen ligt in hun verzameldoelstelling besloten. Voor het Pijpenkabinet vervullen zij een rol in de variatie aan kiseruzutsus die er gemaakt zijn al behoren zij door hun gebrek aan artisticiteit zeker niet tot de mooiste voorbeelden.

Collectienummer APM 20.088e


Trechtervormige pijpenkop uit Nigeria
december 2009

Deze grote, welgevormde pijpenkop doet sterk denken aan de trechterbekers uit de prehistorische culturen in Nederland. Dat kan niet waar zijn want het gaat om een in Nigeria opgegraven pijpenkop met toevallig overeenkomstige kenmerken. Opvallend hier is de prachtige bekervorm van de pijpenkop geplaatst op een conische voet met op de scheiding van beide onderdelen een korte opgaande steel met manchet. Kenmerken overigens die we ook in de buurlanden in West-Afrika bij tabakspijpen wel tegenkomen, al is de uitwerking hier meer stereotiep en buitengewoon vakbekwaam. Prachtig aan dit voorwerp is de ragfijne ketelversiering van concentrische lijnen aan de onderzijde onderbroken door een zigzag band. Door hun voorkomen wekken deze royale pijpenkoppen de indruk dat we met prehistorisch Afrikaans rookgerei van doen hebben en dat is natuurlijk een sensationele gedachte. Als we echter bedenken dat het roken in Nigeria via de Europeanen bekend werd, zouden we eerder pijpen met een kleine kop verwachten, hier gaat het om reuzenkoppen met een hoogte van tot wel tien centimeter. Helaas zal voorlopig het verhaal achter deze voorwerpen in nevelen gehuld blijven, de materiële voorbeelden dragen in ieder geval bij tot het inzicht in het rookgerei in vreemde streken. Toekomstige opgravingen in de streek zullen de achtergrondinformatie hopelijk tevoorschijn brengen.

Collectienummer APM 20.089


Een gouden dukaat in het deksel
november 2009

Bij veel tabakspijpen is het deksel een status op zich. Dat geldt zeker voor deze pijp, gemaakt van meerschuim met een ingesnoerde meerkante ketel en afgeplatte onderzijde. Aan de zilvermontage in het deksel is namelijk een historische dukaat uit het jaar 1803 toegevoegd. Een wonderijke curiositeit die ongetwijfeld een liefde van de toenmalige eigenaar verbergt. Helaas, speculaties over deze dukaat zijn er te over maar geven weinig bewijs waarom deze montage zo gemaakt is. Dat deze pijp in de Engelse antiekhandel aangetroffen is, wijst niet op iets. Overigens is er nog een tweede kenmerk dat tabakspijp bijzonder maakt en dat is de originele montage met een flexibel roer. Gebruikelijk is een stevig roer met voor het comfort een flexibele zone aan het eind om het mondstuk schokvrij tussen de lippen te kunnen houden. Hier is heel onverwacht een volledig flexibel roer toegepast. Dat lijkt handig, maar het gebrek aan stevigheid tussen de pijpenkop en mondstuk maakt dat deze pijp toch wat onwennig in de hand ligt. Bovendien als het mondstuk op een onbewaakt moment tussen je tanden uitvalt kun je er niet naar happen. Deze montering is dus eerder een curieuze uitzondering dan een geslaagde inventie.

Collectienummer APM 20.087


Tabaksstempel met historie
oktober 2009

Voor het innen van belastingen op bepaalde diensten en goederen werd door de Franse koning een contract gesloten met particuliere belastinggaarders. Zij betaalden de staat vooraf een geschat bedrag aan belasting, dat ze vervolgens gedurende het jaar terugverdienden door het heffen van imposten en rechten. Een van de belangrijkste Koninklijke monopolies was die op tabak, genaamd "Ferme du Tabac". Daarmee was al in 1674 begonnen. Onder koning Lodewijk XV wordt dit systeem vereenvoudigd door verschillende van deze contracten onder te brengen in één wat heet Ferme Général. Het afgebeelde lakstempel is gebruikt door het hoofdkantoor. Centraal zien we het Franse wapen met schild met drie lelies. Langs de rand lezen we "FERME GENERALE DV TABAC L.XV". Bijzonder is dat dit een van de officiële stempels van de tabaksregie is. Het stempel werd gebruikt onder koning Lodewijk XV en is scherp te dateren tussen 1726 en 1732. Het lakstempel is een uniek voorwerp dat buiten de Franse staatsarchieven of staatsmusea nooit voorkomt. Het is als teken van de officiële belastingdienst van het Ancien Régime generaties lang bewaard in overheidsbezit. Later werd het tentoongesteld in het Parijse tabaksmuseum en vandaar ging het over naar onze collectie.

Collectienummer APM 20.063


Roken uit het hoofd van een non
september 2009

Ongebruikelijk is het voorkomen van deze kloeke portretpijp van meerschuim. Ten eerste gaat het om een recht model pijp met lange tige en kort barnstenen mondstuk. Dat is geen gebruikelijke vorm want vrijwel alle tabakspijpen van meerschuim werden in die tijd met gebogen roeren gemaakt. Die gebogen vorm zegt vooral iets over de vriendelijke sfeer die de roker indertijd met zijn pijp wilde uitdragen. Dit rechte model staat in het silhouet van de roker veel strenger en explicieter. Daarnaast is bij deze pijp sprake van een ongebruikelijke voorstelling. Afgebeeld is een non met een vriendelijk en vroom gezicht en een prachtige gevouwen kap op het hoofd. Om haar hals hangt een kruis. De voorstelling is sereen van uitstraling en dat is gepast voor een non, maar tegelijk is het ook een kloeke pijp met een heel dominante voorstelling. Mogelijk is hier vanwege de vorm van de pijp en de uitwerking van het snijwerk sprake van een pijp gemaakt in een Frans atelier. Een vraag die we wellicht ooit met zekerheid kunnen beantwoorden, als meer onderzoek naar de lokale pijpenmakers verricht is.

Collectienummer APM 19.903


Met de goden aan tafel
augustus 2009

Deze prachtige bronzen plaquette wekt alleszins de indruk zestiende eeuws te zijn. Toch kan dat niet waar zijn want de personen die rond deze tafel gezeten zijn roken allen uit een lange pijp. Wat is het geval. Het gaat om een inspiratie op een bronzen plaquette van Guglielmo della Porta die rond 1555 diverse mythologische voorstellingen uitvoerde en dat in een zuivere renaissance stijl deed. Onze kunstenaar baseerde deze voorstelling daarop, met dien verstande dat hij het onderwerp veranderde en van een feestmaal een rookbijeenkomst maakte. Op de tafel legde hij een bundel vuur en hij voorzag alle personen van een tabakspijp. Wat hij met deze ode aan het roken bedoeld heeft is helaas niet duidelijk. Zeker is wel dat het om een zeer vroege uitbeelding van een rookgezelschap gaat, mogelijk al van voor 1620 en dat maakt deze plaquette juist zo bijzonder. Dat het reproductieve kunst betreft doet natuurlijk wel aan het artistieke niveau van dit zogenaamde kunstwerk af maar de vroege datering maakt deze plaquette voor een pijpenmuseum tot een grote bijzonderheid. Het gaat namelijk om de oudste afbeelding van een rookgezelschap.

Collectienummer APM 19.916


Een amusante cochon
juli 2009

Originele figuurpijpen in bruyèrehout zijn niet zo dik gezaaid. Wanneer de bruyèreindustrie opkomt, is het figurale tijdperk van de tabakspijp grotendeels voorbij. Niet verwonderlijk dat de bruyèremakers zich vooral op vormgeving richten en niet op versiering. Toch komt er in de marge nog een stroom aan curiositeiten tot stand, vooral met een marktaanvullende rol. Dit amusante staande varken is daarvan een prachtig voorbeeld. Heel pontificaal staat het met de poten op de grond en huisvest een tabaksketel in de rug. Net onder de staart is een caoutchouc roer aangezet dat een lichte knik vertoont. Het feit dat met een stempel de tekst "MODELE DEPOSE" staat ingedrukt geeft aan dat de maker van het ontwerp nogal wat omzet verwachtte. Het is echter de vraag of die omzet gerealiseerd is. Dit pijpmodel komt maar zelden voor.

Collectienummer APM 19.840


Tekening op een historische drager
juni 2009

Beeldend kunstenaar en begaafde tekenaar Rodrigo Luff uit Sydney bezocht in 2009 Amsterdam en liet zich inspireren door de Hollandse schilderkunst. Gewapend met zijn schetsboek kopieerde hij oude meesters in het Rijksmuseum en baseerde zijn eigen inspiratie op historische composities. Zijn fijngevoelige miniatuurtekeningen vol van expressie waren reden om hem uit te nodigen dergelijke schetsen op een Hollandse pijpenkop te maken. Dat dat uitgerekend gebeurde op een pijpenkop gevonden in de beerput van het Rembrandthuis maakte de combinatie tussen oude kunst en nieuwe interpretaties alleen maar aardiger. Flitsend snel produceerde Luff een miniatuurkunstwerkje met drie portretten in de lijnvoering van Rembrandt maar vanuit de hedendaagse inspiratie. Zijn schepping legt een link tussen de eenvoudige schetsjes die we soms op historische pijpenkoppen vinden en door een roker snel getekend werden en echte kunstwerken met een fijngevoelige pen gemaakt zoals Luff zelf produceert maar die uiteraard ook door andere kunstenaars gemaakt worden.

Collectienummer APM 20.080


Gelegenheidscassette
mei 2009

Het anderhalve eeuwfeest van de chique pijpenfabriek Comoy is aanleiding deze opmerkelijke cassette uit te brengen. In een houten met leer beklede showdoos treffen we zes tabakspijpen van bruyère aan, allemaal van het beproefde klassieke model. Vooral bijzonder is dat zij niet met een zilveren maar met een achttien karaats gouden bandje zijn gemonteerd en dat onderstreept dat er van een speciale editie sprake is. Van de zes pijpen hebben er vijf een recht model, alleen de bovenste is gebogen. Daarmee reflecteren zij het modegevoel van de pijproker uit de jaren 1970, die een grote voorkeur voor rechte modellen had, zeker wanneer hij klassieke Engelse pijpen koos. Natuurlijk was het zesde model voor de variatie bedoeld, op zeg maar minder formele momenten. Van deze luxe cassette werden 150 exemplaren gemaakt, zeg maar voor ieder jaar van bestaan van de fabriek één. De showdoos is bedoeld voor de exclusieve klant die in staat is zijn pijpen per half dozijn te kopen. Voor die tijd misschien meer gebruikelijk dan tegenwoordig, maar toch alleen iets voor de welgestelde pijproker. De winkelier die indertijd zo'n cassette aanschafte en er geen klant voor kon vinden, kon de pijpen altijd nog los verkopen. Na een paar klanten zag de half lege doos er niet meer uit en zal naar de zolder zijn verdwenen. Het is nog een open vraag hoeveel van deze showdozen er tegenwoordig nog compleet bewaard zijn en hoeveel daarvan nog pijpen in ongerookte toestand bevatten.

Collectienummer APM 19.721


Portretkop uit Ruhla
april 2009

Nog niet zo lang geleden was van deze felgekleurde pijpenkoppen volstrekt onbekend waar zij vandaan kwamen. Dat gebrek aan kennis werd onderstreept door de aanduiding terra incognita te gebruiken, waarmee niet alleen om de onbekende herkomst maar ook om het onbekende van het materiaal werd geduid. Inmiddels weten wij het materiaal indertijd met siderolith werd aangeduid en dat dergelijke pijpen vooral in Ruhla, in het Duitse Thüringen gemaakt zijn. Het moet om een aanzienlijke productie gaan, die in de stroom van meerschuim en imitatiemeerschuim geboren werd. Bijzonder aan deze pijpen is hun holwandigheid, die er voor zorgt dat tussen de binnen- en buitenketel de rook gekoeld wordt. De uitbeeldingen in deze pijpen zijn overwegend kopieën van pijpen uit Franse fabrieken. Het afgebeelde portret stelt bijvoorbeeld Mehmet Ali voor, koning van Egypte en is afgekeken van een ontwerp van Louis Fiolet uit Saint-Omer. De firma Gambier verzorgde wat later overigens een sterk vergelijkbaar ontwerp dat onder de benaming Omer Pacha werd gebracht. Bij deze Duitse varianten wordt de omvang van de fabrieken ondermeer bewezen door het gestempelde modelnummer, voor deze pijpenkop is dat model 151. Voor de sterke rode lak kunnen wij nog altijd bewondering hebben omdat zij behoorlijk slijtvast is.

Collectienummer APM 19.719


Een kalebaspijp met een bruyere ketelinzet
maart 2009

Algemeen wordt aangenomen dat Sherlock Holmes uit een kalebaspijp gerookt zou hebben. Deze specifieke soort pijp kenmerkt zich door een elegante trechtervormige pijpenkop gemaakt uit de kalebasvrucht. Om mooiere pijpmodellen te verkrijgen groeiden deze vruchten vaak in een houten mal. Aan de open bovenzijde wordt later een ketelinzet van meerschuim geplaatst. Het roer was oorspronkelijk van barnsteen, bevestigd met een verstevigingsbandje van metaal. De pijp liep in een vloeiende lijn over in de steel en juist die lijn maakte de kalebaspijp zo populair. Comfort van de pijp was dat de meerschuim ketelinzet het vocht absorbeerde, terwijl in de vrucht in de royale tussenruimte de rook bleef staan en koelde. Ook daar kon nog vocht neerslaan. Wat de hierbij afgebeelde kalebaspijp zo bijzonder maakt is dat hier een inzet van bruyèrehout is toegepast, die weer met een dun laagje meerschuim bekleedt is. Dankzij de zilvermerken op het busje in de steel weten we dat de pijp in 1912 in Birmingham gekeurd is. Daarmee stamt de pijp uit de bloeitijd van de kalebas. Na de Tweede Wereldoorlog wordt de kalebaspijp lichter en goedkoper, dan is het ook niet langer gebruikelijk om een echt barnstenen mondstuk te gebruiken. Een verarming dus in het product, maar at is een kenmerk voor veel voorwerpen.

Collectienummer APM 19.516


Vrouwelijk naakt onder de maan
februari 2009

Gemaakt van meerschuim is deze sigarenhouder in verschillende opzichten van interesse. Naast een prachtige tint en een goed stukje snijwerk is vooral het onderwerp opmerkelijk. De uitbeelding van naakte vrouwen was populair maar niet altijd onbesproken. Voor de snijders vroeg het behoorlijk wat vakmanschap om tot een aantrekkelijke uitbeelding te komen. Dat aspect is hier overigens goed gelukt. De naakte vrouw is hier samen met de maan afgebeeld en waarschijnlijk refereert die combinatie aan een bekende achttiende eeuwse chanson met als titel Au clair de la lune. Met de uiteindelijke vormgeving heeft de ontwerper overigens aardig moeten stoeien. De staande vrouw en de maan sluiten qua vorm goed op elkaar aan, maar de verbinding van de sigarenhouder naar de steel noodzaakte dat tussen de maan en de vrouw wat meerschuim bleef staan om het rookkanaal te laten doorlopen. Dat heeft in de voorstelling tot een wat onduidelijke zone geleid, bestaande uit een soort boomstam en wat bladwerk die in de voorstelling niet echt functioneel is. De pijp is met barnsteen gemonteerd, een roer dat overigens een tamelijk sterke bocht heeft en de pijp sterk gebogen maakt.

Collectienummer APM 19.498


Queu de Paris
januari 2009

Deze pijp is qua ontwerp een prachtige vinding. De ketel laat een staande vrouw zien, modieus gekleed in een geplooide japon, een doek over de schouders geslagen. De houding van de persoon is die van een oude vrouw die iets gebogen staat en juist dat maakt dat de ketel goed benaderbaar is om tijdens het roken in de pijpenkop te peuren. Passend bij de kleipijp is ook geen hoog-modische kokette weergegeven, dat zou voor een kleipijproker te flamboyant zijn. Juist met de uitbeelding van een oude vrouw is dit meer een pijp voor een bedaagde man op leeftijd. Op de steel draagt het product de naam van de maker, Jean-Jacques Knoedgen in Brée in België. Toch is hij niet de inventor van dit ontwerp. Knoegden kocht de persvorm voor deze pijp van een andere fabrikant, die onder de steeldecoratie zijn fabrieksnaam gegraveerd had. Knoedgen werkte dit opschrift met een eenvoudig reliëfje weg maar wie goed kijkt herkent in deze onbeduidende motiefjes de vorm van een naamschildje. Uit een overgeleverde catalogus weten we dat de firma Gisclon in Lille een dergelijk ontwerp in productie had. Dat zou de herkomst van deze persvorm kunnen zijn. De emailkleuren in geel en roze zijn kenmerkend voor Knoedgen in de vroegere tijd.

Collectienummer APM 19.458


Een figuurpijp voor studenten
december 2008

De bekende Parijse tabakswinkel Au-Caïd lanceerde kort na de Tweede Wereldoorlog pijpen bestemd voor studenten die daarmee een maatschappelijk engagement uitdroegen. Deze portretpijp, gemaakt door de ceramist Jerry, is daarvan een mooi voorbeeld. Gemaakt in een kleine oplage stelt deze het hoofd van Edouard Herriot voor. Herriot was een radicale politicus uit de Derde Republiek die driemaal minister-president is geweest. Bijzonder aan deze pijpenkop is de stilering van het portret, maar ook de vloeiende wijze waarop de ketel in de steel overgaat. Prachtig is ook de fijne terracotta kleur, die als de pijp nieuw is licht van tint is en geleidelijk aan naar donkerbruin kleurt. De ceramist vereeuwigde zich door zijn wat kinderlijke signatuur aan de onderzijde in te krassen. Helaas weten we niets over de oplage, zeker is wel dat deze pijpen maar een paar jaar verkrijgbaar waren. Ruim vijftig jaar na datum hebben zij een grote zeldzaamheid gekregen.

Collectienummer APM 19.448


Egyptisch portret in parian ware
november 2008

Het eerste dat opvalt aan deze manchetpijp is zijn bijzondere kleur. De kop is uitgevoerd in het zogenaamde Parian ware, een porseleinsoort met een biscuitachtig uiterlijk, waarvan men door toevoeging van oxiden de kleur van wit kan veranderen in roze, blauw of groen. Die kleuring is hier buitengewoon knap gedaan, vol van prachtige schakeringen. Uitgebeeld is een fantasiefiguur geïnspireerd op de faraomaskers maar aangepast aan de mode van de dag waarin de art nouveau stijl doorklinkt. Wie een heus historisch portret begeerde, moest zijn toevlucht tot andere pijpontwerpen nemen. Dat knap gespeeld is met de mogelijkheden van dit porselein blijkt ook uit de roze rozet achter het portret. Vervolgens zijn nog enkele lijnen met kleuren aangezet. Porselein is geen aangenaam materiaal om te roken. Niet verwonderlijk dat men ook bij dit product gebruik gemaakt heeft van een holwandig systeem, een tussenruimte tussen de buitenvorm en de binnenketel waar de rook kan koelen. Parian pijpen zijn duidelijk modeartikelen geweest. Zij zijn een korte periode bij flinke aantallen gemaakt en bestaan in een reeks verschillende ontwerpen. Toch zijn het geen blijvertje geweest. Behalve dat zij uit de mode raakten, waren zij voor de meeste rokers te groot van ketel en te opvallend van vorm.

Collectienummer APM 19.417


Een neger die sigaretten rookt
oktober 2008

Deze portretpijp toont een neger met sigaret tussen de lippen. De voorstelling is geïnspireerd op het merk Cigarette Johnson dat in 1914 werd uitgebracht. Het ontwerp is door de beeldhouwer-keramist Rolland Coulon gemaakt, werkzaam in Wasmuel in Belgisch Henegouwen. De neger met hoge hoed is goed getroffen en tamelijk robuust weergegeven, de steelaanzet daarentegen doet met rondgaande ringen juist wat primitief aan. De uitbeelding wint veel doordat het gelaat licht gezwart is, terwijl de ogen een wat blauwachtige invulling kregen. Onder op het borstbeeld plaatste de kunstenaar nog enkele symbolen. We zien een bosje tabaksbladeren en een sigaret, verder een baan met sterren eindigend in een maansikkel. De laatste tekens verwijzen uiteraard naar de oorsprong van de sigarettentabak uit Turkije en Egypte. Onduidelijk over dit voorwerp is of het een opdracht was van het sigarettenmerk of dat het voorwerp op eigen initiatief tot stand kwam en voor de algemene verkoop bestemd was.

Collectienummer APM 19.418


Sigarenhouder als bankschroef
september 2008

De tweede helft van de negentiende eeuw is de tijd dat de meest opmerkelijke sigarenhouders ontstaan. De sigaar is hoog mode en veel pijprokers verlaten hun traditionele pijp en kiezen voor de sigaar. Deze pijp is een heel bijzonder voorbeeld voor een sigarenhouder. Hij ziet er meer uit door een instrumentmaker te zijn gemaakt, dan door een traditionele pijpmaker. Het voorwerp heeft het uiterlijk van een bankschroef en kan ook als zondanig functioneren. Het geheel is bijzonder natuurgetrouw weergegeven, inclusief de veren die de bekken van de schroef open moeten houden. De feitelijke sigarenhouder zit hier geklemd tussen de bekken van de bankschroef, de steelaanzet is op de nok van de zwengel van de schroef aangebracht. Zo is het voorwerp functioneel geworden. Let ook op de staart van de bankschroef, die normaal op de grond staat om op de schroef te kunnen hameren. Hier heeft deze een sierlijke bocht gekregen, natuurlijk om de pijp handzamer te maken. Als materiaal is witmetaal gebruikt, een legering tussen ijzer, nikkel en misschien zink. Onduidelijk is waar een dergelijk voorwerp gemaakt is, maar het meest waarschijnlijk kwam het bij een instrumentmaker tot stand, die tevens een fanatiek roker was en aan het maken ervan veel plezier beleefd heeft.

Collectienummer APM 19.263


Een bronzen pijp uit Noord-Holland
augustus 2008

Naar de kleipijp is de afgelopen decennia veel onderzoek verricht. Daardoor zijn wij nu in staat kleipijpen goed te duiden en scherp te dateren. Anders ligt dat met alternatieve materialen die natuurlijk evengoed als rookgerei gebruikt zijn. Metaal is daarbij een onderbelichte groep. Daarom is de ontdekking van deze bronzen pijpenkop van belang. Het voorwerp vertoont alle kenmerken van de kleipijp en kunnen we daarom betrekkelijk scherp dateren in de jaren 1620. De maker is bij de productie van deze pijp uitgegaan van een kleipijp, mogelijk zelfs goot hij een bestaand model af. Om zo dicht mogelijk bij het voorbeeld te blijven, bracht hij zelfs een filtradering aan en ook een makersmerk op de hiel. Daar zien we een rooster van ingevijlde lijnen. Het gaat bij dit product overigens niet om een afgebroken pijp, maar om een compleet voorwerp dat met behulp van een separate steel van hout of een ander materiaal gerookt is. Dat voorkwam transport van warmte en gaf nog een onverwachte uitstraling aan de pijp. Verder moeten we ons bedenken dat het voorwerp toen het nog nieuw was glansde tussen messing en goud, tegenwoordig is dit geoxideerd en is de kleur groen geworden.

Collectienummer APM 19.265


Een onverwachte afbeelding van de duivel
juli 2008

De firma Louis Fiolet in Saint-Omer was een meester in het figureren van pijpen en veel producten uit diens fabriek hebben een grote mate van originaliteit. Dat geldt ook voor deze figuurpijp waarvan de pijpenkop een duivel laat zien. Maar geen gewone duivel, waarvan alleen het portret in de pijpenkop is uitgebeeld. Hier is sprake van een zittende figuur, van voren uitgebeeld en weergegeven met een lange staf en een tekstvaan die over zijn linker schouder te zien is. De voorstelling is op twee manieren afgewerkt. Ten eerste is een roodbakkende engobe gebruikt om het gelaat en het naakte lichaam van de duivel tint te geven. Daarnaast is emailverf in roze, wit en zwart aangebracht die het uiterlijk van de pijp vrolijker maken. Een aardig tijdsdocument is het etiket op de steel, waarop "France" gedrukt staat. Die strookjes waren verplicht voor goederen die naar de Verenigde Staten werden getransporteerd. Zij wijzen op een datering rond 1890 en werden onder het steelstempel geplakt om het merk te completeren. Snel daarop werd het land van herkomst in de steelintaglio opgenomen.

Collectienummer APM 19.273


Molen, boerderij en berg
juni 2008

Toen tijdens de Eerste Wereldoorlog een rubberschaarste ontstond, raakten de Goudse pijpenfabrieken in de problemen. Hun succesvolle doorrokers werden met een caoutchouc steel verkocht maar door gebrek aan roeren liep men orders mis. In die periode werden de doorrokers veranderd en kregen een steel van klei. Een eenvoudige oplossing maar geen gelukkige. Het geglazuurde steeleind was niet comfortabel tussen de tanden, het was te glad en te hard. Niet verwonderlijk dat deze pijpen dus maar een korte periode geleverd zijn. Toen de oorlog voorbij was verdwenen ze even snel als ze gekomen waren. Deze pijp is daarvan zo'n voorbeeld maar het is ook nog een voorbeeld voor iets anders. Op de ketel laat het een schildering zien van een landschapje met molen, boerderij en hooiberg. Een plaatje meer voor de toerist dan voor de Nederlander en daarom nooit hoog aangeslagen. Dat is onterecht. Wie deze pijpen goed bekijkt, ziet hoe knap de schilders van dergelijke plaatjes waren. In een beperkte kleurenpalet en met een minimum aan lijnen suggereerden zij het complete landschap, in dit geval zelfs een winterlandschap. Van een plateelschilder vragen zij meer dan een beetje vakmanschap.

Collectienummer APM 19.149


Bruidegomspijp in wandkastje
mei 2008

De gewoonte van het aanbieden van een bruidegomspijp tijdens de huwelijksdag was vooral op het platteland een belangrijk evenement. Op het feest dat volgde na het officiële trouwen boden vrienden van de bruidegom een mooi opgestrikte pijp aan. Die werd tijdens het feest voor het eerst gerookt. Na het huwelijk bestelde men bij de timmerman een kastje dat in de mooie kamer te pronk werd gehangen als herinnering aan de heugelijke dag. Het was vaak gebruikelijk dat de pijp op de verjaardag van het huwelijk opnieuw gerookt werd. Dit exemplaar is afkomstig uit de Achterhoek en laat naast de bruidegomspijp ook het bruidsboeket zien. Die gewoonte ontstond aan het eind van de negentiende eeuw en bleef tot ongeveer 1930 in gebruik. In die tijd werden veel kastjes door een timmerfabriek gemaakt en hebben daardoor hetzelfde uiterlijk. Dit kastje is echter een eenling gemaakt door een lokale handwerksman. Aardig is hier het snijwerk op de lijsten waarin de initialen van de echtelieden en het jaar van trouwen vermeld staan. Het jaar van ontstaan stemt overeen met de lichte art deco-kenmerken. Specifiek is hier dat de cijfers en letter zijn ingekerfd en dat gedraaide knoppen zijn aangebracht. Dat zijn de kenmerken van een specifieke timmerman. Dat het ook een volks voorwerp is bewijst de gehoute uitvoering die aan mahoniehout doet denken en geschilderd werd over eenvoudig vurenhout.

Collectienummer APM 19.207


Kikker op een blad
april 2008

Amusant maar ook curieus is deze kleipijp van de firma Gambier. Het is een van de weinige ontwerpen uit die fabriek die een art nouveau trant vertoont en dat is niet verwonderlijk. De moderne stijlen dringen doorgaans niet in de kleipijp door, die toch overwegend bestemd is voor de eenvoudige, meer burgerlijke roker. Met dit ontwerp is Gambier echter alle grenzen te buiten gegaan en bereikte een figuratie zoals die nooit tevoren was verkregen. Een pijp alleen geschikt voor een flamboyante roker die de juiste zwier heeft om zijn omgeving met een extreme rookpijp te verbazen. De steel van deze pijp is een langgerekt blad, de pijpenkop wordt gevormd door een kikker die midden op dat blad zit, terwijl de ketel zelf geplaatst is in een slakkenhuis dat door de kikker op zijn rug gedragen wordt. Het zijn niet de details die de pijp maken, maar juist de wazige wijze waarop de figuren zijn geboetseerd. Ook het fabrieksmerk sluit daarbij aan. Anders is ook dat op de steel geen scherpe slagstempels voorkomen met de fabrieksnaam en plaats van herkomst. Alleen is heel subtiel het woord Gambier in schoonschriftletters aan de onderzijde van het blad ingedrukt. Zo systematisch als de fabriek is, werd wel een modelnummer op de steel opgenomen om bestelling te vergemakkelijken.

Collectienummer APM 19.135


De tabaksteelt in Amerongen
maart 2008

Prachtig is deze topografische afbeelding die gemaakt is in de omgeving van Amerongen en de teelt van tabak laat zien. Vooral kenmerkend zijn de hoge schuren, waarin de geoogste tabaksbladeren aan stokken te drogen hingen. Voor een optimaal droogproces waren in de buitenwand van de schuur kleppen aangebracht, die open konden worden gezet om de luchtstroom te intensiveren. Zo stimuleerde men het drogen van de tabaksbladeren. Een heuse tabaksakker is links voor de hoge schuur te zien, waar de planten overzichtelijk in rijen staan. Het gegeven dat de planten daar nog niet erg hoog zijn kan te maken hebben met het feit dat de eigen teelt op de Utrechtse heuvelrug niet zo welig tierde als in de West het geval was. Aandoenlijk Hollands is ook de weg waarlangs de boeren hun karrenvrachten met tabaksbladeren wegbrengen. Kortom, de prent is een instructief plaatje voor een verdwenen cultuur. Graveur is Paulus van Liender, die deze afbeelding in 1759 in de plaat sneed.

Collectienummer APM 19.116


Bloedige jachtscene
februari 2008

Op deze pijp van hout is rondom een prachtige jachtscene aangebracht waarbij een roedel honden met de tong uit de bek een zwijn, een hert en een beer aanvallen. In de steelhoek, altijd een wat lastige plaats voor een decoratie, zien we twee dieren die elkaar in de staart of in de flank bijten. De voorstelling is zeer wervelend rondom de pijpenkop aangebracht maar de charme van het voorwerp wordt vooral bepaald door het fijne snijwerk. Hier is geen sprake van een overgedecoreerd stuk in horror vacuï, maar juist de onversierde achtergrond speelt mee in de kracht van de uitbeelding. Daarnaast is ook de vorm van het pijpmodel volmaakt, dat balanceert tussen een zakvorm en de hogere Hongaar. Van dergelijke pijpen is het moeilijk de herkomst te achterhalen, maar als de steel met het zilverbeslag bij dit voorwerp hoort moet de stad Ulm de plaats van vervaardiging zijn.

Collectienummer APM 19.092


Napoleon te paard
januari 2008

Tabakspijpen met een aan Napoleon gerelateerde voorstelling zijn bij duizenden gemaakt. Napoleon sprak tot de verbeelding van de Fransen, maar ook in Duitsland genoot hij groot aanzien. Deze hoge zogenaamde Hongaarse pijpenkop toont aan de voorzijde een heldhaftige Napoleon te paard, het zwaard opgeheven. Geen voorstelling die op een bepaalde slag duidt, maar een algemene heroïsche uitbeelding. De datering van deze pijp ontlenen we niet aan de hoofdvoorstelling maar aan de zijkant van de steel, waar wat ornamentwerk met voluten in Lodewijk XVI-stijl zijn aangebracht en dat wijst op de jaren 1840. Het zilvermerk in de montage stemt daarmee ook overeen, compleet met een keur voor het jaar 1844. Maker is Heinrich Schilling, een Weense werkplaats voor meerschuimwerk. Zelfs de zilversmid is bij name bekend, ene Gross, een man die zich overigens specialiseerde in pijpenmonturen en dat was in het Wenen van die tijd een lucratieve bezigheid.

Collectienummer APM 19.100


Vrouw met vrouwenspuit
december 2007

Een wonderlijke voorstelling wordt hier getoond. Deze houten pijpenkop stelt een gehurkte vrouw voor, wat simpel weergegeven, zittend op een pispot hanteert zij een vrouwenspuit. Het hoofd van de vrouw fungeert als dekseltje van de pijpenkop en is afneembaar. Let ook op de steel, die bestaat uit een eendenkop, waarvan de snavel in de rug van de vrouw pikt. Duidelijk is sprake van een naïeve uitbeelding in een niet heel soepele stijl gesneden maar daardoor juist buitengewoon aandoenlijk. Zo lijkt het haar in een haarnetje gevangen, dat wonderlijk volks aandoet. Haar kleding is al even eenvoudig en een ketting met als hanger een Christelijk kruis maakt de vrouw tot een gelovige. Het zachte hout is afgewerkt met een lak, plaatselijk zijn kleuraccenten aangebracht. Onder de zoom van de rok is de signatuur S. Sidaine aangebracht in prachtig geletterd rood schoonschrift, eerder een Franse dan een Scandinavische naam. Over de origine van deze merkwaardige pijp is niets bekend. Hoewel uit de antiekhandel in Kopenhagen afkomstig, doet de makersnaam eerder Frans aan, terwijl dergelijke blankhouten pijpen meer kenmerkend zijn voor de zuidelijke Balkanlanden. Kortom, over de herkomst tasten we nog volledig in het duister. Ook is het niet zo goed te begrijpen wie de roker van deze pijp geweest moet zijn.

Collectienummer APM 19.054


Een reclametegel van Gambier
november 2007

In de jaren 1890 werd de fabriek van Gambier uitgebreid met een nieuwe branche. Naast vuurvast aardewerk kwamen wandtegels van geperste klei in productie, aan de zichtzijde voorzien van een decoratie onder glazuur. Het bleek een succesvol artikel waarmee men zo'n twintig jaar een goede omzet behaalde. Niet verwonderlijk dat men voor de werving van deze tegelbranche promotiemateriaal maakte. Een royale roodgeglazuurde tegel gewijd aan de Carreaux Gambier is daarvan het bewijs. Voor de pijpenbranche kwam daarvan een tegenhanger, een groengetinte tegel voorzien van Pipes Gambier met de afbeelding van een rokende man onder een breedgerande hoed, een korte kleipijp in de hand, rustig rookwolken blazend. De voorstelling is in een cirkel geplaatst, de hoeken zijn met eenvoudig lijnenspel ingevuld. Vooral in de letters herkennen we invloeden van de art nouveau. Interessant is ook de achterzijde van de tegel, waar naast een ruwing van blokken en strepen voor een betere hechting in de muur, ook een merkteken is aangebracht. Centraal staat het initiaalmerk JG dat dan nog altijd van belang is, al is hiertussen een stralende zon geplaatst. Dat merkteken werd in die periode ook gebruikt als merk voor houten pijpen. Langs de rand van het merk lezen we de woorden Givet en Paris, respectievelijk de productieplaats en de stad waar het handelskantoor was gevestigd. Onduidelijk aan deze tegel is nog altijd voor wie deze nou precies bedoeld was: een relatiegeschenk voor klanten of een artikel voor de verkoop, al is in dat laatste geval de doelgroep onduidelijk.

Collectienummer APM 19.007


Naampijp voor een Duitse boer
oktober 2007

Deze pijpenkop van porselein behoort qua type tot de zogenaamde zakstummel. Aan de ovaalvormige ketel is een zakvorm vastgegoten waar zich het vocht verzamelt. Dergelijke koppen zijn een variant op de gewone stummel geweest en de bloeiperiode ligt in het midden van de negentiende eeuw. De zakstummel met de tweezijdig afgeschuinde onderzijde is in de jaren 1840 vrij algemeen. Zij zijn op bestelling geschilderd en dragen doorgaans tamelijk elitaire voorstellingen zoals familiewapens of speciale opschriften voor studenten. Deze pijpenkop stamt uit 1862 en is beduidend volkser beschilderd maar is ook voor een nieuwe, lagere doelgroep bestemd. Daarmee duidt zij op het geleidelijk afzakken van de status van dit voorwerp. Hier is sprake van een naampijp opgedragen aan het landleven. We zien een boer achter een ploeg met erachter is een vrouw die zaait. Op de keerzijde staat een niet heel begrijpelijke spreuk over het ploegen. Vanwege het thema zou je de voorstelling kunnen classificeren als een beroepenpijp. De aanleiding deze pijp te maken is niet geheel duidelijk, het kan een jubileum zijn of het bereiken van een bepaalde leeftijd. Soms is zoiets op de kop vermeld, maar in dit geval is dat niet zo.

Collectienummer APM 18.991


Pasja met dekseltje
september 2007

Het ontwerp van deze pijpenkop stamt uit de fabriek van Gambier in Givet. In twee formaten zag zij het licht, een gewone pijpenkop en een groot formaat, de laatste vooral bestemd als presentatiestuk. Beide koppen zijn nagenoeg identiek, al vertoont alleen de grote versie een saterkop met wingerdrank aan de onderzijde van het borstbeeld. De hier afgebeelde rood beschilderde pijpenkop is echter niet door Gambier gemaakt maar kwam uit een concurrerend bedrijf in Ruhla in het Duitse Thüringen. Het gaat niet om een kopie in de zin van een afgietsel maar om een nieuwe modellering waarbij ook enkele details werden veranderd. Hoewel deze kop nagenoeg gelijk is aan de kleine versie van Gambier, is hier wel aan de onderzijde de saterkop van de grote versie aangebracht. Deze portretkop wordt ook omsloten door een wingerdrank al is aan de bovenzijde een wonderlijk groot blad aangebracht dat bij het origineel niet voorkomt. Op de steel is in intaglio het modelnummer 43 ingedrukt. Een variant uit Ruhla die een fractie groter is, draagt modelnummer 172 terwijl in dezelfde plaats ook de grote versie van Gambier werd nagemaakt, zelfs inclusief hun merkstempel JG. Curieus aan de Thüringer versies is dat zij dikwijls verkocht werden voorzien van een aardewerken dekseltje dat met een draadje of kettinkje aan de pijpenkop bevestigd werd. Dat dekseltje was meer curieus dan functioneel, omdat het slecht klemde. Doorgaans sneuvelde zo'n dekseltje al snel.

Collectienummer APM 18.842


Persvorm voor een cafépijp
augustus 2007

De cafépijp is een speciaal model pijp die vooral in Oostenrijk populair werd, maar in het hele Duitstalige gebied veel gerookt is. Kenmerk is een hoge zeskante ketel, veelal versierd met reliëfvoorstellingen gerelateerd aan het caféleven. De afgeknotte steel heeft een manchet waarin een lange kersenhouten steel werd gestoken. Cafépijpen werden standaard in dozen van zes exemplaren verkocht. De gedacht erachter was dat men uit een schone pijpenkop moest roken en deze dus geregeld diende te vervangen. De productie van cafépijpen heeft nooit in Nederland plaatsgevonden, het is vooral een Duitse activiteit. Deze persvorm is bedoeld voor de vervaardiging van dergelijke cafépijpen en stamt dan ook uit een pijpenmakerij uit het Duitse Westerwald. De laatste gebruiker is Theodor Tries uit Baubach, maar daarvoor was er een andere eigenaar getuige de weggeradeerde merken in de steel van de persvorm. Aan de persvorm is het vooral de buitenvorm, de zogenaamde vormkast, die de herkomst verraadt. Goudse persvormen, maar ook Belgische en Franse, vertonen een grotere elegantie in hun buitenvorm. In Duitsland is juist de buitenkant veel zakelijker en robuuster. Vooral de latere vormen zijn geschikt gemaakt om in een semi-machinale productiemachine te klemmen.

Collectienummer APM 18.968


Modieuze steel
juli 2007

Aan deze pijp is vooral de steelvorm curieus. Het gaat om een leespijp met een extra lange steel die in een elegante krul gedraaid is. Verkocht als Lorenzo Postillon wekt deze pijp inderdaad de indruk van een posthoorn. Lorenzo is een Italiaanse fabriek met een eigen ontwerplijn en vooral ook een eigen wijze van afwerken. De pijpen kenmerken zich door iets puurs, zijn vaak wat groter en zwaarder en hun afwerking is doorgaans in mat met een licht oranjebruine tint. Deze pijp voldoet daaraan in alle opzichten al is deze qua vormgeving meer bescheiden dan wat we gewend zijn. Het is een duidelijk modeartikel uit het eind van de jaren 1960. In die tijd werd de leespijp opnieuw onder de aandacht gebracht maar nu als televisiepijp. Het werd een kortstondige gril die bij de pijproker niet echt aansloeg. Dat gold zeker voor de bijzondere steelvormen waarvan dit de meest extreme is, naast een vergelijkbaar model dat rechtop kon staan en een s-vormige steel had. Enkele jaren later sprak de winkelier weer van leespijpen en verdwenen deze tijdgeboden, joyeuze objecten weer. Aardig nog om te weten dat de consumentprijs in die periode tussen de twintig en de dertig gulden lag. Een prijs die bij ons nu een glimlach opwekt.

Collectienummer APM 18.717


Grotesk portret met jachtscene
juni 2007

Deze merkwaardige pijpenkop met een grotesk gezicht is gemaakt van hertengewei ofwel hertshoorn. Dit taaie materiaal is niet gemakkelijk te bewerken, maar bovendien stelt het zijn beperkingen. De schorsachtige buitenzijde vraagt grote inventiviteit van de snijder om die op geschikte wijze in de decoratie te incorporeren. Niet verwonderlijk dat men dat schorsige vroeger weg sneed en men van het kale gewei uitging. In de negentiende eeuw wordt het gewoonte juist de korrelige structuur in de voorstelling op te nemen. Bij deze pijp is dat buitengewoon goed gelukt, al komt het resultaat op ons ook wat bizar over. Aan de voorzijde van de pijpenkop is het gelaat van een mens te zien, de neus en snor vertonen het schors van de aanhechting van het gewei. Aan de keerzijde, gericht naar de roker, zien we een jachtscene met aan de ene zijkant een wild zwijn aangevallen door een jachthond, de andere kant toont twee herten, opnieuw met een jachthond. Tussen de zichtzijde en de kant die de roker ziet bestaat dus een behoorlijk verschil, het bizarre versus de uitbeelding van de spannende momenten van de jacht. Dit contrast rijmt misschien wel met de pijproker, een tikkeltje introvert zijnde die de wereld met zo'n bizar portret op een afstand houd en met zicht op de jachtscene zelf in de sfeer van jacht wil blijven.

Collectienummer APM 18.764


Standaardisatie van de bruyÃÅ¡repijp
mei 2007

Als we over moderne houten pijpen spreken, gemaakt van bruyèrehout, dan lijkt dat een twintigste eeuws product. Wie echter wat meer onderzoek doet komt er achter dat ook in de tweede helft van de negentiende eeuw gigantische aantallen briars de fabrieken in ondermeer Saint-Claude verlieten. Het hierbij geplaatste artefact is een bewijs dat reeds rond het jaar 1900 een geweldig gestandaardiseerde productie van pijpen plaatsvond. Daarbij werd nadat het pijpmodel exact was uitgedacht een vormplaatje van zink gemaakt, dat bij het instellen van de machine diende. Ook tijdens de productie gebruikte men dit als controle om de standaardisatie te waarborgen. Een gedraaide pijp moest exact door het metaal heen gehaald kunnen worden. Om de steeldikte te controleren dienden de twee cirkelvormige gaten. Aan een touwtje geregen zitten twee stadia van de pijp en een plug om zelfs de ketelinhoud te checken. Tenslotte is er een mondstukje van pararubber dat speciaal voor dit model bestemd was. Dankzij een wonderlijk toeval zijn van dergelijke plaatjes verschillende exemplaren bewaard gebleven en krijgen we een beeld van de werkwijze in de fabriek maar ook van de vormontwikkeling binnen de hoge mate van standaardisatie. Het afgebeelde model, voorzien van een hiel en met een Dublin model ketel is van oorsprong een kleimodel dat overigens aan het eind van de negentiende eeuw ook vaak in meerschuim is uitgevoerd. Merkwaardig is dat voorbeelden van dit pijpmodel in bruyère uitgevoerd nauwelijks bewaard zijn gebleven. Zij werden door de rokers letterlijk opgestookt.

Collectienummer APM 18.677


Een bizarre freehand
april 2007

De carrière van Pierre Morel junior uit Saint Claude is even veelzijdig als zijn producten. Morel is zoon van de pijpenmaker Pierre Morel senior. Reeds als jongen van tien jaar assisteerde hij in het atelier van zijn vader, maar vervolgens werkte hij jarenlang afwisselend zelfstandig of in dienst van andere bedrijven. Zo bezocht hij Denmarken en was in dienst bij de firma Larsen. Terug in zijn eigen geboortestad werkte hij onder andere voor Chacom. Zijn oeuvre is buitengewoon gevarieerd al is Morel gespecialiseerd in giants en bizarre freehands. Het maken van unica's die volledig met de hand tot stand komen, leerde hij van zijn vader die dat in Saint-Claude introduceerde. Morel zet die traditie voort waarbij hij iedere pijp vanuit het materiaal schept, zonder vooraf een ontwerptekening te maken. De hierbij afgebeelde tabakspijp van Morel is kenmerkend voor zijn categorie freehands. Uit een schijf plateau bruyère is een grillig gevormde pijp tot stand gekomen. De fleuron van de bruyère loopt langs de onderrand van de pijp en die is met donkere beits geaccentueerd. Aan beide zijden van de pijp is een prachtige flame grain zichtbaar. Langs de bovenzijde van de pijp is een rug bruyère staande gebleven die op twee plaatsen met vingergaten doorboord is. Rond die openingen is een bescheiden decoratie van voluten toegepast. Favoriet voor Morel zijn mondstukken van cumberland, zoals hij ook bij deze pijp gebruikte.

Collecetienummer APM 18.604


Een cafépijp uit Frankrijk
maart 2007

Prachtig uitgevoerd is deze cafépijp die daarmee de exemplaren uit het Duitse Westerwald overstijgt, die daar bij miljoenen gemaakt zijn. De kop van deze pijp is een fractie kleiner en scherp van modelé. Op de zes kanten rond de ketel zijn steeds twee voorstellingen aangebracht. In plaats van de gebruikelijke cafémotieven zoals de symbolen uit het kaartspel, een drinkkroes, kegels of biljartballen zijn hier bloemen en twee dansende figuurtjes te zien. De gravering van dit werk is ook veel fijner en minder indringend dan bij de Duitse tegenhangers en dat maakt dit voorwerp tot een hoogtepunt. Tenslotte is deze pijpenkop niet van witbakkende klei gemaakt, maar uitgevoerd in bruine klei. Na het bakken is het reliëfwerk opgeschilderd en vervolgens is de pijp met transparante lak afgedekt. De horizontale banden werden bovendien nog met bronsverf geaccentueerd, dat op het veel chiquere goud lijkt. Die afwerking was de meest luxe die de roker indertijd kon krijgen en dat heeft uiteraard te maken met het arbeidsintensieve opschilderen van de pijp. Maker is de firma Bonnaud uit Marseille, die zijn fabrieksnaam aan de onderzijde van de steel stempelde.

Collectienummer APM 18.413


Een Bacchant als tafelpijp
februari 2007

Deze tabakspijp, bedoeld om op tafel neer te zetten en met een flexibele slang te roken, is wel een van de meest opvallendste pijpen. Hij is gemaakt van porselein en draagt een indringende meerkleurige beschildering. Voorgesteld is een zittende Bacchant met wijnglas in de hand, rond zijn bolle hoofd is een wingerdrank te zien. Met zijn open buis, driekwart broek met strepen en ringbaard onder de kin heeft hij een gemoedelijke maar vooral ook burgerlijke uitstraling. Hoewel dergelijke voorwerpen wel met Porcelaine de Paris worden aangeduid, is dat wishful thinking. De Franse fabrieken, aangevoerd vanuit de uiterst begaafde maître porcelainier Jacob Petit, bedachten in de negentiende eeuw prachtige objecten van porselein. Zij worden gekenmerkt door een kleurige beschildering maar de scherf van dat materiaal was veel verfijnder dan bij deze zwaar uitgevoerde tafelpijp. Daarnaast was ook het palet niet zo schreeuwerig. Vooralsnog is onbekend waar deze pijp gemaakt is, al is Duitse herkomst meer waarschijnlijk. Toch was dit voor de tijd van ontstaan een luxe voorwerp met een ongebruikelijk voorkomen. Alleen de gemotiveerde pijproker liet zich tot aanschaf verleiden, tenminste wanneer deze liefhebber was van curiositeiten. De serieuze roker zocht eerder zijn toevlucht tot een comfortabeler voorwerp. Niet verwonderlijk dus dat tot nu toe slechts twee exemplaren bekend zijn.

Collectienummer APM 18.400


Een Japanse rookset
januari 2007

Opmerkelijk is deze wat rustieke rookset die bestaat uit een tabaksdoos of tonkotsu samen met een pijpenhouder of kiseruzutsu. Het is een artikel kenmerkend voor de Japanse roker uit de tijd dat nog een kimono met ceintuur werd gedragen. Tussen die ceintuur hing dit voorwerp te pronk. De tabaksdoos heeft de vorm van een naturalistisch weergegeven mensenschedel met een grof uitgevoerd gebit, een macabere voorstelling dus. De doos opent aan de onderzijde met een grillig gevormd dekseltje dat met rode lak bedekt is. De bijbehorende pijpenhouder is rustiek en ziet er uit als een knopentak met schijf aan het eind. De vormgeving hangt tussen een stuk natuurlijk hertshoorn en een paddenstoel. Om en mooi egale kleur te krijgen is deze kiseruzutsu bedekt met bruine lak. Dit voorwerp benadrukt de grillige vormgeving van de natuur. Beide objecten worden met een koordje bij elkaar gehouden en daaraan zit een zogenaamde ojime, een sluitkraal of schuifkraal. Die kraal is uit een vruchtenpit gesneden en vertoont een rotslandschap met planten, met in een opengewerkte zone een figuurtje. De snijder bracht hierop ook zijn signatuur aan in de vorm van drie onder elkaar geplaatste Japanse karakters. Tussen de platte rechthoekige leren tabakszakken en de kokervormige pijphouders die het meest gangbaar zijn, behoort dit object tot de meer opvallende exemplaren.

Collectienummer APM 18.374


Vestadoosje in Japanse stijl
december 2006

Dit fraaie, kleine voorwerpje werd door de roker gebruikt voor het bewaren van zijn lucifers. Het is een zogenaamd vestadoosje, genoemd naar Vesta de Romeinse godin van het vuur. De korte waslucifers moesten droog bewaard worden en daarvoor was een goed sluitend doosje nodig. Aan de binnenzijde van de scharnier vinden we een soort klemveer om het doosje gesloten te houden. Dergelijke doosjes waren tussen 1890 en 1920 buitengewoon populair en zijn bij grote aantallen in een oneindige variatie gemaakt. Kenmerk van de vestadoosjes is de gleuf voorzien van groeven die meestal langs de onderzijde is aangebracht. Deze is bedoeld om de lucifer af te strijken. Bij dit doosje is echter sprake van een eenvoudigere geruwde zone, die op de ronding van het doosje is aangebracht. Het zijn echte zakdoosjes en sommige vesta's hebben zelfs een ringetje om aan een horlogeketting te dragen. Aantrekkelijk aan dit mechanisch gedrukte doosje is de prachtige voorstelling die aan weerszijden is aangebracht en die geïnspireerd is op de Japanse kunst. Mede dankzij de tint van het messing lijkt dit bijna op een exclusieve lakwerkdecoratie.

Collectienummer APM 18.359


Tabakspijp met krul
november 2006

Sommige bruyères zijn zo prestigieus, dat het element gebruik op de achtergrond raakt. Dat geldt mijns inziens voor dit ontwerp van Horry Jemeson, die jarenlang bij GBD werkzaam was. Hij wordt wel beschouwd als een van de grootste pijpenmakers aller tijden op grond van de uniciteit van zijn ontwerpen en de volmaakte uitvoering ervan. Deze pijp is daarvan een spectaculair voorbeeld. Het gaat om een prachtig gevormde briar met een forse kop en rechte steel met zadelmondstuk. Aan deze prachtig afgewogen vorm is op elegante wijze een lof uit de oorspronkelijke ebauchon blijven staan, die op de steel ontspringt en met een fraaie boog aan de ketelbasis eindigt. De zichtzijde van die lof vertoont twee overlangse uithollingen. Een toevoeging zonder functionaliteit, tenzij je als roker je vingers door de lus wringt want dan ligt de pijp zeker beter in de hand. Toch is dit ontwerp zo spannend, dat het van welke kant bekeken ook er altijd weer anders uitziet. De GDB-fabriek is een prestigieus bedrijf geweest, vanaf het moment van oprichten als meerschuimfabriek in Parijs tot in de Engelse periode, waarbij de productie in Londen plaatsvond. Hun elitaire geschiedenis en prominente locaties worden door de chique verpakkingsdoos van de pijp benadrukt: "Famous since 1850" en "London made" zijn twee predicaten die in goud gedrukt staan, pontificaal aan de binnenzijde van het deksel. Naast het messing plaatje dat is ingelaten in het mondstuk is de pijp op de steel gestempeld met hetzelfde merk waaronder "UNIQUE" om de uniciteit van deze pijp te onderstrepen. Wie de vormgever was werd door de GBD-fabriek blijkbaar niet vermeldenswaardig geacht.

Collectienummer APM 18.331


Hand met pijp
oktober 2006

Deze pijp is een wonderlijk voorwerp tussen een gewoon gebruiksartikel en een sculptuur om neer te zetten. Horizontaal zien we een eenvoudige kleipijp met rechte steel. De pijpenkop is langs de ketelopening met een geometrisch randje versierd en aan weerszijden van de ketel is een figuurtje te zien. De kleipijp wordt door een hand gehouden, losjes met twee vingers op en twee vingers onder de steel. Naar beneden gaat deze hand over in een ovaalvormige manchet die zich tot een eenvoudig voetstuk verbreedt. Een curieuze pijp dus en eerder een pronkstukje dan een gebruiksvoorwerp als kan de pijp gewoon gerookt worden. Het object is in een tweedelige persvorm gedrukt en na een biscuitbrand met bruin zoutglazuur bedekt. Dit soort pijpen gaat door voor Wieldon ware, genoemd naar een fameuze ceramist. Zoals zo vaak, is dat een aanduiding voor de verzamelaar, want het is zeer de vraag of de briljante pottenbakker Thomas Wieldon iets met dit voorwerp van doen heeft gehad. Eerder zal het gaan om steengoed uit een Londense fabriek of uit een andere Engelse plaats waar dit bruingeglazuurde goed en masse werd gemaakt. De verzamelnaam London saltglazed zou daarom misschien een betere aanduiding zijn.

Collectienummer APM 18.097


Sigarenhouder met Mephisto
september 2006

Bij deze sprekende sigarenhouder is het portret van de demon Mephistopheles uitgebeeld zoals de literatuur en de theaterwereld hem dikwijls verbeelden. Een mansportret met smal mager gezicht met snor en lange sik, op het voorhoofd twee horentjes. Zijn schedel is bedekt met een met bont gevoerde beulskap met enkele speelse veren aan de linker zijde. Bijzonder aan deze pijp is de inzet met glaspasta ogen, die het portret een stuk sprekender maken. Door de tijd heen is Mephistopheles vaker afgebeeld, maar tegen het eind van de negentiende eeuw is deze vormgeving de meest geliefde. De pijp mikte op een meer literaire doelgroep, de belezen roker die Goethe's Mefisto minimaal gelezen had. De eenvoudige uitvoering van deze voorstelling vond bij de burgerlijke roker aftrek, die de uitgebeelde als de duivel interpreteerde en dat kan natuurlijk ook. Deze prachtige pijp is in sublieme conditie omdat hij nooit gebruikt is. De pijp zit nog in zijn oorspronkelijke foedraal, aan de binnenzijde in bladgoud gemerkt met "CROWN PIPE", inclusief de initialen van de maker of verkoper. De toevoeging "VIENNA MADE" is geen garantie dat de pijp ook werkelijk in Wenen is gesneden, al is de kwaliteit wel van dien aard dat dat een reële optie is.

Collectienummer APM 18.057


Oneleganter is niet mogelijk
augustus 2006

De Mangbetu, een volk dat in Kongo leeft, is verantwoordelijk voor deze tabakspijp en zonder twijfel gaat het om de minst elegante pijp uit de collectie van het Pijpenkabinet. Het voorwerp is van onbeduidend boomhout gemaakt, waarbij de rechte steel en het verdikte mondstuk er nog het best van af komen. Daar is het hout betrekkelijk vlak afgewerkt en heeft de vorm nog een zekere elegantie. De ketel daarentegen ontspringt als een hamerkop uit deze steel en is volstrekt vormeloos. Hier is het snijwerk, dat tegen de nerf ingaat, ook ronduit hakkelig en oneffen. Bovendien is deze ketel te klein voor de grote dikte van de steel. Blijkbaar voelde de maker niet de behoefte zijn product glad te schuren om zo ook de vorm wat aan te scherpen. Aan de binnenzijde is het zachte hout ingebrand al wijst dat, gezien de zachte aard van het hout niet op een intensief gebruik. Toch is dit vormeloze object een mooi voorbeeld dat een tabakspijp niet altijd een uiting van kunstnijverheid hoeft te zijn. Dat dit object bewaard bleef is te danken aan het feit dat deze pijp in een kloostercollectie tientallen jaren werd geconserveerd waardoor het nu een zeldzaamheid is geworden. Het is de armoedige tegenhanger van een vergelijkbare maar veel grotere pijp in onze collectie die wel goed vormgegeven is.

Collectienummer APM 18.013


Groteske pijp met clownskoppen
juli 2006

Deze pijpenkop is van bruyèrewortel gemaakt, waarvan de unieke structuur van de bast nog zichtbaar is. Een dergelijke textuur wordt in de antiekhandel ook wel bois brulé genoemd, maar eigenlijk is dat geen goede aanduiding want de houtstructuur is niet door branden zo geworden. Voor de pijp zijn drie wortelknollen gebruikt, die hun rustieke uiterlijk hebben behouden. Aan de zijkanten van de grootste, die de pijpenkop vormt, zijn twee clownsgezichten gesneden. Grappig genoeg vertonen zij bijna dezelfde grillige structuur als de bast van de wortel zelf. Beide portretten zijn buitengewoon expressief en suggereren de vrolijkheid die een clownskop moet opwekken. De pijpensteel is van een tweede wortelknol gemaakt en is voorzien van een gedraaide gladde manchet. Wat de pijp zo compleet maakt is de deksel van een derde stuk wortel, aan één zijde vlak gezaagd en met een luchtgat in de centrale punt. Het is moeilijk te zeggen waar dergelijke volkskunst is gemaakt al heeft het er alle schijn van dat het om een Franse verdienste gaat. Vooral in Frankrijk geniet dergelijke groteske volkskunst grote populariteit.

Collectienummer APM 18.000


Een tsjiboek in meerschuim
juni 2006

De schoteltsjiboek, een trechtervormige pijpenkop geplaatst op een schotelvorm, is een typisch Turkse vinding. Dergelijke pijpen werden in de achttiende eeuw ontwikkeld en waren gedurende de hele negentiende eeuw populair. Van oorsprong is het een keramiekvorm die al gauw in andere materialen werd nagemaakt. Zo'n tegenhanger van meerschuim zien we hier. De vorm van de tsjiboek is letterlijk overgenomen, al is de decoratie aangepast aan de West-Europese smaak. Rondom de ketel zijn omlijnde puntige knorren aangebracht die de sfeer van de neogotiek opwekken. Aan de onderzijde is de schotel van knorren voorzien terwijl de steel van de pijp overlangs gecanneleerd is. Op die wijze is een treffende vorm van een serene decoratie voorzien met een prachtig resultaat als gevolg. Tenslotte is de pijp gemonteerd met een zilveren klepdeksel en een manchetring met borgoog. Het klepdeksel is atypisch. De ketelinhoud van deze pijpenkop is namelijk betrekkelijk klein, terwijl de wand juist dik is. Zodoende moest voor een brede filtrand van zilver worden gekozen met een wonderlijk klein deksel als gevolg. In het midden heeft dat deksel heel contrasterend juist een heel ruime luchtinlaat. Elegant is de klemveer die met een boog over de brede ketelrand loopt en daar het deksel borgt. Van dergelijke pijpen is het moeilijk te bepalen waar zij zijn gemaakt. Hier lijkt het om een Hongaars product te gaan, maar nieuwe inzichten in de meerschuimproductie kunnen deze toeschrijving gemakkelijk wijzigen.

Collectienummer APM 18.009


Vertegenwoordigerskoffer
mei 2006

Deze prachtige met de hand gemaakte koffer is gebruikt door de vertegenwoordiger van de pijpenfabriek Gubbels in Roermond. Het is een houten koffer bekleedt met zwart kunstleer die wanneer je deze open gespt zes laatjes laat zien, ieder met schuinse vakjes voor een dozijn bruyèrepijpen. Onderin is nog een compartiment dat hoger is voor het opbergen van pijpenzakjes, doosjes of andere zaken. Wat de koffer zo vernuftig maakt is dat bij openen het deksel neerklapt en vervolgens de trits met laatjes schuins zijn uit te trekken en als een brede waaier op de klep kunnen staan. Zo kun je het hele assortiment van zes dozijn ofwel 72 pijpen in de koffer overzien. Met een dergelijke koffer bezochten vertegenwoordigers de tabaksspeciaalzaken om hun pijpen aan te prijzen. Aardig genoeg is niet alleen de koffer bewaard, ook de selectie van de fabriek die er in hoort is overgebleven. Die selectie laat de variatie van producten over een tijdspanne van ruim dertig jaar zien en vormt daarmee het geheugen van de pijpenfabriek van onze Koninklijke Gubbels. Bijzonder daarbij is dat het om ongerookte pijpen gaat, die daarom nu nog tonen hoe indrukwekkend zo'n vertegenwoordigerskoffer toen oogde.

Collectienummer APM 17.900


Hollandse schilderkunst op een pijp
april 2006

De ceramische pijp zoals die door de Goudse bedrijven tussen de twee wereldoorlogen ontwikkeld werd, heeft een hoog souvenirgehalte gekregen. Al snel werd ontdekt dat een toepasselijke schildering of transfer voor de toerist een omzetverhogende werking gaf. Daarnaast werd de souvenirbeschildering ook voor export een belangrijk artikel. De Hollandpijp werd in Amerika maar ook in andere landen een begeerd artikel. Een bijzonder ontwerp is deze meerkleurige pijp, die op de ketel details van twee schilderijen van de Haarlemse schilder Frans Hals laat zien. De ene zijde toont de vrolijke drinker, het portret op de andere lijkt het meest op één van de regentessen van het Haarlemse Oudeliedengesticht. Beide portretten zijn in een bladerkrans geplaatst. Het overige deel van het fond is ingevuld met gestileerd bladwerk met langs de onderzijde van de steel het opschrift Holland. Het fond is daarna groen ingewassen. Het tekenwerk voor deze pijpen, die de wervelende stijl van Frans Hals na staat, werd door Willem van Norden verricht, de veelzijdige ontwerper van de Koninklijke Goedewaagen. Het plakken van de kleurige transfers en het inschilderen bleek echter een tijdrovende zaak en om die reden viel de stukprijs van deze pijpen hoog uit. Dat resulteerde in een beperkte oplage waarvan er maar weinig zijn verkocht.

Collectienummer APM 17.775


Elegante dame met waaier
maart 2006

Tussen 1880 en 1920 zijn ze bij vele duizenden gesneden, de sigarenhouders met afbeeldingen van elegante dames. Onder heren van stand of wie zich daartoe wilde rekenen waren zij bedoeld om te plezieren en te imponeren. In een houten foedraal met leren buitenzijde en stoffen binnenkant werden ze meegenomen bij visites om welstand en goede smaak uit te dragen, soms dienden ze ook als conversatiestukje. Dit pijpje toont zo'n elegante dame met opgestoken haar waarin een grote strik geflankeerd door roosknoppen. Juist op die plaats is ook de trompetvormige houder voor de sigaar geplaatst. Haar borstbeeld toont een kraag met op de rand bloeiende rozen. Zij schermt haar gelaat deels af met een waaier met op de rand dezelfde roosknoppen. Wie echter haastig kijkt denkt nu dat haar gewaad in een wonderlijke opstaande kraag doorloopt en dat is een minder geslaagd element in de voorstelling. Dergelijke pijpen zijn bij grote aantallen gesneden maar omdat het handwerk was en de stukjes ruwe meerschuim altijd van grootte en vorm verschilden vertonen zij steeds andere details. Dit soort houders werden gemonteerd met een transparant mondstuk van imitatiebarnsteen, vermoedelijk uit celluloid gemaakt. De prachtige oranjeachtige kleur van het meerschuim is door veelvuldig roken verkregen.

Collectienummer APM 17.742


Een zevenkoppige pijp
februari 2006

In Engeland ontstond aan het eind van de negentiende eeuw een liefde voor meerkoppige pijpen. Zij werden als curiosum verkocht. Hoewel enkele serieus gerookte meerkoppige pijpen bewaard zijn, waren de meeste exemplaren sierproducten. Zij figureerden in een pijpenverzameling als ultiem stuk, maar ook als presentatiepijp in de tabakswinkel. Volgens zeggen werden zij ook als spelletje in de kroeg gebruikt om volgegoten met drank leeg te drinken. Wie dat probeert ontdekt al gauw dat dat niet zo eenvoudig is en dat was natuurlijk juist de grap. Bij dat spel zullen er overigens talloze gesneuveld zijn. Toch zijn er meerdere exemplaren bewaard gebleven zoals de hierbij afgebeelde. Het gaat duidelijk om een serieel artikel maar wel een serieus stukje pijpenmakersvakmanschap. De pijp centraal heeft een ruime kromkop ketel en een dikkere steel. Juist op die dikkere steel konden gemakkelijk aan weerszijden drie kleinere pijpenkoppen gemonteerd worden, die uiteraard werden aangesloten op het rookkanaal dat naar het mondstuk leidde. Voor deze toegevoegde pijpenkoppen zijn verschillende versierde exemplaren gebruikt, die heel subtiel aan weerszijden van groot naar klein lopen. De wat rommelige zone ertussen, waar de stelen werden aangehecht, werd opgesierd met twee gaande paardjes die van de stelen van figuurpijpen werden afgesneden. Zo waren voor zo'n showstuk dus één complete pijp, zes versierde koppen en twee stelen van figuurpijpen nodig. Niet onmogelijk is dat de steel van de hoofdpijp nog werd verlengd om het object een mooiere verhouding te geven. Bij deze pijp werd in het laatste steelstuk ook nog een tordering aangebracht die eveneens wijst op veel zorg bij de vervaardiging. Natuurlijk ontbreekt een typisch Engels gesmeerd mondstuk niet.

Collectienummer APM 17.730


Catalogus van een meerschuimfabrikant
januari 2006

Voor het beeld van de pijp en haar ontwikkelingsgang door de tijd is de fabrikantencatalogus een buitengewoon belangrijke bron. In de catalogus toont de fabrikant zijn assortiment als een nuchtere opsomming van modellen en soorten van dat moment, doorgaans zonder commentaar. Voor ons nu geeft dit een geweldig inzicht in de mode en het veranderingsproces daarvan. Deze catalogus, uitgebracht door Johann Brix uit Wenen introduceert ons in de wereld van de meerschuimpijp van rond de vorige eeuwwisseling. De catalogus laat op 21 pagina's 376 pijpen en zes pijpenroeren zien. Van dat aanbod zijn slechts 68 pijpen voor tabak bestemd, twee zijn waterpijpen en alle andere exemplaren zijn bedoeld als sigarenhouder. Dit toont aan dat in die periode de meerschuim tabakspijp sterk op de achtergrond was gedrongen door de sigarenhouder. Bij dat laatste artikel is de mode overigens geweldig verburgerlijkt. Onderhoudende damesbustes, losse paarden of per twee, honden en andere dierfiguren passeren de revue. Duidelijk is dat Brix een fabrikant van luxe seriewerk was en dat de mode zo truttig geworden was dat we geen spectaculaire eenlingen meer terugvinden. Naast dit versierde goed is de eenvoudige sigarentip inmiddels gemeengoed geworden. De keuze daarin was zeer breed. De tabakspijpen staan helemaal achterin de catalogus afgebeeld en ook dat zegt iets over hun afnemende populariteit. Aan forse koppen is er de dan populaire eierkop of de traditionele Hongaar. De klepdeksels waarmee deze pijpen afgewerkt zijn stralen eenvoud uit en ook dat element benadrukt het burgerlijke en algemene van het assortiment van Brix. Naast dit oubollige goed worden ook enkele etuipijpen geleverd met strakke ketelvormen zoals de Dublin en de billiard. Zij representeren het modieuze element en zijn bestemd voor de meer mondaine roker. Duidelijk is dat Brix een specifiek marktsegment bediende maar daarnaast blijkt dat rond het jaar 1900 de smaak van de meerschuimpijp behoorlijk verburgerlijkt was.

Collectienummer APM 21.273


Hopewell effigy pipe
december 2005

In de jaren 1840 werd in de staat Ohio de Hopewell cultuur ontdekt, waarbij twee grote complexen pijpen gevonden zijn die specifieke kenmerken vertonen. Het gaat om figurale uitbeeldingen waarin de ketel van de pijp verstopt zit en die geplaatst zijn op een soort platvorm, doorgaans met een lichte knik of buiging die als korte steel fungeren. De pijpen zijn gesneden uit een lokale steensoort die breekbaarder is dan je zou verwachten. Bijgaande pijp met ketel in de vorm van een zittende kikker is daarvan een representatief voorbeeld. Het silhouet van de pijp heeft de magische uitstraling kenmerkend voor deze cultuur. Daarnaast is de stilering van de kikker met zijn bolle ogen heel goed getroffen en getuigt van een groot vermogen van abstraheren. De Hopewell cultuur bloeide tussen 200 voor Christus en 500 na in het bosgebied van oostelijk Amerika. Zo onverwacht de vormgeving van de pijpen is, zo werelds was het volk zelf ook want zij onderhielden contacten met veel andere etnische stammen, bijna van de oostkust tot aan de westkust van Amerika. De aanduiding Hopewell heeft overigens ook betrekking op een wijze van leven van verschillende lokale Amerikaanse Indianenstammen. Het meest kenmerkend voor deze cultuur is het aanleggen van aarden wallen en bergen in specifieke vormen. Vandaar dat deze stammen ook wel Moundbuilders worden genoemd.

Collectienummer APM 17.639


Winkelreclame voor Gambier
november 2005

Pijpenfabrieken van naam en faam laten al in de negentiende eeuw reclamemateriaal ontwerpen om hun naamsbekendheid onder de consument te vergroten. Daarbij zijn winkelkaarten, bedrukte kartonnen kaarten een belangrijk medium geweest. Doorgaans zijn dat rechthoekige kaarten die langs de bovenrand een ophanggaatje hebben. Zij werden aan een spijkertje in de tabakswinkel opgehangen ter stimulering van de verkoop. Deze kaart is uitgegeven door de firma Gambier en adverteert hun producten. Naast naamsbekendheid voor de kleipijp, het oorspronkelijke product van Gambier, wordt ook de bruyèrepijp genoemd die weliswaar niet door Gambier geproduceerd werd, maar wel verhandeld. Die vertegenwoordiging door Gambier werd gedaan om het aanbod voor de sigarenwinkelier te verbreden en zo de verkoop te stimuleren. Ook een ander artikel droeg daar toe bij, namelijk sigarettenvloei waarvan de twee belangrijkste merken van La Croix door Gambier gerepresenteerd werden. Het ontwerp van de winkelkaart is onverwacht burgerlijk. De teksten staan in een liggend ovaal met de meest kernachtige "PIPES GAMBIER" centraal. De zwikken van de kaart vertonen geometrische geordende wijnbladeren. Het ivoorwitte fond is met rood en zwart bedrukt, hier en daar met goud gehoogd. Langs de rechter onderrand lezen we de drukkerssignatuur.

Collectienummer APM 17.637


Portret van een vrolijke zanger
oktober 2005

De rage voor de portretpijp speelt zich in de negentiende eeuw af. Na de Eerste Wereldoorlog is de tabakspijp nog maar nauwelijks een praatstukje om je persoonlijke interesse uit te dragen. Niet verwonderlijk dus dat er uit de twintigste eeuw maar een beperkt aantal voorbeelden bekend zijn. Dit exemplaar vormt daarop een prachtige uitzondering. De lachende figuur beeldt Fernandel uit, de beroemde komediant die eind jaren 1920 doorbrak en een lange carrière tegemoet ging. Behalve optredens in theaters zijn talloze verfilmingen van hem bekend. Zijn herkenbaarheid vanwege de brede grijns en mond vol tanden werden zijn handelsmerk. Voor een pijpenmaker is dat gegeven natuurlijk ideaal om zijn product goed herkenbaar te maken. Met deze pijp is dat vooral geslaagd omdat zijn opvallende gebit in ivoor uitgevoerd is en dus fantastisch contrasteert met de warme tint van het hout. De maker signeerde de pijp op de tige, het houten steelstuk met zijn naam: M. Pech, maar helaas is deze naam uit historische bronnen niet bekend. Getuige het prachtige vakmanschap moet deze geslaagde portretpijp uit de jaren dertig stammen, de populariteit van Fernandel reikte overigens tot ver na zijn dood in 1971.

Collectienummer APM 17.619


Gestileerde vogelkop
september 2005

Deze pijp is gemaakt door de Bamumstam in Kameroen volgens de cire perdue techniek ofwel de verloren was methode. Het ontwerp wordt eerst in bijenwas geboetseerd. Vervolgens wordt dit in klei verpakt en bij verwarmen verhardt de klei terwijl de was wegloopt. Zo ontstaat een eenvoudige gietvorm waarvan de holle ruimtes met brons volgegoten worden. Is dit brons uitgehard dan wordt de kleiklomp stukgeslagen en komt het voorwerp tevoorschijn. Vaak moet het brons nog bijgewerkt worden en vult met eventuele gietgallen of andere onvolkomenheden met brons in. Bij deze wonderlijke pijpenkop opgebouwd uit geometrische vormen domineert de ingesnoerde ketel en de haakvormige gestileerde vogelkop aan de onderzijde. Van die vogel wordt wel gezegd dat de turaco, een Afrikaanse fruitetende vogel is uitgebeeld. Dat gebeurde op de typische wijze van de Graslandkunstenaar door de kenmerken van het dier door stilering te versterken. Jammer natuurlijk dat de kleurige veren van deze vogels niet konden worden weergegeven. De ingesnoerde pijpenkop is eenvoudig versierd met enkele opgelegde geometrische banden. Tenslotte is aan de steel een dubbel oog te zien om de pijp veilig aan het roer te borgen.

Collectienummer APM 17.634


Een zwarte neger
augustus 2005

De ontdekking van pararubber of hardrubber in de negentiende eeuw betekende een revolutie voor de pijpenindustrie. Het gevulkaniseerde rubber was gemakkelijk te gieten, goed te bewerken en werd na polijsten prachtig glanzend. Vooral voor de seriële productie van pijpen waren roeren van rubber een geschikte oplossing. Geleidelijk gaat men echter verder met het gebruik van dit materiaal en zo ontstaat de pijp geheel van hardrubber gemaakt. Uiteraard moest bij die pijpen wel een binnenketel van meerschuim of bruyère worden toegepast om te voorkomen dat het rubber schroeide en een stinkende zwarte rook zou verspreiden. De afgebeelde tabakspijp is een goed voorbeeld van een pijp van pararubber. De ketel vertoont het bolronde hoofd van een neger, mogelijk een bestaande persoon die in het interbellum populair was. Om wat reliëf aan de voorstelling te geven, zijn enkele accenten met verf aangestipt. Opmerkelijk is de curieuze knik in het roer, die de pijp een heel specifiek silhouet geeft. De kwaliteit van pijpen van pararubber verschilt sterk. Er zijn soorten waarbij de grondstof niet goed gevulkaniseerd is en die snel verkleuren en daardoor een onaangename bijsmaak geven. Dit exemplaar daarentegen is van een prachtige sterke diepzwarte rubber gemaakt, die in het geheel niet verkleurd is en er uit ziet alsof de pijp gisteren is gegoten.

Collectienummer APM 17.638


Portretkop met modieuze bril
juli 2005

Het snijden van pijpenkoppen in bruyère is al zo oud als de productie van pijpen in dat materiaal. Bruyère laat zich dankzij de fijnheid met een mes goed bewerken en wie zich in het snijden bekwaamt kan met deze houtsoort prachtige resultaten bereiken. Een voorbeeld daarvan is de hierbij afgebeelde pijp die een heel karakteristiek en daarmee geslaagd portret laat zien. Ongewoon is dat er van de uitbeelding van een gebrilde persoon sprake is en niet zomaar een bril, maar juist een heel modieuze. Daarnaast is het gezicht van de voorgestelde prachtig getroffen door de details te versimpelen om zo de hoofdvorm te laten spreken. Maker is Conrad Ovellet uit St. Jean Port Joli in Quebec. De kunstenaar signeerde dit stuk ook en gaf het zelfs het jaartal 1984 mee. De montage van een kunststof roer is uitgevoerd door Aaron Beck uit Fort Lauderdale, die als een van de eersten wist hoe je met verschillende soorten acryl tot prachtige resultaten kon komen. De treffende uitbeelding in combinatie met het prachtige roer maken deze tabakspijp tot een begerenswaardig voorwerp.

Collectienummer APM 17.584


Zonder gene gekopieerd
juni 2005

Deze manchet-figuurpijp wekt bij veel verzamelaars de onmiddellijke associatie met de Bou Maza van Gambier, modelnummer 829. Terecht want de modellering is exact gelijk. Het gaat echter om een veel zeldzamer stuk, gemaakt door de firma Julius Wingender uit Höhr die dit pijpmodel onder nummer 206 bracht. Belgische en Duitse bedrijven inspireerden zich vaker op de toonaangevende Franse fabrieken, waarbij de ontwerpen van Gambier het vaakst geïmiteerd werden. De navolging ging zo ver dat zelfs de kenmerkende Franse emailbeschildering niet vergeten werd. In de negentiende eeuw, toen er nog geen wet op auteursrecht bestond, werd dat kopiëren niet als een zonde gezien al protesteerden sommige fabrikanten daar wel tegen. Talloze rokers van weleer zullen zich nooit gerealiseerd hebben dat hun pijp niet een oorspronkelijk exemplaar was, maar stamde uit een ander bedrijf of zelfs een ander land. Als persoon genoot Bou Maza overigens maar korte tijd populariteit. Dat was toen hij de strijd tegen de Fransen in Algerije leidde nadat Abd-el-Kader naar Marokko gevlucht was. Hij was tot 1848 leider en moest zich door gebrek aan middelen overgeven. In Parijs ontsnapte hij uit de gevangenis en raakte snel in vergetelheid. De firma Gambier bracht dit pijpmodel op de markt om de belangstelling voor Bou Maza uit te buiten. Later verkocht men het ontwerp als een uitbeelding van een Arabier aan een veel bredere groep rokers. Zo devalueerde een specifieke uitbeelding geleidelijk tot een algemeen landstype.

Collectiennummer APM 17.526


Een totempaal van portretten
mei 2005

Bij deze monumentale pijpenkop, geboetseerd uit aardewerk, is een magnifieke opstapeling van dierportretten te zien. De pottenbakker die dit voorwerp maakte bezat de kunst om een continuüm van maskervormen aan de voorzijde van de hoge ketel te stapelen, waarbij buffelkoppen elkaar afwisselen. De bovenste buffelkop staat op een naakt mensentors met borsten en een navel, de armen lopen langs de zijkanten van de ketel. Dergelijke opvallende stukken werden gemaakt in de Gaslanden van Kameroen door pottenbakkers die in een sterke traditie werkten. Grote, prestigieuze pijpenkoppen waren bedoeld voor de stamoudste of andere belangrijke personen. Zij werden als een soort verzameling bewaard om bij tijd en wijle als pronkstuk te worden vertoond. Roken eruit deed men niet, zij werden slechts rondgedragen. Bij die gelegenheid werden de koppen met tabak gevuld, die na het ronddragen onder de bedienden uitgedeeld werd. Vanwege de sterke traditie van de pijpenmakers in de Graslanden zijn degelijke koppen generaties lang gemaakt waardoor het buitengewoon moeilijk is ze een datering te geven. Een tweede exemplaar in de collectie van het Pijpenkabinet vertoont dezelfde opstapeling van portretten maar dan zijn geen buffels weergegeven maar mensen. Voor de bewoners van de Graslanden is een verandering in het onderwerp overigens reden aan de pijp een andere symboolwaarde toe te kennen.

Collectienummer APM 17.521


Een gezichtpijp in faience
april 2005

Deze Italiaanse pijpenkop valt op door vormgeving en kleurgebruik. Met zijn gele scherf en kleurige tinglazuur behoort zij tot de luxe en daarmee zeldzame pijpen die er van ceramiek gemaakt zijn. De basisvorm van deze pijp werd in een eenvoudige tweedelige drukvorm gemaakt. Het modelé is meer schetsmatig dan gedetailleerd en dat onderstreept de filosofie van de maker die geen kunstproduct tot stand wilde brengen, maar een eenvoudig doch opvallend voorwerp. Na de zogenaamde biscuitbrand werd de pijpenkop geglazuurd. Doorgaans werd de onderglazuurlaag met een spons of borstel door spritsen opgebracht. Daarna volgden de details met de penseel. Dat laatste gebeurde in drie kleuren en met een zekere snelheid. De ogen, wenkbrauwen en mond zijn met paars aangetipt, het gelaat met een oranjetint. Tenslotte is de muts van de voorgestelde van groene strepen voorzien, samen met het steeleind. Tijdens de zogenaamde gladbrand versmolt het glazuur. Hoe goed bedoeld ook, het voorwerp vertoont vooral ambachtelijkheid en niet de perfectie die faience zou kunnen hebben. Daarvoor heeft de drukvorm te weinig details, vermoedelijk doordat deze al geruime tijd in gebruik was. Bovendien is tinglazuur tamelijk dik en stroperig waardoor het de vormkenmerken enigszins verdoezelt. Voor de roker was deze pijp echter een opvallend stuk omdat de Italianen overwegend uit eenvoudige terracotta pijpenkoppen rookten. Figuratie en kleur waren dus de elementen waarmee de roker van weleer kon opvallen.

Collectienummer APM 17.510


Dunhill met bamboe
maart 2005

Het gebruik van bamboe als pijpensteel is al eeuwenlang bekend, al is dat materiaal bij de bruyèrepijp maar zelden toegepast. Vanaf 1860 zegeviert hardrubber en raakt bamboe op de achtergrond. Toch kan met een stukje bamboehout een bijzonder effect bereikt worden waardoor zelfs de meest exclusieve pijpenmerken hun pijpen een onverwachte uitstraling geven. Daarvan getuigt deze zandgestraalde Dunhill waarbij het bamboe tussenstuk cachet geeft, temeer daar het heel subtiel nog gebrand is en lichte bruintinten vertoont. Tussen de gezwarte ketel en het glanzend zwarte mondstuk wordt dit heldere maar rustieke detail een focus op zich. Verder is er nog iets anders over dit voorwerp op te merken. Voor een pijpenmuseum is het van belang om niet alleen de pijp te bewaren, ook de oorspronkelijke verpakking maakt onderdeel uit van het voorwerp en zijn geschiedenis. Vandaar dat van moderne pijpen eveneens het pijpenzakje en de verpakkingsdoos in de collectie opgenomen worden. Zij informeren ons over de wijze waarop de fabrikant zijn product op de markt bracht en daarin munt de firma Dunhill absoluut uit. Met een doosje van hard materiaal, dat tegen krassen beschermd wordt door een kartonnen beschermhoes, is het product bijna als een juweel verpakt. In deze verpakking bevindt zich tevens een garantiebewijs en een folder over The White Spot, de kring van gemotiveerde Dunhillrokers die daar trots op zijn.

Collectienummer APM 17.501


Figurale opiumpijpenkop
februari 2005

Voor de opiumschuiver is een functionele pijp met een eenvoudige opiumkop het meest geschikt. Toch zijn er naast deze gebruiksgeschikte voorwerpen ook curiositeiten gemaakt waarvoor de hierbij afgebeelde figurale kop exemplarisch is. De ketel toont een zittende mandarijn met blote buik, zijn navel vormt de ketel, de armen lopen langs het lichaam, de rechterhand rust op de knie terwijl hij in zijn linkerhand iets onduidelijks houdt. Op het hoofd draagt hij een platte pet. Dankzij de houding van de voorgestelde is toch een compacte uitbeelding verkregen waar alleen het hoofd uitsteekt. Als gebruikelijk is deze opiumkop aan de onderzijde bij wijze van makersmerk van twee ingedrukte Chinese karakters voorzien. Degelijke ketels werden bij toerbeurt op de buisvormige steel van de opiumpijp geplaatst. Vanwege een metalen ketelhouder met korte insteeksteel aan de pijpenkop kon dat met een simpele beweging gebeuren. De insteeksteel schoof in een manchetvormige houder die met een zogenaamde zadelplaat op de pijpensteel bevestigd was. Snel wisselen was zo mogelijk terwijl gestandaardiseerde diameters van de steel en de zadelplaat zorgen voor een luchtdichte plaatsing van de pijpenkop.

Collectienummer APM 17.491


Reuzenpijp met expositiegebouw
januari 2005

In Engeland ontstaan in het laatst van de negentiende eeuw talloze reuzenpijpen die onder allerlei namen te boek staan. Four hours smoking pipe, giant of cadger worden daarvoor bijvoorbeeld gebruikt. Zij zijn gemaakt in verschillende modellen en met uiteenlopende decoraties. Toepasselijk versierd zijn de exemplaren die rondom de ketel de gevel van een tentoonstellingsgebouw tonen. De oudste versie is het Chrystal Palace uit Hyde Park in Londen, gebouwd in 1852 ter gelegenheid van de eerste grote Engelse wereldtentoonstelling. Vijftien jaar later verrijst een vergelijkbaar gebouw in Manchester, dat echter een ander silhouet heeft met als dominante een centrale koepel. Ook dat ontwerp wordt op cagders afgebeeld, zoals bijgaande pijp toont. Vrolijk detail in het silhouet van het gebouw vormen de grote wapperende vlaggen aan weerszijden met de Britse vlag in de broektop. Onder de doorlopende gevelwand zien we aan weerszijden een gestileerd bladmotief geflankeerd door een krul. De steel laat vaak aan weerszijden een tekstschild zien, soms ingevuld met de naam van de maker en de plaats van oorsprong. Bij deze pijp is dat schild blanco gelaten en dat wijst er op dat de pijp uit een minder gezaghebbende fabriek afkomstig is.

Collectienummer APM 17.448


Zittende hond
december 2004

Bohemians worden ze door de Amerikaanse verzamelaars genoemd, de porseleinen pijpen uit Bohemen die met figurale voorstellingen versierd zijn. Voor wie de exclusieve achttiende eeuwse portretpijpen uit Meissen en andere gezaghebbende fabrieken aanbidt, zijn de Bohemians afschuwelijk. Zij missen de verfijning van het porselein, maar ook de afgewogen uitwerking van de voorstelling. Bovendien is de uitbeelding meer amusant dan gedistingeerd. Tenslotte is de beschildering altijd wat haastig aangebracht in iets te schreeuwerige kleuren. Toch zijn deze pijpen een cultuur op zich vanwege hun altijd weer andere voorkomen en er zijn enkele honderden verschillende ontwerpen te verzamelen. Een voorbeeld van deze Bohemians is de hierbij afgebeelde pijp met een zittende hond, waarvan de kop van het dier zoals gebruikelijk het dekseltje van de pijp vormt. Omdat dit een wat vroeger exemplaar is, is de uitbeelding nog niet al te schreeuwerig, terwijl ook het voetstuk nog mooi vormgegeven is. Hierop is zelfs wat glansgoud aangebracht. Juist dat voetstuk wordt later wat vormeloos. De montage bestaat uit een recht kersenhouten roer met een eenvoudig gebogen hoornen mondstuk. Doelgroep is de roker voor wie zijn pijp een statement is, maar die op het gebied van smaak nog wat te leren heeft.

Collectienummer APM 17.440


Struisvogel met hoefijzer
november 2004

Deze versierde pijpenkop is in Haarlem gevonden en past goed in het beeld dat wij van Haarlemse rokers uit het eerste kwart van de achttiende eeuw hebben. Zij kozen doorgaans voor eenvoudige pijpen voorzien van een simpele decoratie op de ketel. Hier gaat het om een sprekende reliëfversiering bestaande uit een aan weerszijden van de ketel afgebeelde staande struisvogel met een hoefijzer in de snavel. De uitbeelding van deze exotische vogel is al vanaf de zeventiende eeuw algemeen toegepast, waarbij het hoefijzer in de snavel zelden ontbreekt. Het lijkt er op dat de gravering op deze pijp van een zeventiende eeuwse prent is overgenomen, waarop ook talloze gevelstenen met dezelfde voorstelling teruggrijpen. Maker van de pijpenkop is de Boudewijn Claris uit Gouda, eigenaar van het initiaalmerk BC. Dat merk plaatste hij heel bescheiden op de linker zijkant van de pijp net boven de spoor. Op de andere zijkant zien we als vormmerk een rozetje en dat kan er op wijzen dat Claris van deze gegraveerde persvorm een tweede exemplaar bezat.

Collectienummer APM 17.450


Lotusbloem met kikker
oktober 2004

De Japanse pijp, aangeduid met kiseru, heeft doorgaans een vast concept. Kenmerken zijn een kleine trechtervormige ketel en een rechte steel. Metaal is standaard het toegepaste materiaal, al is het tussenstuk in de steel vaak van bamboe. Deze kiseru is geheel afwijkend omdat de vormgeving volledig figuraal is. De ketel is gemodelleerd als de zaaddoos van een lotusbloem. De bovenzijde is voorzien van doorboringen waarin witmetalen zaden te zien zijn, de trechtervormige ketel van zilver is in de verste hoek hiervan aangebracht. Ook de pijpensteel is naar de natuur uitgewerkt en imiteert de stengel van de bloem, een tweede stengel krult speels om de pijpensteel heen en draagt bij de ketel een gesloten roodkoperen lotusknop. Bij het mondstuk, zittend op de steel, zien we in hoogreliëf een roodkoperen kikker die heel speels ogen van goud heeft gekregen. Tenslotte is het steeleind schuin afgesneden en als een echte plantenstengel van zeven kleine doorboringen voorzien. Hierin is zelfs nog een stukje zilver verwerkt. Heel ingenieus is het mondstuk afschroefbaar om de pijp goed te kunnen schoonmaken. Een bijzonder detail is dat de zaaddoos bij het bewegen van de pijp hetzelfde geluid maakt als een echte doos wiegend in de wind. Wanneer je de pijp beweegt komen de witmetalen zaadjes deels uit het oppervlak tevoorschijn. Al met al dus een zeer naturalistische voorstelling in een prachtige, vakbekwame uitwerking met kenmerkende detaillering die de Japanse kunstnijverheid eigen is.

Collectienummer APM 17.423


Vroege Peterson
september 2004

De firma Peterson uit Dublin, officieel Kapp & Peterson geheten, is wereldwijd vermaard om zijn houten pijpen. Gesticht in Dublin in 1865 wordt deze fabriek snel bekend, mede dankzij hun eigen pijpontwerpen die zich kenmerken door grote degelijkheid. De hierbij afgebeelde tabakspijp is een vroeg product uit deze fabriek, al vertoont het alle kenmerken van de pijpen zoals zij tegenwoordig ook nog gemaakt worden. Karakteristiek zijn het ronde busje aan de tige, het klemroer en het ronde mondstuk met gaatje dat bekend staat als Peterson lip. Zelfs het klepdekseltje is nog altijd gebruikelijk, al heeft de vormgeving daarvan zich inmiddels gewijzigd. Niet zichtbaar is het zogenaamde Peterson Standard System dat bestaat uit een vochtkamer die zich deels onder de ketel van de pijp bevindt en waar het tabaksvocht zich verzamelt. Vanwege dat systeem staan de pijpen bekend als optimale droogrokers. Aardig aan deze pijp is dat op de keerzijde van de tige een handelaarstempel is aangebracht dat W. & R. Diehl te lezen geeft, een firma uit München, die overigens nog altijd bestaat. Wat dat betreft is er dus niets nieuws onder de zon behalve dat vroege Petersonpijpen tegenwoordig bijzonder zeldzaam zijn. Dankzij de goede gebruikseigenschappen zijn de meeste pijpen van Peterson tot op het laatst gebruikt en werden pas weggegooid als zij echt niet meer gerepareerd konden worden.

Collectienummer APM 17.405


Empire vormgeving met gouden klep
augustus 2004

Voor wie er goed naar kijkt heeft deze meerschuim pijpenkop een ravissant model. De ketel en steel hebben een afgeplatte zwierige vorm al is in de ketelbasis de kenmerkende zakvorm van de toen gebruikelijke pijp nog goed zichtbaar. Opvallend is dat de hele pijp sterk tweezijdig is afgeplat, iets dat we aan het begin van de negentiende eeuw vaker zien. Dit model met zijn slanke vorm en oplopende steel met wonderlijke curve aan het eind balanceert tussen de Lodewijk XVI-stijl en de empire. Naast de bijzonder verfijnde vorm getuigt ook de montage van exclusiviteit. Deze is niet zoals doorgaans van witmetaal of van zilver, maar in twee kleuren goud uitgevoerd. Het rode goud werd met koper geallieerd, het gele met nikkel. De montage is al even kenmerkend voor de tijd van ontstaan. Klassieke motieven waren toen geliefd zoals blijkt uit de helmvorm van het klepdeksel, maar ook uit de vaasvorm in een staande ovaal aan weerszijden van dit deksel. Dergelijke kenmerken zwemen zowel naar de Griekse als naar de Romeinse beschaving. De subtiele vorm van de pijpenkop en de verfijnde decoratie in het goudmidswerk maken deze pijp tot een exclusief item voor een rijke roker met een goede smaak. Het prachtige lichte meerschuim en de comfortabele vorm zorgen voor een optimaal gebruiksgenot.

Collectienummer APM 17.399


Dunhill kortsteel
juli 2004

Pijpen van de Londense firma Dunhill genieten zowel bij rokers als bij verzamelaars grote waardering. De altijd hoge kwaliteit van de Dunhill producten zorgt daarvoor, uiteraard in combinatie met de uitstraling van dit wereldmerk. Kenmerkend voor Dunhill is de vormgeving waar altijd sprake is van een conservatieve modellering al is deze zonder uitzondering chique. Deze pijp is daarvan een opmerkelijk voorbeeld. Origineel daaraan is de wonderlijk korte steel, die geen fabrikant zo durft te leveren. Deze pijp is het handzame artikel voor lieden die onderweg zijn en een gewone, normaal gesteelde pijp onpraktisch vinden. Sommige Nederlandse rokers zien in deze pijp een neuswarmertje om op de fiets te roken. Zeker is wel dat voor de haastige roker deze extreem korte pijp ongeschikt is omdat de rook geen gelegenheid heeft om af te koelen en iedere pijproker weet dat hete rook niet smaakt. Op de tige van deze pijp is een trits met codes gestempeld. We lezen "305 F/T DUNHILL SHELL MADE IN ENGLAND 0 2 S" en dat zijn zonder uitzondering mededelingen die de fabrikant voor ons van belang vindt. Achtereenvolgens slaat dat op het modelnummer, het type mondstuk met zogenaamde fish tail, merk en afwerking, plaats van productie en jaarcode, tenslotte het formaatcijfer en vreemd genoeg nogmaals de afwerking.

Collectienummer APM 17.474


Modern hout met negers
juni 2004

Deze merkwaardige tabakspijp toont een interessante mengeling van een Europese vorm met een Afrikaanse decoratie. Zij is gemaakt in Tanzania, in de jaren dat daar naar meerschuim werd gezocht en er zelfs een pijpenfabriek werd gesticht. Dat gebeurde op initiatief van Engelsen, die in Turkije problemen ondervonden bij de aankoop van ruwe meerschuim. De pijpenfabriek verrees in Arusha en kreeg de naam de Tanganyika Meerschaum Corporation Ltd. Men maakte pijpen naar de Engelse smaak, maar niet verwonderlijk werden daar onder invloed van lokale arbeiders ook versieringen uit de Afrikaanse cultuur geïncorporeerd. Deze pijp is daarvan een mooi voorbeeld. Er is een lokale houtsoort gebruikt, die brandbaarder is dan de bruyère en daarom is de ketel aan de binnenzijde met meerschuimpasta bestreken. De buitenzijde werd naar lokale tradities versierd met twee negerfiguren. Overeenkomstig de puriteinse Engelse gewoonte zijn zij van de rug gezien en dragen een lendendoek. Het snijwerk van de figuren vertoont een opmerkelijk egaal reliëf dat heel ritmisch rond de ketel doorloopt en pas in tweede instantie de figuratie laat zien. Als fabrieksmerk is een witte olifant gebruikt, gestempeld in het caoutchouc roer. De datering van deze aantrekkelijke pijp ligt in de jaren 1970.

Collectienummer APM 17.370a


Pijpenverzameling in sigarenkistje
mei 2004

Het verzamelen van pijpenkoppen en fragmenten daarvan is een liefhebberij voor jong en oud. Talloze doosjes en kistjes zijn met stukken kleipijp gevuld en staan nog ergens in een kast wachtend op hernieuwde aandacht. Het hier afgebeelde kistje is inmiddels overgegaan tot die nieuwe bestemming en heeft zelfs een museale status verkregen. Het wordt als voorbeeld van zo'n sigarenkistverzameling in ons depot bewaard. Overigens gaat het hier niet zozeer om een groepje bijeengeraapte pijpenkoppen maar om een heuse verzameling die met liefde bijeen is gebracht. Het materiaal werd door de Amsterdammer Onno Boers verzameld toen hij als jongen in de omgeving van zijn huis zocht. Het is een mooi voorbeeld van de zorg en toewijding die velen koesteren voor de pijp als bodemvondst. Dat gold ook voor Onno, die met zijn onderzoekende geest zijn vondsten keurig van een label voorzag en de informatie bovendien nog in een schriftje noteerde. Zo legde hij de geschiedenis van zijn expedities en de achtergrond van de pijpfragmenten spelenderwijs voor het nageslacht vast. Een prachtig bewijs voor de belangstelling voor geschiedenis bij een Amsterdamse jongen en curieus genoeg om te bewaren omdat ook onze museumcollectie ooit in zo'n sigarenkistje ontstond.

Collectienummer APM 17.366


Agaattang uit België
april 2004

De kwaliteit van de kleipijp wordt in veel gevallen door de afwerking bepaald. Bij die afwerking is het glazen van het oppervlak na wegwerken van de persnaden zeer belangrijk. Door met de harde agaatsteen langs de leerdroge klei te strijken forceerde men de kleiplaatjes naar één richting en ontstond een glanzende streep. Een bijzonder stuk gereedschap voor dit glazen wordt hierbij afgebeeld. Het is een glaastang of agaattang waarbij aan een verende beugel twee in metaal gemonteerde agaatpunten zitten. In plaats van met een enkele steen langs de pijp te strijken, maakt dit instrument het mogelijk twee kanten tegelijk te polijsten. Vooral bij de productie van lange pijpen is een dergelijk stuk gereedschap buitengewoon tijdbesparend omdat er sprake is van vijftig procent minder werk. Dit voorwerp is afkomstig van de firma A. De Bevere uit Kortrijk en die fabriek is vermoedelijk ook de uitvinder ervan. In 1948 verhuisde dit gereedschap naar een pijpenmakerij in Andenne. Verwonderlijk is het dat een dergelijke vinding in Gouda nooit is gedaan. Werd deze tijdbesparing nooit uitgedacht of vond met het resultaat ervan ontoereikend?

Collectienummer APM 17.363


Borstbeeld van George V
maart 2004

Deze tabakspijp van bruyère laat het borstbeeld van de Engelse koning George V zien. Het concept hiervan, een hoofd met een bescheiden borststukje karakteristiek voor de voorgestelde, is kenmerkend voor de pijpenmakers in Saint-Claude. Zij lanceerden dergelijke portretpijpen al in de jaren 1870 en deze bleven populair tot na de Tweede Wereldoorlog. De Engelse George is hier weergegeven met een eenvoudige opstaande uniformkraag, het borststuk zelf is tamelijk ongedefinieerd. Wat het portret zo goed gelijkend maakt is dat de vormgeving heel nauwgezet getroffen is. Door driedimensionaal de contouren van het hoofd exact over te nemen, hoefde alleen voor de detaillering nog wat eenvoudig snijwerk toegevoegd te worden. Voordeel van deze werkwijze was dat de pijp in een frees volledig voorgevormd kon worden en de snijder dit freeswerk alleen nog met enkele retouches moest fatsoeneren. Dankzij de signatuur op de tige, het houtgedeelte van de steel, weten we dat de maker Charles Dessertines is. Hij gaf leiding aan een van de bekende werkplaatsen voor figurale pijpen in de jaren tussen 1910 en 1930. Dat dergelijke pijpen werden verkocht als unieke stukjes vakmanschap bewijst de toevoeging sculpteur aan de naam van de maker. Onmiskenbaar gaat het echter om een serieproduct waarvan de verkoop ondersteund werd door de populariteit van de Britse koning. Het mondstuk is uitgevoerd in een blonde buffelhoorn, een in die tijd een veel gebruikt materiaal.

Collectienummer APM 17.357


Showstuk omgeven door raadsels
februari 2004

Kort geleden werd deze bijzondere tabakspijp in de Amsterdamse Weteringbuurt opgegraven. Het gaat niet om een standaard formaat pijp, maar om een groot exemplaar. De ketel heeft bijvoorbeeld een hoogte van ruim acht centimeter, tegenover de nog geen vier centimeter voor de gangbare pijp van toen. Over de functie van dergelijke pijpen is veel gespeculeerd. Inmiddels weten we dat de gedachte dat het een gildenstuk is zeker niet juist is. Eerder lijkt het om een pijp voor een luifelbeeld te gaan of een voorwerp dat als reclame werd gebruikt. De pijp volgt het dan heersende standaardmodel, maar is niet in serie geperst maar geheel met de hand geboetseerd. Hierdoor zijn de verhoudingen iets buiten proportie geraakt, terwijl door het handvormen ook de spanning in de klei ongelijk was waardoor krimpscheuren zijn ontstaan. In de steel van dergelijke grote pijpen werd vaker een knoop toegevoegd om het voorkomen nog indrukwekkender te maken. Blijkbaar wilde men met zo'n accent het bijzondere van het product benadrukken. Veel van dergelijke grootformaat pijpen zijn overvloedig met stempels versierd en juist dat is hier maar met mate gebeurd. Omdat het stempel TIP meermalen gebruikt is, mogen we er van uitgaan dat de maker de Gouwenaar Thiel Jansz. Proost is. Hij startte in 1636 zijn bedrijf en werkte tot diep in de jaren 1680 door. Opmerkelijk detail is nog het voorkomen van het merkstempel de goudsbloem, dat in de tijd dat deze pijp gemaakt werd nauwelijks nog in vraag was. Het gebruik van dit stempel is nog even onverklaard als de afbeelding van het hielstempel met dubbelkoppige adelaar waarboven "HASELDOC" te lezen staat. Wat dat betreft bestaan er rond dit voorwerp nog wel wat raadsels.

Collectienummer APM 17.313


Afbeelding van een waterpijproker
januari 2004

Deze simpel uitgevoerde prent is een van de vele afbeeldingen van hookah- of waterpijprokers die in de negentiende eeuw zijn gemaakt. We vinden ze als illustratie in reisverslagen om de exotische rookgewoontes te tonen. Hier gaat het om een waterpijproker uit India, die na een lange reis in een rooksalon is aanbeland om daar uit te rusten en een stevige pijp te roken. Dezelfde prent toont nog enkele collega rokers, in andere dracht met afwijkende waterpijpen. Zo wordt de variatie aan kleding maar ook aan rookhoudingen en aan hookahs uit India wereldkundig gemaakt. Voornaamste kenmerk is het zitten op de grond uit een pijp met een duidelijke flesvorm die voor de roker is geplaatst. Opmerkelijk is verder dat alle pijpen een vaste steel hebben. In het Middellandse Zeegebied is dat anders, daar hebben waterpijpen een flexibele slang die comfortabeler rookt. Voor de Indiër zelf valt aan de soort pijp, de kleding en de wijze van zitten onmiddellijk de streek van herkomst af te lezen. Afgedrukt in een Europese publicaties blijft echter alleen de curieuze wijze van roken bewaard. Zeker wanneer zoals hier het geval is de lithograaf die de tekeningen van de reiziger verwerkte naar eigen hand een stilering aanbracht. Zo schiep hij weliswaar een aantrekkelijke eenheidsstijl die de artistieke kwaliteit van de prent ten positieve komt, maar helaas ging hierdoor een stukje van de realiteit verloren.

Collectienummer APM 17.280


Sigarenhouder in etui
december 2003

Vanaf 1850 ontstaat onder rokers de mode sigarenhouders van meerschuim te gebruiken en in enkele tientallen jaren tijd wordt een grote verscheidenheid aan ontwerpen bedacht. Kenmerkend voor de sigarenhouder is dat deze vaak gefigureerd is en de meest uiteenlopende vormen en voorstellingen kan aannemen. Een trechtervormige houder, bedoeld om de sigaar in te klemmen, heeft bij dergelijke pijpen ergens in de voorstelling een plaats gekregen. Daarin wordt de sigarenpeuk gestoken. De hier afgebeelde sigarenpijp is daarvan een goed voorbeeld. De pijpenkop is gefigureerd en laat het hoofd van een neger zien met geopende mond waardoor zijn gebit zichtbaar wordt. In het korte kroeshaar is links een snoer met kralen te zien, met een opstaande pluim die vrolijk omhoog steekt. Een kraag met plooien vormt de overgang naar een schijfvormige manchet. De bovenzijde van het hoofd is ingeboord om een trompetvormige sigarenhouder in te steken. Curieus bij deze pijp is de beschermdoos. In dit rechthoekige etui is centraal de pijpenkop geplaatst. Aan weerszijden zien we een meerschuim houder, ieder met een eigen diameter bestemd voor dunne en dikkere sigaren. In deze charmante rechthoekige doos vinden we verder langs de voorrand een tweedelig palissander roer voorzien van een barnstenen spits. Het etui is aan de buitenzijde met zwart leer beplakt, inwendig zijn rood fluweel en rossige zijde te zien. Zo verpakt wordt de luxe van de sigarenpijp onderstreept, maar kan deze rookset ook gemakkelijk meegenomen worden. Overigens is deze sigarenhouder nooit de favoriet van de eigenaar geworden want de pijp is maar een paar keer gebruikt.

Collectienummer APM 17.312


Spotprent met roker en snuiver
november 2003

In het laatste kwart van de achttiende eeuw beleefde de spotprent een geweldige populariteit, vooral in Engeland en Frankrijk. Deze droge naald met staand formaat is Frans van origine en is daarvan een mooi voorbeeld. De ingekleurde prent toont twee blije tabaksconsumenten in hun typerende houdingen. De linker man neemt wat snuifpoeder uit zijn tabaksdoos met de uitroep: "wat een geweldig snuifje". De rechter persoon rookt uit een lange bovenmaatse kleipijp met daarbij de verzuchting "ah, wat rook ik weer heerlijk". De twee Nicotinisten refereren aan een politiek probleem dat toetertijd speelde. Tabak komend uit de Franse kolonies Martinique en met name San-Domingo werd zo zwaar met accijns belast dat het versnijden van tabak met inferieur bladwerk aan de orde van de dag was. De smaak van de tabak ging daarmee achteruit, terwijl de prijs juist opliep. Hollandse handelsschepen brachten na verloop van tijd uitkomst, door via Amsterdam puike tabak aan te voeren. Op het havenhoofd van Rochefort, links op de voorgrond, gaat de Hollandse vlag uit om de Amsterdamse vloot in de verte te verwelkomen. Voor de Franse roker was dit, zoals het onderschift laat lezen: "Een onverwacht en welkom bezoek" ofwel letterlijk "La visite inattendue".

Collectienummer APM 17.253


Een baardmanpijp in hout
oktober 2003

Op eerste gezicht doet deze houten tabakspijp sterk denken aan een Jacobpijp, de populaire tabakspijp die vanaf 1860 door vrijwel de hele Franse boerenstand werd gerookt. Toch moeten we in deze baardmanpijp een zelfstandig ontwerp zien. Gesneden houten pijpen genoten in de negentiende eeuw een veel hoger aanzien dan figuurpijpen van klei. Daarom refereren de uitbeeldingen niet snel aan algemeen gangbare artikelen want dat zou hun status aantasten. Uiteraard gaat het ontwerp wel mee in de mode van de dag waarin een grote liefde bestond voor exotische uitbeeldingen waarin vooral mannen met baarden en tulbanden scoorden. Een duidelijk verschil in vormgeving is echter dat de baard veel korter is en sterker in twee punten uitloopt terwijl de snor van de voorgestelde vele malen groter is dan bij de Jacobpijp. Maar ook in de details zien we dat er van een andere figuur sprake is, bijvoorbeeld het feit dat de twee kwasten die Jacob standaard aan zijn tulband draagt hier ontbreken, terwijl wel twee geborduurde slippen van de tulband afhangen die bij de Jacobpijp nooit voorkomen. Ook de afwerking van deze pijp met een versiering van ingeslagen zilveren nagels op de tulband onderstreept de luxe van dit object, samen natuurlijk met de ingezette glazen ogen. De montage met een gedraaid buffelhoornen roer voorzien van een slap en knopenmondstuk wijst ook op een duurder artikel. De Jacobpijp werd standaard van een kersenhouten steel met eenvoudig mondstukje voorzien.

Collectienummer APM 17.143


Het hoofd van Hitler
september 2003

De bekende pijpenverzamelaar Henk van der Hoef uit Zeist kreeg in 1941 deze houten pijpenkop van een Duitse verzamelaar ten geschenke. De pijpenkop vertoont het hoofd van Adolf Hitler zoals wij hem kennen met kenmerkende lok op het voorhoofd en het karakteristieke snorretje. Aan de onderzijde is op de halsafsnede van de voorgestelde een hakenkruis ingekrast. Opvallend is de mooie lichte nerfloze houtsoort die op treffende wijze gesneden is. Toch komt deze pijpenkop mij voor als een bizar geschenk voor Nederland in bezettingstijd, maar Van der Hoef heeft het exemplaar toch in zijn collectie opgenomen en zelfs tot zijn dood gekoesterd. Als maker van de rijkleding van de toenmalige Prins der Nederlanden was een dergelijke voorstelling zelfs in een verzameling volstrekt ongepast. Waarschijnlijk werd om die reden toen de oorlog voorbij was op de steel van de pijp het opschrift "ES WAR EINMAL" ingekerfd om aan te geven dat het sprookje van Hitler ten einde was. Het portret van de succesvolle leider degradeerde tot dat van een verliezer. Overigens zijn pijpen met het portret van Hitler wel meer gemaakt al blijven zij een zeldzaamheid. Zij komen vooral over als een ongepaste grap en waarschijnlijk hebben zij om die reden nooit een plaats in de literatuur gekregen.

Collectienummer APM 17.131


Meerschuim Turkenkop
augustus 2003

Het uitbeelden van exoten en vooral Turken met tulbanden is geliefd bij tabakspijpen en werd al in de achttiende eeuw tot in de finesse door porseleinfabrieken uitgewerkt. Zonder twijfel is deze majestueuze portretkop van een Turk met tulband op die scheppingen geïnspireerd en zijn alle kenmerken bijna slaafs overgenomen. Toch vond de vervaardiging pas plaats toen de Turkomanie al voorbij was, namelijk in de eerste helft van de negentiende eeuw. Hoewel stoer en goed van verhouding is de voorstelling volledig te herleiden zonder ook maar iets eigens te hebben. Toch is voor wie goed oplet één kenmerk typisch negentiende eeuws en dat is de baard van de voorgestelde, die bij achttiende eeuwse versies in porselein niet voorkwam. De tulband is als gebruikelijk voorzien van een spelt met pluim met daaronder de kenmerkende halve maan. Aardig detail is wel dat de maan op de tulband op het zilveren deksel wordt herhaald. Waar de porseleinen tegenhangers altijd een klepdeksel met scharnier hebben, is hier juist een klemdeksel toegepast, dat met een kettinkje van zilver aan de manchetring is geborgd. Het steeleind is met een band met gestileerde acanthusbladeren afgezet. Bijzonder aan dit voorwerp is wel dat het een gesigneerde meerschuimpijp betreft, op de manchet is de naam van de pijpenmaker Roth ingedrukt, indertijd in Budapest werkzaam. Het object bleef bewaard met het bijbehorende etui. Praktisch is dat de pijp in het etui te roken is en dan steekt het zilveren dekseltje met maantje er pontificaal boven uit. Zo in gebruik bleef het kwetsbare meerschuim voor beschadigingen en lelijke verkleuringen behoed.

Collectienummer 17.134


Jachtscene in hertshoorn
juli 2003

Een wonderlijke en behoorlijk gekunstelde pijp is dit exemplaar gemaakt van hertengewei ofwel hertshoorn. De pijpenkop is gesneden uit een enkel stuk dat in het edelhertengewei tussen de roos ofwel de aanhechting van het gewei en de eerste vertakking zit. Dit stuk hertshoorn biedt als natuurlijk plaats voor de pijpenkop en de aanhechting van de pijpensteel. Het oppervlak van het gewei kan gesneden worden en zo ontstaat een voorstelling met een prachtig contrast. Wanneer de gesneden decoratie vervolgens gepolijst wordt lijkt het zelfs op appliques van ivoor. Het thema van deze pijpenkop is de jacht, waarbij centraal een hert te zien is, omringd door jachthonden. Aan weerszijden van de pijpenkop zijn jagers te paard weergegeven, met een zweep in de hand drijven zij het wild op. Wonderlijk genoeg dragen beide jagers een hoge hoed. Het deksel op de pijpenkop is ook een kroonstuk van een gewei, waarop aan de bovenzijde een slapende jachthond is uitgesneden. Met een zilvermontage is dit deksel aan de pijpenkop vastgezet, langs de rand voorzien van een hekwerkje als luchtinlaat. Ook de steel is van hertshoorn gemaakt met heel toepasselijk op de bovenzijde een staande Diana, godin van de jacht met een jachthond rechts achter haar. Het mondstuk van de pijp is echter van buffelhoorn, want hertshoorn is te hard en dus onprettig om tussen de tanden te houden. Volgens zeggen zou de productie van dergelijke curieuze pijpen in de plaats Meiningen in Thüringen plaatsgevonden hebben. Daar werden al eeuwenlang kruitvaten en allerlei doosjes van hertengewei gemaakt. In de negentiende eeuw kwam daar als nieuw item de tabakspijp bij, vooral die met de aan jacht gerelateerde onderwerpen zoals dit exemplaar. Een algemeen artikel is de tabakspijp van hertshoorn overigens niet geworden, daarvoor waren zij te duur en van vormgeving te extreem. Bovendien is het materiaal zwaar en niet comfortabel bij het vasthouden. Dat de productie echter een hoge graad van verfijning bereikte mag met deze pijp duidelijk zijn.

Collectienummer APM 17.115


Amusante Polichinelle
juni 2003

Bij deze figurale kleipijp is op een originele wijze gespeeld met de vormgeving. In de pijpenkop is een zittende Jan Klaassen te zien, zijn haakneus steekt duidelijk uit het silhouet, op zijn hoofd draagt hij een tweekante steek. De uitbeelding refereert aan de Polichinelle ofwel de Jan Klaassen die in de negentiende eeuw in Frankrijk buitengewoon populair was. Het ontwerp van deze pijp kan worden toegedicht aan de Franse pijpenfabrikant Louis Fiolet uit Saint-Omer en stamt al van voor het jaar 1840. De oorspronkelijke naam is Polichinel vampire. Toch gaat het bij deze pijp niet om een origineel exemplaar uit de fabriek van Fiolet maar om een kopie gemaakt door Félix Wingender uit Chokier aan de Maas in België. Deze fabriek stond er om bekend modellen van andere bedrijven te kopiëren om daarmee goede sier te maken. Deze pijp is overigens niet klakkeloos nagegoten maar is opnieuw gemodelleerd. Zo zijn de steelhoek en het formaat afwijkend van het oorspronkelijke ontwerp. Het steelstempel met de tekst "WINGENDER FRERES A CHOKIER" bewijst de Belgische maker, die de pijp onder modelnummer 63 verkocht. Aardig aan deze pijp is de oorspronkelijke beschildering, waarbij naast rode verf en wat groene toefjes een transparante gele lak gebruikt is die de pijp een vrolijk uiterlijk geeft. Uiteraard waren dergelijke pijpen meer een curiosum dan een functioneel artikel, al hadden ze natuurlijk wel een gebruiksmogelijkheid. Dat wordt ook bevestigd door het rubbertje dat om het steeleind is geschoven en er voor diende dat de roker de pijp zonder slijtsporen tussen zijn tanden kon houden.

Collectienummer APM 17.046


Goudstenen asbak
mei 2003

Een functioneel artikel voor rokers is deze asbak nooit geweest, maar een modeartikel des te meer. In het laatst van de negentiende eeuw werden in Duitse porseleinfabrieken miljoenen curiositeiten en prullaria gemaakt en daartoe behoort ook dit voorwerp. Hoewel als asbak bedoeld is het primair een sierartikel bestemd voor de toen overvolle huizen van de voortdurend groeiende middenklasse. Langs de rand van het bakje is in reliëf een versierde rand van schelpen en slakkenhuizen te zien, de realistische weergave van de natuur zoals Palissy dat eeuwen eerder ook bij schotels had gedaan. Dwars over het voorwerp ligt als decoratie een tabakspijp, die als sierpijp met ketel en steeleind aan de asbak vast zit. Juist door het aanbrengen van een pijp wordt de gebruiksfunctie van het voorwerp ernstig belemmerd. Aardig is wel dat een voor die tijd modern pijpmodel werd gekozen met een buldog ketel en korte overhoekse steel. Vanaf 1890 waren dergelijke modellen, uitgevoerd in bruyèrehout, buitengewoon populair. Dat de Duitse porseleinfabrieken een oneindige reeks van dergelijke asbakken en andere prullaria maakten, wordt bewezen door het modelnummer dat aan de onderzijde is aangebracht en "3308" te lezen geeft. Helaas is niet te duiden waar de productie heeft plaatsgevonden. In Nederland was dit goed vooral in het boerenmilieu als pronkartikel populair, vooral in de Achterhoek al is het hierbij afgebeelde voorwerp uit een Zeeuwse familie afkomstig.

Collectienummer APM 16.952


Kleurige Thaise folklore
april 2003

Voor de Akha, een volksstam die sinds het begin van de twintigste eeuw noord Thailand heeft bevolkt, is deze buitengewoon vrolijke tabakspijp karakteristiek. Wie de pijp nader bekijkt ziet dat het een simpel maar zeer doeltreffend gemaakt voorwerp is. De pijpenkop is uit een stuk bamboe gesneden, waarbij het tussenschot van de bamboe stengel de ketelbodem is geworden. Aan de onderzijde hiervan is een smal schotje hout blijven staan, dat is ingeboord voor bevestiging van een borgtouwtje. Vervolgens werd de bamboe kop aan de zijkant ingeboord en daar werd een dun rieten roer bevestigd. Zo ontstond een simpele maar bruikbare pijp van buitengewoon gering gewicht. Dit resultaat is vervolgens niet vrij van opsmuk gebleven. Eerst werd de ketel rondom van een eenvoudig ingekrast geometrisch lijnenspel voorzien. Daarna werd deze in een wonderlijke maar stameigen rossingpaarse kleur geverfd. Tenslotte is de steel nog ingevlochten in kleurig draadwerk, afwisselend in dezelfde rossingpaarse kleur in combinatie met groen. Ook is nog een borgkoordje bevestigd, lopend van de bovenzijde van de steel naar het gaatje onderaan de pijpenkop. Hier ontbreken enkele stoffen bolletjes als extra versiering niet. Hoewel geen duurzaam artikel, is dit vrolijke object wel heel specifiek en vooral stameigen.

Collectienummer APM 17.467


Goed getroffen oudje
maart 2003

Deze prachtig vormgegeven portretpijp van een oude vrouw is afkomstig uit een fabriek waarvan de geschiedenis nog ongeschreven is. Uitgevoerd in rode klei met een opvallende emailbeschildering in wit, heeft deze pijp een heel apart voorkomen. Vooral ongewoon is de kap, die diepliggende ruimtes naast haar gelaat vertoont, een reliëfwerking die bij de meeste fabrieken gemeden werd omdat het uitvullen van die uitstekende stukken bij het persen vaak tot zogenaamd kleitekort leidde. Voor deze pijpenmaker was dat blijkbaar juist een uitdaging en dat bepaalt ook de geslaagdheid van de pijp. Ooit smoorde deze karaktervolle vrouw tussen de lippen een pijpje waarvan een minuscuul gaatje in de lip nog het bewijs is. Dat dat losse minipijpje is zoekgeraakt, zal niemand verbazen. Al met al is sprake van een bijzonder modelé in een stijl die sterk beeldhouwkunstig overkomt en vooral minder glad oogt dan bij concurrerende fabrieken het geval is. Maker is ene Testervuide die werkzaam was in Pont-à-Moussin in de Lorraine. Het bedrijf werkte nog tot het midden van de jaren 1870 maar meer dan een paar pijpen zijn er van dat merk niet bekend. Dat is hoogst verwonderlijk, want deze pijpenkop draagt als modelnummer het getal 216 en dat wekt toch de verwachting van een fors fabrieksassortiment. Deze pijpenkop is een waardig bewijs dat er meer gepresteerd is dan de figuurpijpen van de grote Franse fabrieken als Gambier, Fiolet en Duméril laten zien.

Collectienummer APM 16.837


Een pijp van de Plains
februari 2003

Vredespijp worden ze altijd genoemd, maar de aanduiding ceremoniële pijp zou geschikter zijn. Gemaakt van catliniet, ook wel pipestone geheten, genoot deze pijp bij de Indianenstammen een groot aanzien en werd alleen bij speciale gelegenheden gerookt. De bijzondere steensoort met de prachtige rode kleur, vaak met subtiele kleurschakeringen, werd volgens zeggen door de stamoudste op een speciale plaats gehaald. Zo werd het sacrale van de pijp onderstreept. Kenmerkend voor deze Indianenpijp is de vormgeving waarbij het afgeplatte voorkomen te maken heeft met de geringe dikte van de steenlagen. Ook het uiterlijk van ketel en steel staan vast. De cilindrische ketel haaks op de steel is een standaard kenmerk, terwijl de steel zelf na de pijpenkop nog een stukje doorloopt. Vaak wordt dat deel heel subtiel iets dunner om aan het eind schuins te worden afgesneden. Dit exemplaar vertoont al die kenmerken maar is wat luxer dan gebruikelijk. De pijpenkop is namelijk aan de bovenzijde voorzien van een ingesneden geometrisch patroon dat nadat het uit het steen gestoken was, is opgevuld met lood. Het gieten van dit loodwerk was een eenvoudig klusje en gebeurde gewoon in het zand. Wanneer dit lood hard was geworden werd het bijgesneden tot een aangenaam glad oppervlak ontstond. Dergelijke pijpen werden in het prairiegebied ten oosten van de Rocky Mountains algemeen gebruikt, maar zijn tegenwoordig door verzamelaars zeer gezocht en dus behoorlijk zeldzaam geworden. Zij behoren tot de meest kenmerkende voorwerpen uit de Indianencultuur en spreken sterk tot de verbeelding.

Collectienummer APM 16.849


Watervat of asenewa
januari 2003

Bij het Ashantivolk in Ghana bestaat een hechte relatie tussen spreekwoorden of zegswijzen uit de lokale taal en de vormgeving van hun huisraad en gebruiksartikelen. Niet verwonderlijk dus dat veel pijpenkoppen aansluiten bij uitdrukkingen in de taal van alledag. Daarvan is deze pijpenkop een goed voorbeeld. In de ketel is namelijk een watervat of asenewa uitgebeeld, een metalen voorwerp dat naast de kookpot het meest algemene stuk huisraad voor de Ashanti is. Met deze uitbeelding wordt een voor ons niet zo begrijpelijke zegswijze uitgedrukt: Wanneer de pot van de armen breekt, dan ligt de kalebas daarnaast. De zegswijze duidt er op dat de armen met weinig genoegen nemen: breekt hun waterpot dan gebruiken zij gewoon een kalebas. Treffend en ook kenmerkend bij deze pijpen is het fijne snijwerk in het aardewerk dat generatieslang op die wijze is uitgevoerd. Ook de prachtige engobe waarmee de ceramiek is afgedekt is kenmerkend voor deze fijnversierde pijpen. Nadat de pijp gebakken was werd zij met krijt ingewreven om het contrast in de decoratie te versterken. Dergelijke pijpenkoppen werden gemonteerd met een rechte houten steel, soms bekleed met metaalbeslag. Begrijpelijk genoeg zijn die stelen nauwelijks bewaard omdat zij door reizigers niet werden meegenomen, terwijl de versierde pijpenkoppen geliefde souvenirs waren.

Collectienummer APM 16.708


Een gemzenhoorn als pijpenkop
december 2002

De negentiende eeuw is voor de pijproker de eeuw met de grootste keuze aan curieus rookgerei waarvoor onder de rokers toen grote belangstelling bestond. Zo zien we in die tijd een brede variatie aan pijpen in onverwachte vormen en van uiteenlopende materialen ontstaan. De hierbij afgebeelde tabakspijp is daarvan een mooi voorbeeld. Het gaat om een zogenaamde Gesteckpijp, een pijp opgebouwd uit losse onderdelen volgens een vast patroon. Voor de pijpenkop is een hoorntje van een gems gekozen, dat aan de binnenzijde met een onbrandbare pasta is bestreken. Als gebruikelijk werd de pijpenkop voorzien van een sierlijk witmetalen klepdekseltje. De opgaande steel van de pijp is opgebouwd uit buffelhoornen onderdelen, die in elkaar schroeven. Opmerkelijk is het steelstuk centraal in de pijp dat bekleed is met gemzenvacht en aan de bovenzijde eindigt in een miniatuur gemzenhoefje. Hoewel wat potsierlijk en vooral gekunsteld is zo toch een mooie eenheid ontstaan met een sterke relatie tussen de natuur en de jacht, thema's die bij veel Duitse tabakspijpen overheersen. De pijp is ook representatief voor de enorme industrie in draaiwerk van buffelhoorn die zich in de negentiende eeuw ontwikkelde en vooral ten dienste van de tabakspijpenfabricage stond. Zij werd op meerdere plaatsen beoefend al vertoont veel werk een wonderlijk grote eenheid.

Collectienummer APM 16.715


Blanc-de-Chine Turkenkop
november 2002

Toen in de tweede helft van de achttiende eeuw de portretpijp van porselein geliefd werd, veroverden afbeeldingen van Turkenkoppen snel populariteit. Niet voor niets sloot dat aan bij de Turkomanie, die in vele kunstvormen werd geïncorporeerd. Daarnaast was er voor de vormgever van de pijpenkoppen het voordeel van het modelleren van een tulband, die veel eenvoudiger was dan gecompliceerde hoeden. Deze Turkenkop volgt het gebruikelijke concept en laat een besnord mannenhoofd zien voorzien van een eenvoudige tulband. Op de steel zijn enkele mantelplooien aangebracht, met aan weerszijden een c-voluut, een ornament dat wijst op een vroege datering. De pijpenkop kwam tot stand in de meest toonaangevende porseleinfabriek, de Königlichen Sächsischen Porzellan-Manufaktur in Meissen. Dankzij het blauwe geschilderde onderglazuurmerk van twee gekruiste sabels dat zich aan de binnenzijde van de ketel bevind weten we dat. Opmerkelijk is hier dat de pijpenkop niet veelkleurig beschilderd is, maar in zogenaamde Blanc-de-Chine is afgewerkt. Een sobere uitvoering dus, maar toch niet de meest voordelige. Indertijd behoorden de pijpen uit Meissen tot de kostbaarste exemplaren die verkrijgbaar waren, ongeacht of dit met of zonder beschildering was.

Collectienummer APM 16.569


Neger met draagmand
oktober 2002

Ogenschijnlijk een gewone figurale kleipijp maar wel met een bijzonder ontwerp. Langs de steel is een staande negerfiguur te zien, de pijpenkop wordt gevormd door een ovaalvormige draagmand, die op zijn schouders rust. Wat de pijp zo bijzonder maakt is de prachtige, levensechte vormgeving, die volmaakt van verhouding is en buitengewoon gedetailleerd, zelfs al is er sprake van een uitvoering in miniatuur. Zo zien we dat de mand met de draagriemen de houding van de staande figuur op natuurlijke wijze beïnvloed waardoor we vergeten dat dit mannetje onderdeel van de pijpensteel uitmaakt. Door eindeloos roken is de pijp diep donkerbruin gekleurd en geven de overigens spaarzame accenten in witte email een bijzonder effect. Let vooral op de sprekende, contrasterende ogen. Op een dag brak de pijp en heeft de roker deze van een nieuw buffelhoornen mondstuk laten voorzien, bevestigd met een messing busje. Daarna is er nog jarenlang met plezier uit gerookt totdat de pijp de diep donkerbruine kleur kreeg die hij nu nog heeft. Maker is de firma Louis Fiolet uit Saint-Omer die dit ontwerp rond 1855 in de handel bracht. Gezien de herkomst is het niet onmogelijk dat dit specifieke exemplaar dezelfde pijp is die door Fairholt in 1859 in zijn boek over het tabaksgebruik werd afgebeeld. Fairholt legde bij deze voorstelling een link naar de actualiteit door deze pijp met Uncle Tom's Cabin te verbinden. Wat uit die toeschrijving vooral spreekt is dat veel uitbeeldingen van toen in de actualiteit van de dag wortelden.

Collectienummer APM 16.585


Ongebruikelijke naampijp
september 2002

Een pijp op naam is altijd een gewaardeerd artikel geweest. Geschonken door een dierbare of in andere gevallen persoonlijk besteld, gaf het de roker een bijzondere identiteit. De aanleiding was vaak een feestelijke of gedenkwaardige gelegenheid waarop graag werd teruggekeken. Toen rond 1910 in Gouda de doorrokerpijp tot ontwikkeling kwam, verscheen al gauw de op naam gestelde variant. Dit exemplaar is daarvan een vroeg voorbeeld. De pijp dateert uit 1915 en heeft nog niet het voorkomen zoals dat later gebruikelijk werd, gekenmerkt door een voorstelling in een geometrische lijst met tekst in blokschrift. Hier is het opschrift "PIETER GLAS 1891-1915 KAPELLE TER GEDACHTENIS" nog primitief uitgevoerd. Het is wat bout midden over de ketel geschreven in de toen gebruikelijke schoonschriftletters, uitgevoerd in slechts één enkele kleur en wel de meest voor de hand liggende, namelijk blauw. Het product kwam tot stand bij de Koninklijke Goedewaagen en lijkt een eenling in een stijl die niet is vervolgd. Tijdgebonden is ook het roer, dat niet in caoutchouc is uitgevoerd, maar in een rode kunststof. Dergelijke roeren werden tijdens de vorige eeuwwisseling geïntroduceerd en verwierven grote populariteit omdat zij qua uitstraling met barnsteen konden wedijveren. Daarnaast hadden zij als voordeel dat zij beduidend sterker waren. Om de ketel voor breuk te behoeden, werd bij de gebogen modellen een borgkettinkje met borgoog aangebracht. Zou de kop van de steel schieten, dan bleef deze dankzij het kettinkje hangen.

Collectienummer APM 16.512


Meerschuim van Gambier
augustus 2002

Deze tabakspijp van meerschuim toont het hoofd van een Engelse dame met plat hoedje versierd met bloemen en linten, een voorstelling die rond het jaar 1900 vaker werd gesneden. Elegante damesportretten waren populaire motieven voor tabakspijpen en vonden vooral bij de burgerlijke roker aftrek. Wat deze pijp bijzonder maakt is echter niet de vormgeving maar het adres in het etui. Aan de binnenzijde van het deksel lezen we in bladgoud letters "J. GAMBIER PARIS" en die tekst wijst er op dat de pijp door de beroemde firma Gambier werd verhandeld. Zij stamt uit de tijd dat deze fabriek van kleipijpen met een teruglopende afzet kampte en men door brancheverbreding met houten en meerschuim pijpen hoopte de detailhandel beter te kunnen bedienen. Overigens zijn adressen in foedralen van meerschuim pijpen vrijwel altijd gerelateerd aan de wederverkoper en zij verwijzen helaas zelden naar de werkplaats waar de pijp tot stand kwam. De werkelijke productieplaats van deze tabakspijp blijft daardoor voor ons verborgen. Zouden we dit ontwerp onverhoopt toch in een fabrikantencatalogus van een meerschuimfabriek tegenkomen, zelfs dan moeten we ons bedenken dat ook de fabrieken veel werk uitbesteedden. Daarnaast was het voor fabrikanten normaal ook werk van andere makers te verhandelden, zodat zij een zo compleet mogelijk assortiment konden leveren. Die handelspolitiek maakt toeschrijving tegenwoordig dus vrijwel onmogelijk.

Collectienummer APM 16.472


Meerkleuren glazuur
juli 2002

Uit de fabriek van Dutel-Gisclon in Montereau is deze prachtig gevormde pijpenkop van een man in historische dracht afkomstig. De persvorm voor deze karaktervolle pijp werd in de jaren 1870 gemaakt, maar zeer waarschijnlijk stond een ouder ontwerp model. Opmerkelijk is hier de afwerking met een beschildering in meerkleuren glazuur, die het gehele oppervlak van de pijp bedekt. In tegenstelling tot het bekende schilderemail, waarbij alleen wat kleuraccenten werden gelegd, is hier dus gekozen voor een volledig polychrome uitvoering. Dit werk is vermoedelijk niet in de pijpenfabriek zelf verzorgd, maar door een pottenbakker ergens in Frankrijk. Knap is vooral de levensechte tinten van het gelaat van de man, want vleeskleuren zijn zeer moeilijk te benaderen. Tot nu toe is het de enige pijp met deze kleurige afwerking die van Gisclon bekend is en daarmee dus een zeldzaamheid. Overigens is het glazuren van een kleipijp geen logische zaak. Het oppervlak is door het persen van de pijp te glad geworden om een goede hechting voor het glazuur te geven. Dat resulteert in een kwetsbare glazuurhuid waarbij de kans groot is dat bij stoten het glazuur gaat schilferen.

Collectienummer APM 16.494


Een portretpijp met allure
juni 2002

Deze magnifieke manchetpijpenkop is gemaakt van corozo ofwel coquianoot, een harde tropische noot die vers goed te snijden is maar later uithardt en keihard wordt. Vanaf het begin van de negentiende eeuw zijn van deze noten pijpen gemaakt, die vaak buitengewoon artistiek vormgegeven zijn. Zij zijn de variant op de talloze kleine snuifdoosjes en andere curiositeiten die ook in dat materiaal werden uitgevoerd. Deze pijpenkop is daarvan een prachtig en vooral artistiek voorbeeld. De ketel stelt het hoofd van een vrouw voor, in haar kapsel is een band met wijnranken verwerkt. Aan de basis van de pijpenkop is een vogelkop te zien, de onderzijde vormt met een kromme snavel de uiterste punt van de pijpenkop. Deze vogelkop gaat vrijwel ongemerkt over in een steel versierd met geometrisch snijwerk waarin bloemknoppen domineren. Om de sculptuur te vervolmaken is zelfs een klepdekseltje toegepast, dat met een klein messing scharniertje aan de pijpenkop is vastgemaakt. Als rookgerei is corozo niet echt geschikt, omdat dit materiaal aan de binnenzijde altijd een inzetketel van een ander materiaal moet hebben. Vaak is dit een gewone pijpenkop van klei, die voor een neutrale smaak zorgt, maar tevens het barsten van de noot door warmte moet voorkomen. Dankzij die binnenketel werd de pijp ook voor kritische rokers een geschikt rookinstrument.

Collectienummer APM 16.473


Veilig in een kistje
mei 2002

Meerschuim is en blijft een kostbaar materiaal en pijpen daarvan gemaakt werden door rokers altijd zorgvuldig weggeborgen. Deze rechthoekige houten kist is een mooi voorbeeld van een bewaardoos voor een grote meerschuim kop van het zogenaamde zakmodel. Kenmerkend is de licht verzwaarde ketelbasis met een ronde onderzijde en een nauwere ketelbovenzijde waardoor de pijp tijdens het roken gemakkelijk vast te houden is. Kenmerkend voor de periode is de betrekkelijk lange steel die altijd iets oploopt. Als gebruikelijk werden dergelijke meerschuimen pijpen voorzien van een zilveren klepdeksel met langs de buitenrand een gezaagd hekwerkje om de lucht toe te laten. Aan het andere uiteinde van de pijp bevindt zich een zilveren steelplaat waarop een houder om het separate roer in te plaatsen. De gegraveerde tekst "V.BLÜCHER" op dit zilveren steeleind wijst op de trotse bezitter van deze forse pijpenkop, een lid van de beroemde familie Von Blücher waarvan veldmaarschalk Gebhard Leberecht von Blücher in 1814 leiding gaf aan de verovering van Parijs en zo een zege tegen Napoleon behaalde. De eigenaar van deze pijp was een serieuze roker en heeft zijn tabakspijp jarenlang gebruikt. Dat zien we aan de prachtige donkere patina die vooral de onderzijde van de pijpenkop heeft gekregen, doordat het meerschuim zich vol met tabaksteer en nicotine heeft gezogen.

Collectienummer APM 16.444


Bruyere met Gouds model
april 2002

De Goudse pijp met zijn ovale ketel, cilindrische hiel en rechte steel is wereldwijd vermaard geworden. De populariteit van dit artikel klinkt nog lang door in andere centra en eveneens in andere materialen. Deze tabakspijp uit bruyèrehout gesneden is daarvan een mooi voorbeeld. Qua vorm is de pijp volledig Gouds, al zijn materiaal en decoratie gerelateerd aan andere streken. Zo is de slingerende wingerdrank met zijn specifieke bladeren die uit het oppervlak gesneden is bepaald niet Hollands. Als decoratief element is zij echter lang populair geweest, vaak afgewisseld met druiventrossen. Dat laatste motief is hier in de hiel weergegeven. Om de decoratie op de pijpensteel geleidelijk te laten eindigen is in het middendeel van de steel een knoestige tak uitgebeeld, heel toepasselijk een naturalistische weergave van de wijnstok. Het mondstuk is van barnsteen, om de roker het vereiste comfort te bezorgen. Maker is waarschijnlijk de firma Aschenbrenner & Cie. uit Saint-Claude. Zij leverden een reeks van dergelijke pijpen, waarvan de meest prestigieuze exemplaren meer dan een meter lang zijn!

Collectienummer APM 16.451


Vissendecoratie
maart 2002

Deze tabakspijp stamt uit de werkplaats van de ceramist Owen Jegou, die rond 1960 actief was. Het is een van de vele voorbeelden van ceramische pijpen die het traditionele pijpmodel volgen, maar aangepast zijn aan een eigen gevoel van vormgeving en smaak. Dat geldt ook voor het werk van Jegou . Naast variatie in modellen zien we uiteenlopende motieven, waarmee Jegou zijn pijpen doorgaans versierde. Ingekraste dierfiguren, zoals hier de vissen of een staande haan komen voor naast bijvoorbeeld bloeiende tabaksplanten of andere motieven. Aangezien Jegou ook bekend is van enkele andere pijpontwerpen, mogen we er van uitgaan dat hij in zijn tijd een gerespecteerde ceramist was met een zekere bekendheid als pijpenmaker. Wonderlijk natuurlijk om te merken dat een dergelijke persoon enkele decennia later volkomen vergeten is. Dankzij deze bewaard gebleven pijp en een toevallige signatuur heeft zijn werk toch eeuwigheidswaarde gekregen. Hoe serieus het product is wordt overigens ook bewezen door het zorgvuldig gemaakte roer van buffelhoorn en het aluminium schroefsysteem waarmee dit aan de pijp is bevestigd.

Collectienummer APM 16.457


Bronzen pijp van de Batak
februari 2002

In de lokale taal worden deze bronzen pijpen raja of datu toba genoemd. Het gaat om tabakspijpen gemaakt door de Batak stammen die in het noorden van Sumatra leven, vooral rond het Tobameer. Generaties lang al maken zij hun tabakspijpen van brons en de vormgeving volgt een vast concept. Dit type, er zijn er twee, is het meest algemeen en heeft een slurfvormige ketel, een hielmarkering en een lange rechte steel. De pijp is gegoten volgens de zogenaamde verloren was methode en is op de ketel en steel van een ritmische geometrische decoratie voorzien. Omdat de lange steel niet in een keer gegoten kan worden, bestaat deze uit drie stukken die met een houten kern bijeen worden gehouden. Iets voorbij het zwaartepunt van de pijp is als markering een verdikte band met enkele knorren aangebracht, die de pijp een elegante balans geeft. Tenslotte bevindt zich aan de ketel een draagoog om de pijp mee te kunnen nemen. Zeldzaam bij dit exemplaar is dat de ketel van een dekseltje is voorzien, dat met een scharnier sluit. Op dit dekseltje zien we in reliëf een staande haan. Dat Batakpijpen een forse lengte kunnen hebben bewijst ook deze pijp met een steel van ruim tachtig centimeter. De pijpen fungeerden als een statusitem voor de Batak stamleider, de raja en de priester, de datu. Zij werden aan een ketting over de schouder meegedragen. Overigens zijn het gewone rookinstrumenten geweest, getuige de aanslag van roet en tabaksresten in de originele stukken, al waren deze pijpen uiteraard voorbehouden aan specifieke gebruikers.

Collectienummer APM 16.424


Wangenkop
januari 2002

Volgens de verkoper stamt deze pijpenkop uit de Monastère Bénedictin du Mont Fébé in de plaats Yaoundé en werd daar tot het jaar 1999 bewaard. Opmerkelijk aan dit object is het gestileerde gelaat met de opgeblazen wangen, refererend aan de trompetters die de koning begeleiden en die hun wangen bol blazen met lucht. Aan de bovenzijde wordt het gelaat afgesloten met twee in elkaar doorlopende wenkbrauwen die een vloeiende lijn vormt boven de cirkelvormige ogen. Die ogen maken toeschrijving aan de Bamileke, een stam levend in het Graslandgebied van Kameroen, logisch. Een ander onverwacht kenmerk is het vlakke voetstuk waarop de pijpenkop stabiel kan staan. Hoewel technisch gezien geschikt om uit te roken, werden dergelijke pijpen vooral als verzamelaarsobject gemaakt. De vormgeving van deze pijpenkop staat sterk op zich en is met weinig andere figurale koppen te vergelijken. Toch moet deze pijpenkop in serie uitgevoerd zijn, zoals de traditie in het pottenbakken op de Graslanden bepaalde, al is een tweede exemplaar tot heden toe nog niet bekend. Kenmerkend is verder de zwarte gesmoorde kleur van de keramiek waarin de meeste pijpenkoppen zijn uitgevoerd.

Collectienummer APM 16.421


Proefpijp van Scholenaar
december 2001

In de negentiende eeuw werkten in Gouda vader Pieter en zoon Pieter Gerardus Scholenaar, de eerste zilversmid, de tweede plaatsnijder. Voor de Goudse pijpenmakers graveerden zij op verzoek persvormen. Die activiteit gebeurde in de traditie van hun voorgangers met gereedschap dat nog terugging naar de bloeiperiode van de nijverheid rond het jaar 1750. Deze massieve pijpenkop is uit de werkplaats van zoon Pieter Scholenaar junior afkomstig. Wanneer hij een pijpvorm gedecoreerd had, maakte hij daarvan een massieve afdruk in klei om het resultaat te controleren. Die afdruk werd vervolgens bewaard en diende als voorbeeld voor nieuwe ontwerpen. Zijn archief van enkele honderden afgietsels werd na zijn overlijden in 1909 door Pieter Goedewaagen aan het Gouds Museum geschonken. Helaas bleven die voorbeelden daar niet bewaard, vermoedelijk werden zij bij een opruiming door gebrek aan kennis weggegooid. Dit exemplaar kwam in 1963 uit de fabrieksinventaris van de Koninklijke Goedewaagen te voorschijn en is een van de weinige overgebleven voorbeelden. Het voorwerp is van buitengewoon belang omdat het ons leert welke slagstempels er door de Scholenaars gebruikt werden. Door de stempels op deze pijpenkop te vergelijken met andere versierde pijpen uit de negentiende eeuw, kunnen we vaststellen of Scholenaar de decorateur was of dat het om een andere vormgraveur gaat. Op die wijze kunnen we de decoraties groeperen met als doel toeschrijvingen van de pijpen te kunnen doen. Dat is vooral belangrijk omdat veel pijpen uit die latere periode geen makersmerk meer dragen en op geen andere wijze te determineren zijn.

Collectienummer APM 16.394


Bijzonder Chinees schrift
november 2001

Opiumpijpenkoppen worden vaak van yixing gemaakt, een Chinese steengoed met een verfijnde scherf die ook voor trekpotjes geliefd was. Deze exclusieve steengoedsoort heeft een koelende werking en bezit voldoende porositeit om de vaste stoffen uit de opiumdamp op te nemen. De buitenzijde van deze opiumkoppen is door polijsten prachtig glad geworden. Veel van dergelijke koppen kregen aan de zichtzijde een versiering die werd ingekrast en vervolgens met een contrasterende kleikleur werden ingevuld. Zo bleef de pijpenkop volledig vlak om gemakkelijk schoon te houden. Teksten behoren tot de geliefde motieven op dergelijke koppen, vaak geïnspireerd op de Chinese poëzie. De hier besproken pijpenkop is in zoverre afwijkend omdat niet het gangbare Chinese schrift is weergegeven maar een veel eenvoudiger lopend handschrift. Terwijl de karakters altijd in overzichtelijke rijen geplaatst zijn, is het schrift hier doorgaand rond de ketel aangebracht en vormt twee tekstringen. Dergelijke opiumkoppen dragen aan de onderzijde doorgaans stempels die verwijzen naar de maker en de plaats van vervaardiging, soms is zelfs een jaartal of andere bijzonderheid opgenomen. Ook bij deze pijpenkop ontbreken deze stempels niet en zijn zelfs op vier plaatsen aangebracht.

Collectienummer APM 16.310


Een moedervorm van Zenith
oktober 2001

De productie van gietpijpen vond vanaf het begin van de twintigste eeuw plaats doch wonderlijk genoeg heeft deze bedrijfstak niet veel sporen nagelaten. Uit de tijd van de gekaste pijpen zijn nog talloze messing en ijzeren persvormen bewaard gebleven, maar van de gietpijp rest ons vrijwel niets. Het gieten van de pijpen gebeurde in gipsen productievormen en na een beperkte oplage waren die versleten en werden weggeworpen. In een zogenaamde moedervorm werden dan nieuwe vormen afgegoten. Zo'n moedervorm, het positief of matrix van de werkvorm dus, is hierbij afgebeeld. Kenmerk is dat de vorm in een vlakke plaat is opgenomen. Daarbij horen twee opzetstukken met een L-vorm zodat een gietbak ontstaat waarin het gips voor een nieuwe vorm wordt gegoten. Bovendien is de pijp bij de moedervorm in positief uitgevoerd. Deze moedervorm is bedoeld voor een holwandige tabakspijp van Zenith die de naam intermezzo draagt. Zoals de naam van de pijp al zegt, ontworpen voor wie even kort wil roken. De vierzijdige vorm van de pijpenkop, die in de steel oplost is kenmerkend voor dit ontwerp. Bedenker is Niels Keus uit Amsterdam die overigens verschillende ontwerpen voor holwandige pijpen voor de Zenith heeft bedacht. Het model was zeer succesvol en is bijna dertig jaar in productie gebleven.


Collectienummer APM 16.233


Een lichtgewicht keizer
september 2001

Deze bruyèrepijp met een volsteel van caoutchouc is een opmerkelijk artikel. Het is de ultieme lichtgewichtpijp omdat de ketelwand buitengewoon dunwandig is. Daarnaast geeft de pijp met zijn strakke rechte steel en elegante wat ronde ketel de roker een joyeuze, vrijblijvende look. Voorgesteld is de Duitse keizer Wilhelm I wiens herkenbaarheid gemaakt wordt door de Duitse helm in combinatie met zijn karakteristieke snor en bakkenbaarden. Bijzonder is ook dat de afbeelding hier ondersteboven is uitgevoerd. Dat is overigens niet zo waardig voor een keizersportret en de vraag rijst dan ook of een dergelijke pijp niet eerder door de antimonarchen gerookt is. Onduidelijk is ook de herkomt ervan. Bruyère wordt vooral gezien als een Frans artikel, al is deze houtsoort ook in Duitsland veel verwerkt. Daar kwam de productie al in de negentiende eeuw goed op gang. Toch heeft de bruyèreindustrie zich in Duitsland niet voortgezet en ging geleidelijk verloren. Over de herkomst van deze pijp tasten we dus nog in het duister terwijl ook de datering onzeker is. De lichtgewicht uitvoering wekt alleszins de indruk twintigste eeuws te zijn, maar de keizer zelf stierf al in 1888. Het is dus onduidelijk of we in deze pijp een postuum zogenaamd eerbetoon zien uit de tijd van de Eerste Wereldoorlog of dat het een contemporaine uiting van anti-keizerlijke gevoelens was, dus van voor 1888.

Collectienummer APM 16.215


Paardenkop door een ceramist
augustus 2001

Tabakspijpen van de keramiekkunstenaar Marcel Giraud behoren tot de twintigste eeuwse ceramische hoogstandjes. Giraud, die als kunstenaarsnaam Gem of Gema gebruikte, leefde van 1897 tot 1985 en werkte in het Franse plaatsje Vallauris. Het meest bekend van hem is de karikatuurpijp van president De Gaulle, gemaakt in een oplage van slechts veertig genummerde exemplaren op verzoek van de pijpenverzamelaar Madame De Westphalen. Tot voorkort nog onbekend is de hierbij afgebeelde pijpenkop die de kop van een paard weergeeft, vormgegeven zoals de portretpijp van de oud-president met een minimum aan details. Omdat sprake is van een holwandige pijp, staat de feitelijke buitenvorm los van de binnenketel waardoor de kunstenaar bij het ontwerpen niet gebonden was aan het formaat van de rookkamer van de pijp. Door stilering van vormen suggereerde Gem de paardenkop en bracht vervolgens enkele kenmerkende details aan. Juist in stileren en suggereren excelleerde Giraud. Naast het minimalisme in vormgeving en details is de toepassing van het kunstglazuur bijzonder met een matte uitstraling, waarin de verschillende tinten meewerken in het accentueren van details. De paardenkop pijp werd gemaakt in dezelfde periode als de andere pijpen, tussen 1970 en 1972 en draagt als gebruikelijk de signatuur Gem op de plaats waar de steel ingestoken moet worden. Bij dit ontwerp is echter niet van een genummerde oplage sprake al weten we dat het werk van Giraud steeds bij kleine aantallen is gemaakt. Niet verwonderlijk dus dat zijn pijpen tegenwoordig zeldzaam zijn.

Collectienummer APM 16.200a


Een pijp uit een krabbenschaar
juli 2001

Wonderlijke materialen om tabakspijpen uit te maken zijn er altijd geweest. Deze pijp is daarvan een mooi voorbeeld. De schaar van een krab is omgevormd tot een tabakspijp. In het brede aanzetstuk is de ketel geplaatst, in de punt is een rookkanaal geboord. En wonderlijk genoeg kan de pijp zo functioneren terwijl nicotinesporen erop wijzen dat dat ook langere tijd is gebeurd. De buitenzijde is met snijwerk versierd, zoals dat in de negentiende eeuw gebruikelijk was. Rondom de pijpenkop zijn enkele eenvoudig bloemen uitgesneden, maar het hoofdmotief bevindt zich op de voorzijde van de ketel. Daar is een adelaar met gespreide vleugels te zien, refererend aan het Franse keizerrijk. De steel vertoont een eenvoudige maar charmante tordering. Het gaat om werk uit een Franse kolonie, mogelijk door zeevarenden gemaakt op momenten waarop het schip voor anker lag. Hoewel deze pijp een unicum lijkt, is dat niet het geval. Van deze wonderlijke krabbenschaarpijp is een tweede exemplaar bij een Belgische verzamelaar bekend , zodat niet sprake is van een uniek stuk.

Collectienummer APM 15.815


Portretpijp van Philippe VIII
juni 2001

Deze portretpijp stelt het borstbeeld van prins Philippe VIII voor, hertog van Orléans en troonpretendent van Frankrijk. De pijp is aan het begin de vorige eeuwwisseling gemaakt door de Société Bonnaud & Fils in Marseille. Voorbeeld voor deze pijp diende een gesneden houten pijp uit Saint-Claude, die toentertijd in omloop was. Royalisten konden met deze portretpijp hun sympathie voor het koninkrijk Frankrijk uitdragen. Van deze kleiversie wordt overigens gezegd dat hij bij kleine aantallen besteld is door een groep koningsgezinden maar dat er nooit van reguliere productie sprake is geweest. Dat is een twijfelachtige bewering, want het maken van een meerdelige persvorm was alleen lonend bij een grote oplage. Zeker is wel dat de verkoop niet erg succesvol moet zijn geweest omdat de beoogde troonsbestijging nooit heeft plaatsgevonden. De zeldzaamheid wordt mede bevestigd doordat deze pijp in de vrijwel alle verzamelingen ontbreekt. Kenmerkend voor Bonnaud is dat de pijp van roodbakkende klei gemaakt is, de buitenzijde werd met transparante lak afgewerkt om er aantrekkelijker uit te zien, maar ook om kleurbestendiger te zijn.

Collectienummer APM 16.196


2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001