Amsterdam Pipe Museum
$('#mast1').cycle({
			delay: 1000,
			speed: 2000
		});
$('#mast4').cycle({
			delay: 1000,
			speed: 2000
		});
$('#mast7').cycle({
			delay: 2000,
			speed: 3000
		});
$('#mast10').cycle({
			delay: 1000,
			speed: 3000
		});
home > museum > vincent van gogh

Vincent schildert zichzelf met pijp

Liefde voor kersenhouten pijpen

In Frankrijk gaat Vincent van Gogh over op andere soorten pijpen. De negentiende eeuwse Franse roker besteedde meer aandacht aan zijn rookgerei dan de Hollander. Toen Vincent nog in Brabant en België woonde was hij aangewezen op de kleipijpen die daar te koop waren. Een kleipijp is nu eenmaal breekbaard en gaat niet lang mee. In Frankrijk schafte Vincent zich dus nieuwe kleipijpen aan, het voorbeeld op het stoeltje en op een stilleven kwam al ter sprake. Overigens dient ter zijde opgemerkt te worden dat de Franse kleipijpen beter rookten dan de Nederlandse. Zij hadden een poreuzere scherf en gaven een zachte smaak door de koelende werking van de absorberende klei.

Verder was in Frankrijk sinds een aantal jaren ook een nieuw type pijp op de markt, die Vincent direct uitprobeerde. Het gaat om de mérisier ofwel kersenhouten pijp (afb. 31), een soort hout dat in Duitsland wordt aangeduid met Weichsel. Kersenhout is herkenbaar aan de gevlamde bast die rondom de pijp zichtbaar blijft. In feite is een kersenhouten pijp niet meer dan een stukje van een dikke tak, van boven uitgehold voor de tabak. Onder aan de zijkant wordt een gat geboord waarin een dunnere tak van de kers gestoken wordt die als pijpensteel fungeert. Kersenhout is vanwege de zachte kern gemakkelijk te doorboren. Van het mondstuk wordt de bast afgesneden om een betere grip tussen de tanden te geven.

In vergelijking tot de kleipijp is de kersenhouten pijp tamelijk duurzaam, al gaat deze ook weer niet eeuwig mee. Het blijft tenslotte hout, dus op den duur brandt de pijp door. Al rokend geeft het kersenhout een licht zoete smaak af, die de pijptabak een extra plezierig smaakaccent geeft.

Het zelfportret met blauwe kiel en gele zomerhoed uit 1887 laat zoˈn pijp zien en toont duidelijk dat de pijpensteel niet één geheel met de pijpenkop vormt, maar een stukje boven de bodem is aangezet (afb. 32). Ook het witte hout van de steel, waar de bast is weggesneden is goed herkenbaar. Op het zelfportret van 1886 waar Vincent zijn nette grijze pak met vest draagt, zijn de lichte vlammen in de boombast makkelijk te verwarren met het craquelé van de verf (afb. 33). Toch gaat het hier ook onmiskenbaar om een kersenhouten pijp.

Naast kersenhout werd er in die periode met allerlei andere houtsoorten geëxperimenteerd. Op weer een ander zelfportret zien we tussen de tanden van Vincent een gemonteerde pijp die tussen weichsel en hardhout in zit (afb. 34). De pijp heeft een bolle ketel en is gemonteerd met een losse steel met mondstuk. Vermoedelijk is dat mondstuk van buffelhoorn gemaakt, een slijtvast materiaal dat toen al generaties voor pijpenroeren werd gebruikt. Hoe dicht de hierbij afgebeelde pijp bij het voorbeeld uit het schilderij staat (afb. 35), is niet duidelijk. Dat wordt verdoezeld door de toetsmatige wijze van schilderen.

1

Afbeeldingen 1 / 5

Afb. 31 Kersenhouten pijp
Afb. 32 Zelfportret met mérisier
Afb. 33 Zelfportret met mérisier
Afb. 34 Zelfportret met houten pijp
Afb. 35 Pijp in de vorm van walnoot